Tegen de nuance

greyscale3-1

We leven in een tijd van polarisatie. Zeker in tijden van verkiezingen staan uitersten in onvermurwbare kampen tegenover elkaar. Het strijdgewoel dendert op ons af via grimmige twitterfitties en vonkende Facebookposts. Het stroomt over richting de ‘conventionele’ media, in talkshows waar gasten het schuim op de lippen staat, of in kolkende opiniestukken. Of het nu over Turkije gaat, over vluchtelingen of over Zwarte Piet, de onderbuik regeert, de ‘grijstinten’ worden gescheiden in zwart en wit, argumenten, als ze er al zijn, zijn tegenover de andere partij slechts aan dovemansoren gericht. Een groeiende groep mensen komt echter in opstand tegen de felheid van het debat. Dit weekend besteedde de Volkskrant weer aandacht aan het zogenaamde ‘milde midden’, de nieuwe ‘zwijgende meerderheid’. Het gaat over de site ‘soChicken’ die mensen wil helpen van hun uitgesproken mening af te komen. Over de ‘grijsdenkers’ van het Utrechtse ‘Dare to be grey’, die zich identificeren als ‘extreem gematigd’. Zij proberen de milde denkers van Nederland het platform te geven dat zij ontberen in de op extreme standpunten gefixeerde media. De nuance zou weer op een voetstuk moeten komen te staan.

Dat verlangen naar nuance in het debat is zonder meer begrijpelijk, zeker gezien de agressie en scheldkanonnades die we de afgelopen jaren hebben moeten lezen en aanhoren. Toch is nuance, gezien als doel en als uitgangspunt, niet de oplossing. Sterker nog, als er iets een gevaar is voor de democratie, dan is het wel grijsdenken gezien als doel op zich.

De denkfout die gemaakt wordt is dat het hebben van een uitgesproken, zelfs een radicaal standpunt, gelijk zou staan aan extremisme, aan de onderbuik, aan borreltafelpraat, aan onredelijkheid. De gematigde mens wordt gezien als verstandiger, als superieur in zijn argumentatie en tegelijkertijd ook als een onschuldig slachtoffer van een doorgeschoten cultuur van polarisatie. Feitelijk is dit een impliciet frame, dat net zo goed een aantal — stevige — meningen buiten het debat wil plaatsen.

Wat betekent het eigenlijk om op een bepaald moment een uitgesproken standpunt in te nemen? Bestaan er ook ‘extreme’ standpunten die niet uit een onderbuik voortkomen, maar juist goed beargumenteerd zijn? Een handig gereedschap hierbij is het zogenaamde ‘Raam van Overton’ , dat aangeeft welke ideeën op een bepaald moment in de geschiedenis gezien worden als redelijk en acceptabel. Ideeën die buiten dat raam vallen, worden in de publieke opinie steevast neergezet als doorgeslagen en radicaal. Dat ‘Raam van Overton’ staat niet vast — het verplaatst zich voortdurend naarmate de tijd voortschrijdt.

Zo was het in de 19de eeuw lange tijd een te radicale mening om het algemeen kiesrecht te verdedigen. Binnen het bestek van het Overton-venster bevonden zich wel verschillende vormen van census-kiesrecht (kiesgerechtigheid op basis van de hoeveelheid bezittingen die je had). Slechts mensen die over een voldoende hoeveelheid kapitaal konden beschikken waren volgens deze gedachtegang pas echt in staat om vanuit het Algemeen Belang een verantwoorde keuze te maken voor de volksvertegenwoordiging. Was je eind negentiende eeuw een genuanceerde en gematigde liberaal, dan zocht je daarin de ruimte. Je beargumenteerde je enerzijds-anderzijds verhaal binnen die context, hetgeen leidde tot nu compleet absurde, technische debatten over de hoeveelheid kamers die iemand in zijn huis mocht hebben, wilde hij (het was toen altijd een ‘hij’ ) mogen stemmen of niet. Als we nu terugkijken op die periode schijnt al die genuanceerde praat uit die tijd ons onzinnig toe, uiteindelijk zegevierde in 1917 (mannen) en 1919 (vrouwen) het extreme, radicale standpunt van het algemeen kiesrecht ongeacht de hoeveelheid bezit die iemand had. Het Overton-venster schoof mee.

Nuance kan de vorm aannemen van een obsessieve behoefte om binnen het Raam van Overton te blijven. In het debat over Algemeen kiesrecht kwam dat tot uiting in monstrueuze en bizarre wetsvoorstellen vol overbodige details. Een recent voorbeeld van zo’n genuanceerde monstruositeit is de ‘bruine Piet met sluik haar’ die in de zomer van 2014 door het Nederlandse centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed werd gepresenteerd. Doordat het centrum blijkbaar beide partijen in de discussie over Zwarte Piet tevreden wilde houden, ontstond een vreemdsoortig amalgaam van kenmerken die uiteindelijk niemand gelukkig maakte en geen van de problemen rond de figuur oploste. Hier leed de gematigde Nederlandse poldercultuur op een onnavolgbare manier schipbreuk.

Echte maatschappelijke verandering, het verschuiven van dat Overton-venster, is juist het werk van mensen die in hun tijd als weinig genuanceerd en veel te radicaal worden neergezet. Zeg maar de Quincy Gario’s van tegenwoordig. Zeker niet de extreem-gematigde, milde grijsdenkers. Die willen vooral dat alles bij het oude blijft en dat de rust wederkeert. Radicale denkers roepen in de samenleving vaak hele felle reacties op, die niet altijd even goed beargumenteerd zijn. Dat leidt tot gestook, scheldpartijen, conflicten. De gematigden hebben de neiging om ook de boodschapper verantwoordelijk voor de discussie te houden. Er is natuurlijk wel degelijk iets als een uitgesproken, radicaal standpunt dat niet voorkomt uit redelijke overweging, maar uit heftige gevoelens van angst , krenking, een overtuiging van miskende superioriteit of pure paranoia. De lakmoesproef van elke opinie is vanzelfsprekend de mate waarop degene die hem uit, hem ook kan onderbouwen. Het is te gemakkelijk om alle partijen aansprakelijk te houden en geforceerd een middenweg te verzinnen, zoals de slechte leraar die op het schoolplein de pester en de gepeste uit elkaar haalt en elkaar beiden de excuses laat aanbieden.

Het stralende midden, de goudglanzende weg van de nuance, oefent echter een sirenenzang op ons stervelingen uit. Politici zijn zich daar volledig van bewust. Een bepaalde politieke strategie, de zogenaamde triangulation,werd door president Clinton in zijn politieke campagne van 1996 bewust gebruikt. In deze strategie plaats een politicus zichzelf bewust binnen twee uitersten, links en rechts in een politiek spectrum en je zorgt op deze wijze dat de positieve kanten van het linkse en rechtse standpunt beiden op je afstralen. Het is een opportunistische strategie die lange tijd ook in Europa leidend is geweest voor de zogenaamde Derde Weg binnen de sociaaldemocratie, zoals we die kennen van Tony Blair binnen het Britse Labour en Wim Kok in onze PvdA. Maar inmiddels begint deze strategie steeds meer blijk te geven van zijn eigen beperkingen, gezien de succesvolle opkomst van de linkse Jeremy Corbyn binnen Labour en de groei in Nederland van partijen links van de PvdA, zoals GroenLinks en SP. Op den duur kijken kiezers door dit soort strategieën heen, zeker als de partij in kwestie weinig van de eigen beloftes nakomt. De persoon van Jeremy Corbyn, iemand die al tientallen jaren onverzoenlijk een ongenuanceerd linkse standpunten voorstaat, is voor velen binnen Labour een verademing met de door spindoctors bedachte nuance van zijn voorganger, Ed Milliband.

Want laten we eerlijk zijn: er zijn genoeg kwesties waarin geen enkele middenweg mogelijk is, waarbij het geloof in de nuance, in een oplossing binnen het Overton-venster, juist een werkelijke oplossing tegenhoudt en mogelijke alternatieven wegen aan het oog onttrekt. Neem nou de discussie over klimaatverandering, waarin een kleine groep beweert dat er helemaal niets aan de hand is (de zogenaamde ‘klimaatontkenners’), een andere groep denkt dat het al bijna te laat is en er radicale maatregelen nodig zijn om daar nog iets tegen te doen en een grote gematigde groep, die denkt dat binnen de bestaande verdragen en het leidend paradigma van vrije markten genoeg te doen valt om de grootste ellende buiten de deur te houden. Steeds meer bewijs van klimaatdeskundigen maakt echter duidelijk dat de gematigde weg hier geen optie is, dat we als mensheid op een verschrikkelijke ramp afkoersen als er geen grootschalige maatregelen worden getroffen die voor de fossiele sector en vrije markten wel eens flinke gevolgen kunnen hebben. Enige argwaan voor de nuance als doel op zich is dan ook gerechtvaardigd. Grijsdenken is niet per definitie wijs denken.

Advertenties

Opvoeden is politiek — weg met de wegpiraten!

rutte.saab_

11 november 2016. Met een groepje peuters, kleuters en ouders wandelen we langs de huizen om Sint Maartenliedjes te zingen en lekkers op te halen. Lampionnetjes dansen in de nacht. Onze buurt is ruim honderd jaar oud, met smalle straten en een loopgedeelte daarnaast zonder stoep. Voor het verkeer is het officieel een woonerf. We lopen langs de weg. Plotseling duikt er uit de nacht een auto op die met een noodvaart langs ons scheert, met ronkende motoren rijdt hij schuin over het loopgedeelte. Ik kan nog net mijn kinderen tegen me aan drukken. Geschrokken en boos schreeuwen we de onverantwoorde chauffeur na. Als antwoord drukt hij zijn claxon langdurig in. Het kost me tijd om de woede en de adrenaline weg te slikken. Hoe haal je het in je hoofd, denk ik, om tijdens een kinderfeest als Sint Maarten ’s avonds met je gaspedaal ingedrukt door een kinderrijke buurt te rijden? En dan ook nog agressief reageren? Misschien heeft de man geen kinderen, komt hij uit een ander gedeelte van het land en kent hij de traditie niet, maar zijn rijgedrag is hoe dan ook levensgevaarlijk en onverantwoord. Wat bezielt dat soort mensen?

Als ouder is niets belangrijker dan het beschermen van je kinderen. Een groot deel van je leven staat in het teken van de volgende generatie. Je kunt er dan ook moeilijk bij als mensen door egoïsme of hun eigen korte termijnbelang het leven van kinderen in de waagschaal stellen. Gelukkig dan dat dit enkelingen zijn en de meeste mensen wel fatsoenlijk zijn en wel rekening houden met hun omgeving.

Maar wat, als we die hele herkenbare gevaren die we kennen uit onze woonwijk, en onze gevoelens daarover, nu eens vergelijken met de gevaren waar onze kinderen en kleinkinderen in de toekomst mee te maken krijgen? Ik heb het over overstromingen, extreme regenval, de toename van vreemde uitheemse ziektes, een vluchtelingenstroom die zo groot is dat onze kinderen zullen lachen om dat hysterische debat dat wij momenteel aan het voeren zijn. Ik heb het over steeds heviger wordende oorlogen in grote delen van de wereld waar we ons niet allemaal aan zullen kunnen onttrekken. Allemaal gevolgen van klimaatverandering. Een klimaatverandering waar wij als land momenteel hard aan meehelpen door onze lakse opstelling op dit gebied, zoals de rechter oordeelde in het proces dat de organisatie Urgenda in 2015 had aangespannen tegen de Nederlandse staat en dat Urgenda heeft gewonnen. Waarop de staat helaas besloot in hoger beroep te gaan.

Het is alsof onze Nederlandse staat momenteel bestuurd wordt door de chauffeur waar ik het artikel mee begon. Blijkbaar vindt onze huidige regering het klimaatprobleem, dat een heftig en onomkeerbaar effect zal hebben op de levens van onze kinderen, niet belangrijk genoeg. Belangrijker vindt men het op korte termijn najagen van financieel gewin. Het is een egocentrische houding die naar voren komt in de partijprogramma’s van partijen als PVV en VVD, waar maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan zo goed als ontbreken. Deze partijen hebben het dus feitelijk gemunt op onze kinderen. Dit zijn de wegpiraten die hun levens in de waagschaal stellen.

Elke keer als ik Mark Rutte op TV weer vrolijk zie lachen, moet ik terugdenken aan die roekeloze chauffeur en krijg ik de onbedwingbare behoefte om hem een poepluier naar zijn hoofd te gooien. Het gevaar in het hele schouwspel rond de verkiezingen is dat we te snel gezogen worden in dat mediacircus waarbij politici bezig zijn elkaar vliegen af te vangen rond rekensommetjes. Maar het gaat hier wel degelijk om hele ingrijpende zaken, die impact zullen hebben op de generaties na ons. Rutte en Wilders zadelen onze kinderen op met een enorme klimaatschuld, zoals Trump al aan het doen is in de VS. Laten we 15 maart alsjeblieft zorgen dat ze dat onze kinderen niet gaan aandoen. Denk aan je kinderen, houd de doodrijders buiten de regering.

Deze column verscheen eerder op kroost.org.

Onze gestolen toekomst

jetsons

Hanna-Barbera — de studio die The Flintstones heeft bedacht — lanceerde in 1962 de tekenfilmserie The Jetsons. Eigenlijk leek de formule van de serie veel op die van de voorganger: je neemt een witte middenklasse familie uit die periode en plaatst die in een totaal andere tijd. Zoals de Flintstones leefden in de oertijd, zo leefde de familie Jetson in de jaren zestig van de 21ste eeuw. Die 21ste eeuw van de Jetsons kun je zien als een karikaturale projectie van wat in de sixties in de populaire verbeelding als ‘de toekomst’ werd gezien. Zoals the Flintstones vol zat met beelden die de kijker herkende als ‘oertijd’ — hoe weinig historisch accuraat ook — zo was de wereld van the Jetsons voor het publiek herkenbaar uit toekomstbeelden die in de populaire verbeelding leefden. Men kende ze uit Science Fictionfilms en las ze in visies op de toekomst die in de kranten voorbijkwamen. De Jetsons wonen in een wereld waarin het suburbane huis met het witte hekje van de Amerikaanse witte middenklasse vervangen was door een futuristisch appartementencomplex op hoge palen. Vervoer ging met vliegende schotels, bestuurd als een personenauto. Er was een beeldtelefoon — Skype avant la lettre — het eerste dat ons als eenentwi ntigste eeuwers enigszins bekend voorkomt. En tenslotte zijn er overal robots, die al het mogelijke huishoudelijke werk van gezinnen als The Jetsons hebben overgenomen. Niet alleen huishoudelijk werk, maar, en nu kom ik op een belangrijk punt, ook veel betaald werk. George Jetson werkte maar liefst twee dagen per week en ieder van zijn werkdagen duurde precies een uur.

Want dat we minder zouden gaan werken in de toekomst, dat stond voor de meeste mensen vast in die tijd. In 1930 al had de bekende econoom John Maynard Keynes voorspeld dat zijn kleinkinderen een werkweek van 15 uur zouden hebben. Dat leek hem het logische resultaat van de groei in productiviteit die de vooruitgang in technologie met zich meebracht. Op den duur moesten al die machines toch voor de mensen gaan renderen? Dit was de wereld die aan de generaties vóór ons beloofd is.

Fast forward naar 2017. Hoewel er enkele decennia vooruitgang is geboekt op het gebied van het verkorten van de werkweek en het invoeren van deeltijdwerk, lijkt de rek eruit. Lezen we de kranten over dit soort onderwerpen, dan worden groepen die vasthouden aan de bestaande lengte van de werkweek — bijvoorbeeld vakbonden in Frankrijk — weggezet als mensen die ‘krampachtig vasthouden aan verworven rechten’. Pakketten met maatregelen die arbeid onzekerder maken of zelfs de werkweek willen verlengen worden aan ons verkocht onder het label ‘modernisering’. Het lijkt alsof er een vreemde verwisseling heeft plaatsgevonden ten opzichte van de toekomstverwachting van een groot deel van de twintigste eeuw. Het pad dat terugleidt naar de 19de eeuw heet nu ineens modernisering, terwijl het pad omhoog door het establishment schamper wordt afgedaan als dat van stugge dwazen en oproerkraaiers. De belofte die ons gedaan is door de elites van destijds is niet nagekomen en de geschiedenis wordt met de ganzenveer van de dominee herschreven.

Een voorbeeld van een criticus van korter werken is Heleen Mees. Mees, econoom en zelfbenoemd feminist, is al jaren kritisch over de Nederlandse deeltijdcultuur. Nederland is uniek in de wettelijk vastgelegde mogelijkheid om in deeltijd te werken en wordt in het buitenland vaak als voorbeeld genoemd van het succes van deeltijdwerken. Afgelopen november schreef zij echter in haar column in de Volkskrant dat nergens ter wereld zoveel gezeurd werd over minder werken dan in Nederland. Het werkwoord ‘zeuren’ is hier relevant. Bij ‘zeuren’ denk ik aan mijn dochter van vijf als ze een ijsje wil, of nog even een filmpje wil kijken. Zeuren doen kinderen die opgevoed moeten worden, die moeten leren zich te verzoenen met de harde werkelijkheid, waarin je nou eenmaal niet onbeperkte ijsjes kan eten of filmpjes kan kijken. Nou ja, dat kan je wel, maar dan eindig je ongelukkig. In eerder werk viel Mees vooral Nederlandse vrouwen aan, die in Nederland voornamelijk gebruikmaken van de mogelijkheden van het deeltijdwerk. Nederlandse vrouwen waren volgens Mees, ik citeer ‘lui, gemakzuchtig en verwend’. Nederlandse vrouwen zijn dus kinderen die opgevoed moeten worden. En dat zegt een feminist.

Het Nederlandse deeltijdsysteem is er volgens Mees debet aan dat er hier zo weinig vrouwen op topposities zitten. Daar heeft ze natuurlijk wel een punt. Maar de andere kant van het verhaal, dat er eigenlijk te weinig mannen in deeltijd werken, wordt door haar veel minder prominent genoemd. Dat komt omdat Mees eigenlijk vindt dat iedereen voltijds zou moeten werken. Vrouwen en mannen. Het huishoudelijk werk en de opvoeding van kinderen kunnen dan worden uitbesteed, dat creëert dan mooi weer nieuwe banen. Kinderopvang, hondenuitlaatservices, nagellakstudio’s, boterhamsmeerdiensten, dat genre. Zoals Anja Meulenbelt ooit zei: voor Heleen Mees zijn er geen twee, maar drie seksen: mannen, vrouwen en personeel. Hoe de laatste categorie zijn of haar huishoudelijk werk gedaan krijgt blijft onduidelijk.

Critici als Heleen Mees wijzen erop dat mensen die werken fysiek en mentaal gezonder zijn dan mensen die niet werken. Ik citeer: ‘werk zorgt voor sociale contacten, voldoening, erkenning en zelfontplooiing’. Dat klinkt als een zuivere, empirisch te onderbouwen stelling. Het ingewikkelde is alleen dat deze waarneming plaatsvindt in de context van onze huidige samenleving, waarin het niet hebben van een baan gelijkstaat met een negatief sociaal stigma. Uit geluksonderzoek blijkt bijvoorbeeld dat niet alle groepen werklozen even ongelukkig zijn. Mensen die met pensioen zijn bijvoorbeeld, zitten doorgaans goed in hun vel. Hetzelfde geldt voor studenten. Deze mensen vinden genoeg ruimte voor erkenning en sociale contacten zonder een arbeidsrelatie.

Mees lijkt minder geïnspireerd door het tweedegolf feminisme van de jaren zeventig, maar eerder door de ideeën van Johannes Calvijn. Ze hangt een puriteins arbeidsethos aan. De Puritein gelooft dat de mens door bikkelhard te werken Gods schepping voltooit. Werk heeft dus niet alleen een praktische functie — geld verdienen om te kunnen leven — maar is een ethische waarde op zich. Mensen die niet werken, of in deeltijd, zijn dus zondig: lui en verwend.

Dat puriteinse arbeidsethos is niet uniek voor Heleen Mees, maar vinden we overal in de samenleving terug. Veelal rechtse partijen hebben de mond vol over de ‘hardwerkende Nederlander’ en zien dat als een moreel superieure positie. Mensen die op de een of andere manier geen betaalde baan kunnen vinden en een uitkering ontvangen, worden verplicht te solliciteren en op den duur in veel steden op straffe van korting van de uitkering gedwongen om te werken. ‘De onrendabelen’ noemde Marcel van Dam ze. Wil je als volwaardig burger in de maatschappij meedraaien, dan moet je werken, rendement opleveren voor een werkgever.

Recentelijk werd een tweejarig Zweedse experiment met een zesurige werkdag bij verzorgers in een verplegingstehuis stopgezet. Het Financieel Dagblad kopte: ‘Zweeds experiment met zesurige werkdag mislukt’. De reden die het FD gaf voor deze interpretatie was: ‘de kosten wegen niet op tegen de baten’. Over rendementsdenken gesproken. Wat bleek nu: men had verwacht dat de kosten voor het verminderen van de werkdag 22% hoger zouden zijn. In werkelijkheid bleken de kosten slechts 10% hoger als gevolg van een lager ziekteverzuim en omdat er meer mensen aangenomen konden worden (en dus minder uitkeringen moesten worden betaald). De kwaliteit van de zorg was significant gestegen: verzorgers voerden tot 80% meer activiteiten met de ouderen uit dan in andere verzorgingstehuizen. Tevens was er veel meer tijd voor een goed gesprek. Je moet maar durven om dan te zeggen dat de kosten niet opwegen tegen de baten.

Een 40-urige werkweek is dus helemaal niet zo ideaal. 40-uur, of langer, werken betekent niet alleen dat je een onevenredig groot deel van je leven opoffert om andermans klusjes te doen, het is ook nog eens zo’n hap uit je week dat je de rest van de tijd bezig bent om bij te komen van datzelfde werk. Het is bijna niet te doen om al je boodschappen, klusjes, familiebezoek in het weekend af te handelen en ook nog eens een goede mama of papa te zijn en nog eens tijd voor jezelf te vinden. In plaats daarvan zoek je naar quick fixes, die je tenminste nog het idee geven dat je ontspant en iets voor jezelf doet. Onze hele uitgaans-, media en consumptiecultuur is daarop gebaseerd. Het was de filosoof Theodor Adorno die ons er op wees dat het begrip ‘vrije tijd’, zoals wij dat hanteren, eigenlijk helemaal niet vrij is. Het is slechts tijdverdrijf: een manier om een interval tussen het werk door te vullen met bezigheden. Geen wonder dat inmiddels één op de acht werknemers aan burnout leidt en dat depressie volksziekte nummer één is.

En dan zijn er nog de flexwerker en de zelfstandige. Met klaroenstoten werden ze destijds binnengehaald door de herauten van het marktgeloof. Vrijheid. Flexibiliteit. Maximale zelfontplooiing. Zelfstandig ondernemerschap. Al die zalvende woorden die misschien velen het gevoel hebben gegeven dat datgene wat we zochten in de moderne droom die ons is afgepakt — vrijheid — wellicht toch ergens in het neoliberale pakket zat verstopt. Echter de werkelijkheid was anders. In de eerste plaats ligt het inkomen van de gemiddelde ZZP’ er zo’n tien procent lager dan die van een vaste werknemer. Iemand met een flexibele aanstelling is in de praktijk minder vrij: een vaste medewerker kan buiten werktijd nog een keer zijn telefoon niet opnemen, maar een ZZP’ er of een flexwerker is al snel zijn opdracht of aanstelling kwijt. Gebruikmaken van verlofregelingen als ZZP’er of flexwerker is een stuk gevoeliger want je weet nooit of je je huidige betrekking zal houden en wil dus in de smaak blijven vallen bij de werkgever. Eigenlijk zijn de meeste zelfstandigen ook gewoon werknemers, maar dan met minder inkomsten en minder rechten. Het zijn B-werknemers.

Zoals we hebben gezien roepen voorstanders van een gepantserd arbeidsethos graag beelden op van weekheid en verwendheid als het gaat om maatregelen als het verkorten van de arbeidsweek. Alsof we allemaal achter een krat bier op de bank voor de teevee zouden belanden en niet weten wat te doen met al die vrijgekomen tijd. Die overtuiging geeft slechts blijk van een somber en fantasieloos mensbeeld. Een kortere werkweek geeft juist ruimte aan activiteiten waar we nu noodgedwongen op moeten bezuinigen. De Franse filosoof Andre Gorz onderscheidde naast betaald werk nog twee categorieën van werk die minstens zo belangrijk zijn voor mensen: werk-voor-jezelf en autonoom werk. Het eerste, werk voor jezelf, is werk dat mensen direct uitvoeren voor zichzelf of hun omgeving. Denk aan huishoudelijk werk, het onderhouden van sociale relaties, mantelzorg of het opvoeden van kinderen. Werk-voor-jezelf kan vaak uitbesteed worden of zoals bij de Jetsons gerobotiseerd. Echter, veel mensen voeren een gedeelte van dit werk liever zelf uit omdat het verbonden is met hun identiteit of hun idee van het goede leven. Ze willen niet de gehele opvoeding van hun kinderen uitbesteden, of richten graag hun eigen huis in. Vandaar ook dat het ideaal van Heleen Mees, waarin zij oproept om zoveel mogelijk werk in deze categorie uit te besteden, inclusief borstvoeding, felle kritiek oproept. Er is een gevoelsmatige grens tot waar werk-voor-jezelf omgezet kan worden in een product dat op de markt ingekocht kan worden. Gaan we daar overheen, dan gaan mensen zich verzetten, omdat er iets wezenlijks wordt verstoord.

Gorz onderscheidt nog een derde vorm van werk: autonoom werk. Dat is werken omwille van het werk zelf en de vervulling die je als individu daaraan beleeft. Het is werk waarbij het eindproduct in de regel minder belangrijk is dan de werkzaamheden. Denk bijvoorbeeld aan mensen die een instrument bespelen of ergens anders goed in zijn, zonder dat ze ervoor betaald worden.

Wat Andre Gorz voor deze tijd interessant maakt, is dat hij pleitte voor een ‘politiek van de tijd’. Hij vond dat we tijd onderdeel en inzet zouden moeten maken van het publieke debat. het zou voor de politiek geen prioriteit moeten zijn om te stimuleren dat er zoveel mogelijk voltijdsbanen ontstaan, maar om de hoeveelheid arbeid en inkomen gelijk te verdelen zodat meer tijd overblijft voor werk-voor-jezelf en autonoom werk. Daar zou ik aan toe willen voegen: ook om het betaalde werk zelf leuker en beter te maken. Laten we het rendementsdenken op zijn kop zetten:

  • We moeten zorgen dat technologie zoals robotica gaat renderen voor het merendeel van de mensen, en niet alleen voor werkgevers en mensen met grote vermogens.
  • We moeten durven herdefiniëren wat rendement is, zoals bij het Zweedse verzorgingstehuis waar de kwaliteit van de zorg omhoog schoot toen de werkdag korter was geworden.
  • En we moeten die radicale vraag nog maar weer eens stellen: wiens rendement is het eigenlijk?

Voorgedragen tijdens Mestival in De Rode Hoed (10 februari 2017).

Juist feministische analyse toont dat vaderschapsverlof socialistische maatregel is

Een verlengd vaderschapsverlof: werkgevers zijn er niet blij mee. VNO-NCW hield een paar jaar terug een enquête onder 300 bedrijfsdirecteuren en daarvan bleek driekwart niets van een verlenging van het vaderschapsverlof te willen weten. Het argument: werknemers hebben al ‘stuwmeren van vakantiedagen’. Vrij vertaald: de zorgende vader uithangen, dat doe je maar in je vrije tijd. Je krijgt twee dagen om aan de nodige administratieve verplichtingen te voldoen en dan word je weer verwacht aan te treden. Het grootbrengen van een kind als hoogstpersoonlijke hobby.

Dit terwijl uit onderzoek in het buitenland naar voren komt dat als vaders verlof nemen bij de geboorte van hun kind, dit nog jarenlang effect kan hebben op de verdeling van de huishoudelijke taken in gezinnen. In die eerste precaire weken na de geboorte krijgen vaders een crash course in babyverzorging en daarbij krijgen ze op organische wijze een band met hun kinderen. Uit Israëlisch onderzoek is gebleken dat mannen die veel tijd doorbrengen met hun kinderen hogere niveaus van het ‘knuffelhormoon’ oxytocine in hun bloed hebben. Ook mannen hebben van moeder natuur een hormonale voorbereiding meegekregen om te zorgen, maar deze wordt pas ‘geactiveerd’ door veel lichamelijk contact met het kind. Het gevolg is dat mannen na een vaderverlof op natuurlijke wijze al veel actiever voor hun kind zorgen dan mannen die geen verlof hebben opgenomen.

Die gelijkere rolverdeling heeft weer een positief effect op de arbeidsparticipatie van vrouwen: zo komt uit een Noors onderzoek naar voren dat moeders uit gezinnen waar vaderschapsverlof wordt opgenomen 5-10% minder vaak afwezig zijn door ziekte. In Zweden heeft men berekend dat elke extra maand die een vader aan vaderschapsverlof opneemt zorgt voor een 6,7% hoger inkomen voor de vrouw in het gezin.

Het lijkt alsof ook het bedrijfsleven op den duur voordeel kan halen uit een langer vaderschapsverlof, omdat dit zal zorgen voor een grotere en gemotiveerdere arbeidsbestand. In tijden van vergrijzing en in een land waarin de anderhalfverdiener de norm is, valt hier zelfs vanuit een economisch-liberale optiek iets voor te zeggen. Waarom dan toch die afwerende houding van werkgevers? Is dit enkel korte termijndenken? Of is het een diepgeworteld cultureel conservatisme binnen de huidige bedrijfselite, die tegen het eigen belang in wil vasthouden aan versleten rolpatronen? Mijn stelling is dat er meer achter zit dan dat. Door het werk dat het grootbrengen van kinderen met zich meebrengt zoveel mogelijk in de privé-sfeer te houden, wordt de prijs van de reproductie van arbeid (de stabiliteit en de blijvende aanwas van werknemers) zo laag mogelijk gehouden.

Laat ik een voorbeeld geven uit een ander vakgebied. In de sterrenkunde wordt wel gesproken over het begrip ‘donkere materie’. Astronomen stellen dat deze donkere materie, materie die niet zichtbaar is met optische middelen, zou moeten bestaan om de baanbewegingen van verre sterren en sterrenstelsels te verklaren. Anders gezegd: het heelal kan niet functioneren zoals het nu doet, zonder die onzichtbare materie. En als die donkere materie niet bestond, zouden we een heel ander heelal hebben. Ook in het veld van de neoklassieke economie worden zaken en werkzaamheden aan het kennende oog onttrokken. Het gaat hier om zaken die juist de vruchtbare turflaag vormen waarop de marktactiviteiten zich doorgaans ontwikkelen. Het waren feministisch-socialisten als Mariarosa Dalla Costa, Silvia Federici en in Nederland Anja Meulenbelt die hier in de jaren zeventig het eerst op wezen en dit ook theoretiseerden. De Italiaanse feministen werden geïnspireerd door de filosoof en politicus Mario Tronti, een van de grondleggers van het autonoom marxisme. Volgens Tronti wordt het kapitalisme in een bepaalde fase van ontwikkeling zo alomvattend dat de grens tussen fabriek en maatschappij verdwijnt en de gehele maatschappij ‘fabriek’ wordt. Dalla Costa en Federici redeneerden als volgt: het werk dat vrouwen doorgaans deden (en doen) in het huishouden, in de zorg, zelfs in de emotionele en seksuele ondersteuning van de arbeidende man, staat niet buiten de kapitalistische wereld, maar maakt er juist deel van uit. Het is een basisvoorwaarde om ervoor te zorgen dat manlief elke morgen weer voor de fabriekspoort staat, en dat er steeds nieuwe generaties arbeiders worden geboren. Het is daarom in het belang van het kapitaal dat dit werk onzichtbaar blijft: want zolang je dit buiten de officiële loonverhoudingen houdt, kan dit werk zo goedkoop mogelijk worden gehouden. Daarnaast zijn vrouwen, afhankelijk gemaakt van het loon van hun man, zo gemakkelijk te disciplineren.

Een belangrijke activistische beweging waarin de eisen van de socialistisch-feministen in de jaren zeventig naar voren kwamen is Wages for Housework. Deze vrouwen eisten een vast loon van de staat voor het werk dat zij verrichtten in het reproduceren van de arbeid. Niet omdat werken in loondienst het absolute Walhalla is: in de lijn van Karl Marx gingen zij er vanuit dat loondienst een mystificatie is waarbij de arbeider permanent aan het kortste eind trekt. Maar wel omdat het zorgende werk van vrouwen een minstens zo grote mystificatie is. Een vast loon zou de vrouwen in ieder geval de erkenning geven dat hun werk werk is, en het zou een begin kunnen zijn van een discussie over dat werk, over de hoogte van het loon en over de arbeidsomstandigheden.

Fast forward naar 2015. Intussen is er heel wat veranderd. Het klassieke kostwinnersechtpaar, waarbij de man werkt in de vrouw zorgt, behoort in Nederland nu tot de minderheid. De norm is de anderhalfverdiener. Een groeiende – maar nog steeds in verhouding klein groep – vaders werkt in deeltijd en heeft een zogenaamde ‘papadag’. Maar aangezien moderne vrouwen gemiddeld zo’n 26,4 uur werken, moeten oplossingen gezocht worden voor al het onbetaalde zorg- en huishoudwerk waar de generatie van hun moeders een hele werkweek voor hadden. Die oplossingen worden grofweg gezocht in: minder doen, beter verdelen en ‘uitbesteden’. Wat dat eerste betreft: volgens de officiële Emancipatiemonitor wordt er door vrouwen bezuinigd op het aantal uren onbetaalde arbeid (van 42,6 uur per week in 1975 naar 29,7 in 2011). De lat ligt minder hoog dan in de jaren zeventig, en daarbij zijn de gezinnen kleiner. Voorts zijn de mannen van nu gemiddeld iets meer in het huishouden gaan doen: in 1975 deden mannen gemiddeld 8,5 uur onbetaalde huishoudelijke en zorgarbeid per week, in 2011 was dat 12,4 uur: vrouwen zorgen zo’n 2,5 keer meer dan mannen. Naast het herverdelen van onbetaald werk binnen het gezin zijn er natuurlijk ook de klassieke netwerken buiten het gezin, denk aan grootouders of andere ouders.

De neoliberale ‘oplossing’ voor het verminderen van de tijd die aan reproductie wordt besteed, is uitbesteden. De zorg voor kinderen wordt ge-outsourced naar een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang. Huishoudelijk werk wordt ge-insourced door een huishoudelijk werk(st)er aan te trekken. ‘Consumptief werk’ als bijvoorbeeld boodschappen doen, kan gereduceerd worden door gebruik te maken van een online boodschappendienst, zoals de Albert Heijn die heeft, of Hello Fresh. Dit lijkt een stap in de richting van ‘wages for housework’  maar is dat allerminst, alleen al door de vreemde paradox dat je wel betaald kan worden als je op andermans kinderen past, of andermans huis schoonhoudt, maar dat je de zorg voor eigen kinderen of het schoonhouden van het eigen huis gratis moet doen. Huishoudelijke hulp wordt steeds vaker door migranten uitgevoerd, die soms op duizenden kilometers afstand van hun eigen familie en kinderen andermans huis netjes moeten houden. Zorgwerk blijft zo de lage status houden die nog altijd plakt aan werk dat altijd door vrouwen ‘voor niks’ werd gedaan.

De eisen van de Wages for housework-beweging zijn daarom nog steeds heel relevant. Ook nu is reproductieve arbeid onzichtbaar, gescheiden langs de messcherpe lijnen van geslacht, klasse en ras van de betaalde arbeid. Zorgende arbeid wordt nog steeds gezien als inferieur, als een persoonlijke hobby en niet als een belangrijke bijdrage aan de maatschappij waarvan de economie de vruchten plukt, sterker nog, zonder welke de economie niet zou bestaan. Het gevolg is dat de prijs voor die zorg zeer laag is en dat roofbouw wordt gepleegd op mensen die dit werk doen. Het is dan ook in het belang van de werkgevers dat dit zo blijft, en dat de rolverdeling tussen man en vrouw blijft bestaan. Hoe meer mannen zorgend werk gaan doen, bijvoorbeeld als gevolg van een uitgebreid vaderschapsverlof, hoe sterker ook bij hen het bewustzijn zal ontstaan dat zorg ook werk is. Geen wonder dan ook dat het bedrijfsleven zich met hand en tand verzet tegen enige uitbreiding van het vaderschapsverlof. Het zou hen wel eens geld kunnen gaan kosten (en dan bedoel ik meer dan die paar extra vrije dagen per man per kind). Bovendien houden ze door te verwijzen naar vakantiedagen de mythe in stand dat zorg een persoonlijke keuze is, in plaats van een sociale, maatschappelijke bezigheid.

Sterker nog: criticasters stellen dat er geen fysieke noodzaak van het vaderverlof is, zoals die er bij het zwangerschapsverlof wel is. Hier wordt de noodzaak van zwangerschapsverlof teruggebracht tot het herstellen van het lichaam van de vrouw. De hechting tussen ouder en kind, de slechte nachten, alles dat mis kan gaan in die eerste precaire weken met een kind: het wordt allemaal niet benoemd, zwangerschapsverlof is slechts een manier van lichamelijk herstel van de vrouwelijke werknemer, vergelijkbaar met een zieke werknemer. Het kenmerkt de Nederlandse houding tegenover zorgend werk, tegenover wat traditioneel ‘vrouwenwerk’ was. Het wordt niet benoemd, teruggedrukt in de private sfeer, weggerelativeerd of juist kapotgeidealiseerd en bewierookt als een pastorale huishoudidylle, in ieder geval als een wereld die ver weg ligt van de harde economie van kantoorgebouwen, fabriekshallen, loonstrookjes en cao’s.

Als de SP zich inzet voor mensen die werken zonder loon, dan gaat dat meestal over mensen die verplicht moeten werken als tegenprestatie voor een uitkering. Een ontzettend belangrijk politiek punt: maar geldt dit niet ook voor het onbetaalde zorgwerk van de klassieke huisvrouw, de deeltijdende vrouw of man? Het is tijd dat het bewustzijn daarvan vergroot wordt en dat kan door een aantal maatregelen te nemen die niet alleen in de uitwerking, maar ook in de geest reproductief werk als werk erkennen. Natuurlijk hebben we sinds jaar en dag kinderbijslag, maar daar kun je niet van leven. Kinderopvangtoeslag is een stimuleringsregeling voor de opvang van kinderen buitenshuis en is dus vooral een premie om de zorg voor de eigen kinderen uit te besteden en zelf ‘aan het werk’  te gaan. Een langdurig vaderschapsverlof daarentegen zou een regeling zijn die expliciet het belang van zorg binnen de samenleving erkent. Beter nog dan dat: een betaald, langdurig ouderschapsverlof naar Scandinavisch model voor man en vrouw dat in de plaats zou komen van het bestaande zwangerschapsverlof zou reproductief werk de ruimte kunnen geven die het verdient.

Het kapitaal heeft al te lang de vruchten geplukt van onbetaalde arbeid, het is tijd dat het daar ook voor betaalt.

Dit artikel verscheen eerder in het decembernummer van Spanning, het wetenschappelijk tijdschrift van de Socialistische Partij.

 

 

Triple P: De terugkeer van Vadertje Staat

Afbeelding

Door Ouder-Kindcentra, Centra voor Jeugd en Gezin en GGD’s wordt tegenwoordig opvoedadvies gegeven aan ouders. Dat opvoedadvies is gebaseerd op de peperdure, uit Australië geïmporteerde ‘Triple P’-methode. Triple P is niet waardenneutraal, sterker nog, het is een conservatieve aanpak waarin een rechts mensbeeld opgedrongen wordt aan ouders die zich in een kwetsbare positie bevinden. Dit terwijl er vele alternatieven voorhanden zijn.

‘Stefan, blijf positief!’. Op de poster staat een foto van een huilend peutermeisje. Een andere bevat dezelfde tekst met de naam ‘Naime’ bij een foto van een jongetje dat boos kijkt en zijn knuffeltje tegen zich aandrukt. Ze hingen een paar jaar terug in heel Amsterdam, maar zijn nog steeds terug te vinden op de vele Ouder-Kindcentra (voorheen consultatiebureaus) die Nederland telt. Ouder-Kindcentra controleren tegenwoordig namelijk niet alleen maar de gezondheid en de groei van een kind, ze zorgen niet alleen voor de juiste inentingen, deze centra geven nu ook opvoedingsondersteuning. En die opvoedingsondersteuning gaat in al zo’n tweehonderd gemeenten in Nederland volgens de regels van de Triple P-methode.

Triple P staat voor ‘Positief Pedagogisch Programma’ en is een uit Australië afkomstige methode die in 2004 voor het eerst in Nederland werd uitgerold. Sinds minister Rouvoet zich in 2007 actief met de jeugdzorg ging bemoeien heeft de methode een hoge vlucht genomen. Eind 2012 was er volgens de Volkskrant al zo’n 11 miljoen euro gemeentegeld in Triple P geïnvesteerd. Dat inmiddels zo’n 200 gemeenten voor deze methode hebben gekozen is niet verwonderlijk: hij past namelijk helemaal in de actuele op output en doelmatigheid georiënteerde tijdgeest. Bij het bekijken van de website van Triple P Nederland vliegen de managementtermen je om de oren. De methode is volgens de makers kostenefficiënt. Uitkomsten worden regelmatig gemeten door middel van de tevredenheid van ouders (lees: de klanten). Triple P is opgesplitst in vijf interventieniveaus, die middels een toolbox richting de doelgroep worden gecommuniceerd.

De website straalt een vriendelijke, kalme en neutrale wetenschappelijkheid uit. Wat kan er in vredesnaam mis zijn met positief opvoeden? Maar juist achter die blinkende etalage van vriendelijke, praktijkgerichte objectiviteit schuilt een stelsel van waarden dat in het geheel niet neutraal is. Triple P volgt namelijk een ‘behavioristisch’ schema, dat wil zeggen, het voedt op met de wortel en de stok (al gaat het hier niet om een ‘fysieke’ stok). En behaviorisme past in een conservatief mensbeeld. Triple P is dan ook verre van politiek neutraal, het is een rechts opvoedprogramma. Dat maakt dat een methode als Triple P niet thuishoort in de sociale voorzieningen van een democratische overheid, in ieder geval niet in een situatie waarin een burger niet de mogelijkheid geboden wordt om voor alternatieven te kiezen.

Triple P is omstreden onder pedagogen. Het is een methode die veel nadruk legt op discipline en het aanleren van gewenst gedrag door middel van belonen en straffen. Bij belonen moet je dan denken aan het plakken van stickertjes of het geven van complimentjes bij ‘gewenst’ gedrag. Straffen kan gaan van het ‘negeren’ van ongewenst gedrag of het wegnemen van een speeltje tot en met het verplaatsen van het kind naar een andere kamer voor een zogenaamde time-out. Het bekende strafstoeltje, gehanteerd door The Nanny op TV is daar een voorbeeld van.

Anti-autoritaire opvoeding

Alternatieven voor deze vorm van opvoeding worden al sinds de jaren zestig ontwikkeld. Belangrijk de methode van Thomas Gordon (Luisteren naar kinderen) en die van Haim Ginott (Tussen ouder en kind). Tegenwoordig zijn er veel meer auteurs die vergelijkbare ideeën hebben uitgewerkt, zoals Alfie Kohn[ref]Kohn, Alfie, Unconditional parenting. Moving from rewards and punishments to love and reason (New York 2011)[/ref] en Naomi Aldort. Deze benaderingen gaan ervan uit dat kinderen in de eerste plaats mensen zijn, met een gezonde behoefte aan liefde, zelfexpressie, emotionele veiligheid, autonomie en zelfverzekerheid. Kinderen hebben – net als volwassenen – emoties die er mogen zijn en die niet afgekocht hoeven te worden met een beloning of gesmoord dienen te worden op een strafstoeltje. Wanneer ze de kans krijgen – en wanneer de problemen voor hen overzichtelijk zijn – zijn kinderen creatief en slim genoeg om in overleg met ouders tot oplossingen van problemen te kunnen komen. Deze opvattingen over opvoeden – laat ik ze met Alfie Kohn ‘onconditioneel opvoeden’ noemen – zijn niet bedoeld om kinderen in zalige anarchie maar te laten doen wat ze maar willen. Het is juist heel belangrijk om samen met kinderen te leren en te reflecteren.

Er bestaat een karikatuur van de ‘antiautoritaire opvoeding’ zoals die overgeleverd is uit de jaren zeventig. Het beeld van kinderen die in antiautoritaire crèches rondwandelen met scharen en hamers en spijkers in de hand, spelend met hun eigen poep, is net zo’n groot cliché als dat van de feminist met de tuinbroek; al is er wel degelijk een groep ouders geweest die het antiautoritaire heeft opgevat als grenzeloosheid en vergeten zijn dat kinderen ook altijd structuur nodig hebben. Het is echter sinds de jaren tachtig in Nederland gewoon geworden om te vinden dat de jaren zeventig in zijn geheel een doorgeschoten periode was, waarin kinderen werden verwaarloosd door ideologisch verdwaasde hippies (zie bijvoorbeeld hier). Dit beeld kleeft nu bijvoorbeeld aan de opvoedmethode van Thomas Gordon[ref]Gordon, Thomas, Luisteren naar kinderen. De nieuwe methode voor overleg in het gezin (Amsterdam/Brussel, 1970)[/ref], terwijl zijn democratische aanpak juist uitgaat van een actieve opvoeder die veel aandacht heeft voor de behoeftes van zijn kinderen en zich bewust is van wat kinderen op hun leeftijd wel, en wat ze niet aankunnen.

Hoe dan ook heeft zich in Nederland als reactie op deze karikatuur van de jaren zeventig een breed gedeelde visie gevormd dat Nederlandse ouders te toegeeflijk zijn geworden voor hun kinderen, dat het noodzakelijk is om streng te zijn, dat regels regels zijn en dat we ‘gewoon maar weer moeten gaan opvoeden’. De discussie wordt daarbij bijna altijd geframed in een tegenstelling tussen te streng of te toegeeflijk, regels of geen regels, in plaats van een benadering die uitgaat van wat goed is voor het kind (zie bijvoorbeeld deze thema-uitzending van de VPRO). Het denken komt vooral vanuit het standpunt van de volwassene, zoals het succes van Triple P afgemeten wordt aan de hand van ‘oudertevredenheid’. Intussen is het doodgewoon geworden om op feestjes tussen ouders onder elkaar te spreken over het straffen van kinderen, alsof het normaal is dat elke ouder een strafstoeltje heeft voor als het kind even niet het door de ouder gewenste gedrag vertoont.

Mijn punt is dat het hier over meer dan slechts twee verschillende visies op opvoeding gaat: de twee visies staan voor twee heel verschillende politieke overtuigingen. Triple P is een methode die raakt aan een conservatief waardenpatroon. Ik gebruik daarbij een definitie van conservatisme zoals die door de cognitief linguïst George Lakoff is beschreven in zijn boek Moral politics. How liberals and conservatives think[ref]Lakoff, George, Moral politics. How liberals and conservatives think (2de editie; Chicago, 2002)[/ref]. Volgens Lakoff wordt het morele denken van alle mensen gestructureerd vanuit metaforen. De diepste metafoor ligt voor de meeste mensen in hun jeugd en in de manier waarop ze zijn opgevoed. Zelfs in hun latere leven vallen veel mensen voor hun morele en ethische kader terug op familiemetaforen. Lakoff maakt een onderscheid tussen rechts en links, tussen liberals en conservatives op basis van het model van de ‘Strenge Vader’ en dat van de ‘Zorgende Ouder’.

De ‘Strenge Vader’

De metafoor van de Strenge Vader gaat uit van een wereld die vol met gevaarlijke bedreigingen zit. Om een kind daartegen te beschermen leert zijn vader (het gaat hier immers om een traditioneel gezin) hem strenge regels. Die regels worden bekrachtigd door beloning en straf. Kinderen moeten hun ouders gehoorzamen, zowel voor hun eigen veiligheid alsook omdat ze op deze wijze ‘karakter’ opbouwen in de vorm van zelfdiscipline en zelfredzaamheid. Ze worden zo voor zichzelf ook een ‘strenge vader’. Natuurlijk is er in deze gezinnen ruimte voor liefde en zorg, maar deze moeten nooit zwaarder wegen dan de autoriteit van de ouders. Die autoriteit is namelijk op zichzelf ook liefde: ‘tough love’. Ouders die opvoeden binnen dit model willen hun kind vooral niet ‘verwennen’ met teveel aandacht. Een verwend kind raakt afhankelijk en kan zichzelf niet goed redden.

Het is niet moeilijk om in bovenstaande opvoedstijl een bepaald mensbeeld te herkennen. Het beeld van de mens die permanent zwak is ten opzichte van verleidingen en ‘tot het kwade geneigd’ en daarom alleen via strenge zelfdiscipline kan overleven. Het is niet moeilijk hier ook een waardepatroon van conservatieve en neoliberale politiek in te herkennen: tegen de verzorgingsstaat die mensen ‘afhankelijk’ houdt, voor een activerend arbeidsmarktbeleid, voor een streng straffende overheid, voor een controlerende staat die ingrijpt en surveilleert omdat mensen fundamenteel niet te vertrouwen zijn. Voor een geloof in het marktmechanisme en het idee dat mensen alleen vanwege beloning aan het werk gaan.

De Zorgende Ouder

Tegenover de metafoor van de Strenge Vader plaatst Lakoff die van de Zorgende Ouder. Het gaat hier in de eerste plaats om een ouder en niet om een vader. Het gebruik van de term ‘ouder’ verwijst niet alleen naar de gelijkwaardigheid van man en vrouw, maar ook naar een alternatief voor traditionele gezinswaarden. In een gezin met zorgende ouders draait alles om zorgen en verzorgd worden. Er wordt voldaan aan het menselijk verlangen naar liefdevol contact. Kinderen ontwikkelen zich in deze opvatting het beste in betekenisvolle relaties met andere mensen. Kinderen leren hun ouders en anderen te respecteren vanuit liefde en niet vanuit hun angst voor straf of het verlangen naar beloning.

Zorgende ouders ervaren het als positief dat de kinderen hun beslissingen bevragen en soms in discussie gaan. Niet alleen omdat het leerzaam voor hen is om te weten hoe besluiten tot stand komen, ook omdat kinderen vaak met zinnige ideeën en bijdragen komen en dat zij als familielid het recht hebben te participeren in gezamenlijke besluiten.

De zorgende ouder doet zijn best om een kind te stimuleren zijn eigen mogelijkheden te ontdekken om gelukkig en vervuld door het leven te gaan. Belangrijk is dus in alle opzichten dat een kind zijn eigen mening leert vormen en goed voor zichzelf leert zorgen. Iemand die goed voor zichzelf kan zorgen, kan dat ook voor anderen. Vanuit die houding leren kinderen empathie aan, samenwerking, en het onderhouden van sociale banden.

Triple P werkt niet

Het mag duidelijk zijn dat Triple P, met zijn nadruk op discipline, op belonen en straffen, met zijn resultaatgerichte aanpak met als doel het ‘oplossen van problemen’ veel meer gemeen heeft met de eerste, conservatieve metafoor dan met de tweede. De populariteit van de methode ligt dan ook niet alleen in zijn gladde managementbabbel, maar ook in de toenemende conservatieve tijdgeest, waarin zorgende ouders vanuit een conservatieve ideologie worden neergezet als ‘slap’ of ‘lui’ en hun kinderen als ‘verwend’. Zoals gezegd, de breed gedragen overtuiging is dat het zorgende, democratische ouderschap het zoveelste voorbeeld is van doorgeschoten idealisme uit de jaren zeventig waar de moderne wetenschap schoon schip mee heeft gemaakt.

Dat laatste is overigens in tegenspraak met de feiten. Een indrukwekkende lijst van onderzoek wijst erop dat belonen en prijzen op de korte termijn effectief kan zijn, maar dat, evenals met straffen, op den duur tegengestelde effecten optreden. Zeker bij straffen is het effect in vele gevallen tegengesteld aan wat men wil bereiken: kinderen die vaak gestraft worden blijven moreel gezien achter ten opzichte van kinderen die zonder straf worden grootgebracht en vervallen vervolgens vaker in het gedrag dat men door de straf nu juist wilde vermijden! (zie hier voor meer uitleg en hier voor een lijst met wetenschappelijke onderzoek) Maar ook het ‘positieve’ van de opvoedmethode is niet altijd even positief. Recent onderzoek heeft aangetoond dat beloning, vooral bij kinderen die al onzeker zijn, een averechts effect heeft.

Dat juist deze conservatieve opvoedmethode dag in dag uit van overheidswege gebruikt wordt om ouders te adviseren is kwalijk. Niet alleen vanwege de bedragen die erin worden gestoken, maar vooral vanwege het feit dat ouders in een kwetsbare positie een conservatief opvoedideaal opgedrongen krijgen. Zo’n zes jaar na de bankencrisis, volgens economen veroorzaakt door bankiersbonussen en andere perverse prikkels, leert de overheid ouders om het gedrag van hun kinderen te beïnvloeden met vergelijkbare perverse prikkels! Als we zo gaan opvoeden hebben we niets geleerd.

Politieke correctheid en nieuw respect

Image

Gisteren schreef nrc.next dat de politieke correctheid ‘weer terug’ is. Is het inderdaad zo dat dezelfde sfeer van de jaren tachtig en negentig wederom op ons neergedaald is? Of is de nieuwe golf van verontwaardiging over Zwarte Piet en de racistische grappen van Gordon en Jack Spijkerman van een ander kaliber dan we destijds kenden? Ik doe een poging om het verschil te duiden.

Gedurende mijn middelbare schooltijd in de jaren tachtig en negentig was racisme – of wat voor stereotyperende, discriminerende uiting ook – nog een taboe. Er hing een grimmige sfeer omheen. Racistische grappen mocht je niet maken, als je dat deed dan behoorde je onmiddellijk tot het ‘foute’ kamp. Daar wilde je niet bij horen.

Dit denken in een tegenstelling van ‘goed’ en ‘fout’ was het resultaat van een bepaalde interpretatie van de oorlog. En die oorlog, daar werden we mee doodgegooid. Ik kan me herinneren dat ik op de lagere school in de klas de documentaire Shoah had gezien. Een hele heftige film vol indringende verhalen van mensen die de vernietigingskampen hadden overleefd. Er staat me nog steeds een verhaal bij van een man die de lijken van vergaste mensen moest begraven. Hij vertelde hoe boven op de verse graven de aarde bewoog van het gas dat nog vrij kwam uit hun longen.

Na zo’n film kon je alleen maar denken: ‘dit nooit weer’. En je voelde een diepe weerzin tegen de mensen die dit op hun geweten hadden gehad. Een woede, waarvan je kaak stijf vastklemde en je mondhoeken naar beneden krulden. Dit was een gevoel dat zich tegen elke vorm van racisme keerde. En racisme en fascisme haalde je vaak door elkaar.

Wat wij in Nederland politiek correct zijn gaan noemen was altijd sterk bepaald door de oorlog en dat ‘goed’ en ‘fout’ denken. Dat was aan de ene kant sterk. De Shoah en de Tweede Wereldoorlog vormden een absoluut nulpunt, dat voortdurend opnieuw in herinnering werd gebracht in oneindig veel films, boeken, documentaires en journalistieke artikelen. Dat voedde een nationale weerzin tegen het discrimineren van minderheden. Aan de andere kant legde het ongenuanceerde, rigoureuze verschil tussen ‘goed’ en ‘fout’ een hele zware druk op de schouders van veel (witte) Nederlanders. Hoe sterk de herinnering aan de oorlog ook was, dat onderscheid tussen goed en fout voelde soms als kerkelijke moraal. Het voelde als zonde, als boete, als schuldbesef. En volgens mij kwam dat vooral, omdat veel blanke Nederlanders in hun dagelijks leven maar weinig contact hebben met donkere mensen. Politieke correctheid was te vaak geen doorleefde ethiek, maar een abstracte moraal.

De linksche Gutmensch

Tegen elke strenge moraal die niet direct gevoeld wordt, die niet direct doorleefd wordt, ontstaat weerstand. Noem het puberaal, maar wie herkent niet dat diepe, psychische verlangen om de codes te overtreden? Ook in de jaren tachtig bestond een actieve, racistische moppencultuur. Moppen die niet eens zo heel leuk waren, maar vooral dat ‘ohoh’ gevoel opriepen. Een gevoel van ‘dat kan eigenlijk niet’. En dat gevoel was eigenlijk wel heel bevrijdend.

In de jaren zestig was de babyboomgeneratie net met veel aplomb in opstand gekomen tegen de onderdrukkende instituties van kerk en zuil. Al die schijnheilige dominees die ons Nederlanders vertelden hoe zondig we wel niet waren hadden we achtergelaten in hun kerken en we waren feest gaan vieren met de Beatles en de Stones. Vervolgens ruilden we in de jaren zeventig de dominee met zijn Heilige Boek in voor de nieuwe linkse politieke correctheid, met zijn nieuwe taboes en zijn onmogelijke eis om helemaal ‘goed’ te zijn. Niet voor niets sprak babyboomer Pim Fortuyn later van ‘de linkse kerk’. Deze kerk had ook zijn nieuwe dominee, die op zijn Geenstijls de ‘linksche Gutmensch’ werd genoemd. En net als de dominee werd deze Gutmensch ook beschuldigd van hypocrisie.

Met de groei van de verzorgingsstaat na de oorlog was namelijk een nieuwe sociale klasse ontstaan. Deze klasse was vaak goed opgeleid en werkte in overheidsdienst, in het onderwijs en in de media. Die groep associeerde zichzelf vaak met politiek centrum-links. Met partijen als de PvdA en D’66. Deze klasse (ook wel de professorial-managerial class genoemd) verworf zich bepaalde rechten en privileges en was zeker in de jaren zeventig en tachtig politiek bewust en toonde zich politiek correct, in ieder geval naar buiten toe. Dit waren niet de mensen die in de arme volkswijken woonden. Zij voelden dus niet de ‘verloedering’ die door populisten steeds vaker geassocieerd werd met de ‘allochtone’ bewoners daar.

Het is geen wonder dat er in de jaren die volgden bij veel Nederlanders die niet tot deze groep behoorden een gevoel van rancune ontstond tegen deze nieuwe geprivilegieerden en ook tegen de waarden die deze groep vertegenwoordigde. Dat, in combinatie met de recalcitrantie tegen het goed-fout denken en de verwoording daarvan door Pim Fortuyn, Theo van Gogh en daarna Geert Wilders en Martin Bosma, gaven de doodsteek aan de politieke correctheid in Nederland. Ineens moest alles kunnen. Klassenhaat jegens de ‘linkse elite’ ging zij aan zij met gratuit racistische, seksistische en homofobe grappen. Geenstijl is hiervan het meest duidelijke voorbeeld. Het succes van een islamofobe partij als de PVV met zijn anti-linkse, anti-elite sentimenten is een ander. Verwijzingen naar de oorlog werden nu weggewuifd met termen als demonisering, of een andere dooddoener, de Godwin. Immers, wij Nederlanders bedoelden het allemaal toch niet zo racistisch.

Nieuw respect

Het lijkt echter alsof dit tij de laatste tijd wat aan het kenteren is. Gisteren schreef nrc.next dat politieke correctheid terug is van weggeweest. De langdurige en zeer heftige discussie rond Zwarte Piet en de commotie rond racistische uitspraken en grappen van Jack Spijkerman en Gordon lijken een vernieuwde intolerantie weer te geven voor dit soort humor. Vooral op de sociale media werden de grappenmakers snoeihard neergesabeld. Steeds meer Nederlanders durven er voor uit te komen dat ze zich vergist hebben in de impact van een figuur van Zwarte Piet, dat wel degelijk een kwetsend stereotype is en dat die traditie best veranderd kan worden. Niet voor niets schreef Rutger Bregman recentelijk in internet magazine De Correspondent een pleidooi voor de ‘vrijheid van meningsverandering’.

Dat laatste is misschien kenmerkend voor de nieuwe politieke correctheid, al zou ik liever over nieuw respect willen spreken. We doen het nu zonder de oorlog en moralistisch ‘goed’-‘fout’ denken, zonder zonde en schuldbesef. Er wordt niet ‘over’ de gediscrimineerde groepen gesproken, maar ze leiden zelf actief het debat. Er is een groeiende groep witte Nederlanders – waaronder een aantal belangrijke opiniemakers – die heeft leren luisteren. Luisteren betekent dat je de ander het voordeel van de twijfel geeft, dat je je niet ingraaft maar juist probeert in te leven. En dat je dus zelf ook van standpunt kan veranderen, zonder gezichtsverlies te lijden. Het nieuwe respect is ethisch van aard, terwijl de oude politieke correctheid vooral moralistisch was.

Dat betekent niet dat alle problemen met een goed gesprek kunnen worden opgelost. Verre van. Racisme is alomtegenwoordig. Donkere mensen lopen veel meer kans om opgepakt en gecontroleerd te worden door politie dan witte mensen. Vrouwen verdienen gemiddeld minder voor hetzelfde werk dan mannen. Daarnaast is Nederland een klasse-maatschappij waarbij steeds minder doorstroom is tussen de klassen onderling. Hogeropgeleiden trouwen met hogeropgeleiden en lageropgeleiden trouwen met lager-opgeleiden. Je geboortenest bepaalt in veel gevallen waar je terecht komt. Dus ook van klassenhaat (en de wijze waarop een partij als de PVV daar misbruik van maakt) zijn we nog lang niet af. Maar er is in ieder geval weer de mogelijkheid om erover in gesprek te gaan, en dat is winst.

VVD-prominent Frits Bolkestein zei ooit dat democratie niet ‘voor bange mensen’ is. Maar die bange mensen waren altijd de anderen. Ware moed zit hem niet in het schieten vanuit je loopgraaf. Die toont zich pas, als je eruit durft te klimmen om de ander in de ogen te kijken.

De sneeuwbal van het sinterklaasfeest

Afbeelding

Iedereen die wel eens een sneeuwpop gemaakt heeft, kent het principe. Je begint met een kleine sneeuwbal en rolt hem door de sneeuw. Tijdens het rollen kleeft steeds meer sneeuw aan het balletje en daardoor wordt hij langzaam groter. Vervelend is het dan als er vieze sneeuw tussen komt, stukken aarde of gras, zodat je vuile vlekken of bobbels in je sneeuwbal krijgt.

Als een sneeuwbal ontwikkelen zich ook tradities door de eeuwen heen. Er zijn oerverhalen die telkens maar worden doorverteld, maar steeds weer iets meekrijgen van de tijd waarin ze verteld worden. Zo zijn veel sprookjesfiguren: elfen en kabouters, afgeleid uit voorchristelijke, heidense mythologie. In christelijke tijden zijn de oude verhalen als het ware opnieuw geïnterpreteerd, en ‘ondergronds’  gegaan als sprookje.

Zo was ook ons kerstfeest oorspronkelijk het Germaanse Joelfeest, waarin midwinter werd gevierd en niet de geboorte van Jezus. Ook deze traditie is door de komst van het christendom aangepast aan de nieuwe situatie en verrijkt met het Bijbelse kerstverhaal. Nog steeds bevat ons kerstfeest elementen van dat heidense feest, zoals het vieren van het licht in de duisternis door ons huis te versieren met kaarsen en lichtjes. Dat neemt niet weg dat veel elementen van kerst wel degelijk christelijk zijn en dat het kerstverhaal voor velen een belangrijk onderdeel is van die traditie, ook al gaat het hier om een latere ‘laag sneeuw’. Het zou raar en aanmatigend zijn om te beweren dat het kerstfeest ‘in wezen’ heidens is en niet christelijk omdat het toevallig ooit – heel lang geleden – zo is begonnen.

Dit laatste is nu precies de denkfout die Arnold-Jan Scheer maakt in zijn essay in De Volkskrant van gisteren. Scheer heeft onderzoek gedaan naar Sinterklaas- en nieuwjaarsriten over heel Europa en hij heeft ontdekt hoe zowel Sinterklaas als Zwarte Piet hun wortels hebben in hele oude heidense mythologie. Op veel meer plekken in Europa maken mannen zich zwart zegt hij, en zo vindt hij nog wel meer overeenkomsten die geworteld zijn in een tijd ver voor de slavernij. Conclusie: Zwarte Piet is geen slaaf, want de traditie is veel eerder begonnen dan het boek van Jan Schenkman uit 1850, waarop onze moderne Sinterklaastraditie is gebaseerd.

Die redenering is al even krom als de bewering dat het kerstfeest geen christelijk feest zou zijn. Tradities veranderen en nemen elementen uit de geschiedenis met zich mee, precies zoals de sneeuwbal waar ik dit stukje mee begon. De heidense traditie van Scheer werd opnieuw gedefinieerd door Schenkman, en die voegde er onmiddellijk – misschien niet eens bewust, want in zijn tijd was het volkomen normaal om zo te denken – een hele rij racistische verbeeldingen uit zijn eigen tijd aan toe: kroeshaar, dikke lippen en een moors pagepakje. Het is de vieze sneeuw die de sneeuwbal in zijn tocht door de tijd heeft opgedaan en die de bal nog steeds ontsiert.

Overigens veel belangrijker dan de historie van het sinterklaasfeest vind ik het gegeven dat mensen nu aanstoot nemen aan het verschijnsel. Wij kijken immers niet met de ogen van oude Germanen, met de associaties die mensen in die tijd met het feest gehad hebben. We kijken met moderne ogen, met moderne associaties, met een relatief recente historie van slavernij en rassendiscriminatie. In die samenleving roept de verbeelding van Zwarte Piet voor veel mensen veel pijn op. Verwijzen naar de (oer-)oorsprong van een traditie is dan een van de zoveelste verkrampte uitvluchten die ik in mijn vorige blog genoemd heb. Wat is er toch op tegen om de sneeuwbal van dat mooie sinterklaasfeest weer een klein beetje verder te rollen?

De illustratie, ‘Plegtige intogt van St. Nikolaas’ is afkomstig uit het besproken boek van Jan Schenkman. Het boek staat volledig online en is hier te vinden.

Sinterklaas, zwarte piet en onze beleving

Sinterklaas en zwarte piet associeer ik – sinds ik heel jong was – met geborgenheid. Ze bevinden zich in een heel oud gedeelte van mijn brein, net als de geur van speculaas, warme chocolademelk, de smaak van mierzoete marsepein. Ze bevinden zich een een ruimte vol van veilig familiaal samenzijn, gelach en de spannende verwachting van cadeaus. Het sinterklaasfeest herinnert me aan jeugdige gelukzaligheid, aan koude, donkere dagen gevuld met warm, licht verlangen. Het zijn belangrijke herinneringen en ze zijn op de een of andere manier kwetsbaar, misschien omdat ze afkomstig zijn uit mijn vroege kindertijd: alles uit die tijd is fragiel en heel persoonlijk.

Ik deel een soortgelijke herinnering met heel veel Nederlanders. Het is iets dat we van generatie op generatie doorgeven. Graag wil ik dat mijn dochter dit ook meemaakt, dat gevoel van samenzijn, die geborgenheid van het Sinterklaasfeest. Ik wil met haar de bekende liedjes zingen en haar schoen zetten, met een grote wortel en wat hooi erin. Ik wil dat ze ‘s morgens opstaat en niet kan wachten om te zien wat erin zit.

Mijn eerste reactie, toen ik iemand zwarte piet in verband hoorde brengen met racisme, was daarom ook ronduit afwijzend. Het compartimentje in mijn brein waar Sinterklaas en zwarte piet zich bevinden, die clustering van associaties die ik hierboven noemde, stond ver af van dat compartimentje waar het begrip racisme thuishoorde. Racisme associeer ik met narigheid, met Ku Klux Klan, brandende kruizen, met lynchings, met gewelddadige skinheads, met ‘Slegs vir blankes’. Racisme is naar en onveilig, het had niets, maar dan ook niets te maken met mijn beleving van het Sinterklaasfeest.

Daarom maakte ik ervan: zwarte piet is een sprookjesfiguur, zoals de Oostenrijkse Krampus. Of een schoorsteenveger. Of weet ik wat, maar vooral geen racistische karikatuur van een zwarte man. Of ik zei dat ik het geen belangrijke discussie vond, dat zwarte piet nou eenmaal traditie was. Dat er wel meer dingen waren die niet klopten, en vervolgens ging ik heel lang nadenken over voorbeelden. Zoals Jodenkoeken en blanke vla. Zijn die dan niet beledigend? Tsja.

Het heeft me tijd gekost om zonder dit soort verkrampte uitvluchten (want dat zijn het) neutraal naar het probleem te durven kijken. De achtergrond van mijn reactie was namelijk mijn beleving. Mijn beleving van Sinterklaas en zwarte piet is warm, veilig en geborgen, maar voor heel veel mensen met een donkere huidkleur is die beleving anders. Voor hen is het Sinterklaasfeest, en dat komt vooral door zwarte piet, juist onveilig en ongemakkelijk. Want hoewel zwarte piet door de jaren heen zijn Surinaamse accent is kwijtgeraakt, evenals zijn grote oorbellen en dikke lippen, is het nog steeds een springerige zwarte man met kroeshaar, het knechtje van de witte Sinterklaas.

Dat besef, dat zwarte piet niet los gezien kan worden van een racistisch verleden, en dat dat racistische verleden tot op de dag van vandaag volwassenen en kinderen heel veel pijn doet, hoeft niet mijn veilige en warme herinnering aan Sinterklaas te bevlekken. Dat ik zo van dat feest genoot als kind maakt mij geen racist en maakt ook het feest zoals wij dat altijd vierden niet racistisch. Maar de tijden zijn veranderd, Nederland is veelkleuriger geworden. We moeten nu wel echt van die piet af. Hij kan niet meer, hij is al lang over zijn houdbaarheidsdatum heen, hij begint zuur te ruiken.

Die zuurheid walmde mij volop tegemoet toen ik de reacties las op het optreden van Quincy Gario tijdens Pauw en Witteman. Ik rook die zuurheid op twitter, op facebook, op de talloze fora waar mensen over dit onderwerp discussieerden. Veel blanke Nederlanders schreeuwen over hun kwetsbaarheid heen, worden gemeen, racistisch, sarren, pesten als schoolkinderen. Er ging een plaatje viraal op facebook, dat Gario voorstelde, gephotoshopt als zwarte piet met de tekst ‘ zeurpiet’ eronder. Gretig klikten de vingers op de like-knop.

Het Sinterklaasfeest dat ik altijd vierde, was niet hetzelfde als dat van mijn grootouders. Mijn sinterklaasfeest kende noch de roe, noch de zak. Die waren voor mijn jeugd al afgeschaft, die barbaarse disciplineringsinstrumenten. Sinterklaas gebruiken om kinderen in het gareel te krijgen, dat doen we tegenwoordig niet meer. Sinterklaas is vooral een kindervriend, geen gewelddadige boeman.

Voor de generatie van mijn dochter zou ik graag een Sinterklaas willen zonder die zwarte piet-figuur. Een inclusief sinterklaasfeest zou ik willen, met pieten in alle kleuren van de regenboog. Zodat niet alleen zij later een geborgen en veilige herinnering zal hebben aan Sinterklaas, maar ook haar vriendjes en vriendinnetjes met een donkere huidkleur. Want tradities passen zich aan aan de tijd waarin we leven. Dat hebben ze altijd gedaan en dat zullen ze ook altijd blijven doen.

Ongenode gasten: over Baudet en Borgman

Afbeelding

Hij noemt het niet expliciet, maar er zitten opmerkelijke overeenkomsten tussen de parabel die Thierry Baudet gebruikt in zijn essay (NRC Weekend 7 en 8 september) over wat hij ‘de angst voor het eigene’  noemt en het plot van de film Borgman van Alex van Warmerdam. Het verschil is dat in de film van Van Warmerdam een veel gelaagder beeld van de werkelijkheid wordt geschetst dan in het eendimensionale verhaal van Baudet.

Waarschuwing: dit blog bevat spoilers: als je de film Borgman nog wil gaan zien dan kun je dit artikel nu beter niet lezen

Baudet spreekt de lezer dreigend toe: ‘uw gasten hebben een deel van uw woning in bezit genomen’. Ze hebben de vrede verstoord, het ‘oorspronkelijke thuisgevoel’. Want thuis is namelijk een ‘ritme, een organisch geheel’. Aan de hand daarvan bekritiseert Baudet de ‘elites’, die met behulp van ‘multiculturalisme, modernisme in de kunsten en het Europese project’ de huisvrede breken in het ooit zo hechte, veilige en warme vaderland.

In de film Borgman wordt een bebaarde zwerver (Camiel Borgman) die een bad wil nemen in het huis van een rijke familie op wrede wijze in elkaar geslagen door de vader van het gezin. Deze vader, die vanaf het begin vol met agressie lijkt te zitten, raakt buiten zinnen als de Borgman zinspeelt op een contact dat hij zou hebben gehad met diens vrouw. Later leren we dat zijn agressieve gedrag gevolg is van de ruzies die hij heeft op zijn werk met een andere man.

Omdat de vrouw medelijden krijgt met de zwerver, laat ze hem stiekem binnen. Het lijkt alsof zij een onbehagen voelt, een leegte of een schuldgevoel over haar geprivilegieerde positie, alsof zij beseft dat er van alles niet klopt aan haar ‘thuis’. Zij zoekt iets in de zwerver. Is het een bepaalde vergiffenis, verlossing? Intussen neemt deze gast, net als in de parabel van Baudet, stukje bij beetje de macht in het gezin over.

De werkelijke overname manifesteert zich echter pas als de tuinman van het gezin sterft. Vader doet de sollicitatie van nieuwe tuinmannen en krijgt drie gekleurde mannen voor de deur. Ze doen sterk denken aan de buitenlandse migranten waar Baudet in zijn stuk alarmerend over schrijft. Maar de vader, niet bang voor het ‘eigene’ (maar wel voor het ‘vreemde’), wijst hen alledrie af op basis van hun huiskleur en neemt uiteindelijke een blanke, keurig geschoren man aan: Camiel Borgman die zich inmiddels van zijn woeste baard heeft ontdaan. De laatste haalt vervolgens zijn even keurige, in pak gestoken vrienden binnen en begint allereerst met het slopen van de tuin: hij hakt bomen om, baggert de vijver uit tot een donkere, intkzwarte diepe poel. Intussen bivakkeert hij onder hetzelfde dak als de familie.

De film toont datgene wat romantische neoconservatieven als Baudet niet willen zien. Namelijk de rotting die altijd al aanwezig was in het door hen opgehemelde en geïdealiseerde thuis. De kilte. Het egoïsme. De vergiftiging van zowel het sociale als de ecologische leefruimte die het resultaat is – niet van migranten of van modernistische kunst – maar van de verscheurdheid van de westerse wereld zelf.

De parabel van Baudet handelt over een soort goudgerande, roomblanke hobbitstede die verpest wordt doordat een elite vanuit een vorm van puberaal afzetgedrag – ‘oikofobie’ – het vreemde binnenhaalt. In de film Borgman zet een ongelukkig gezin al zijn kaarten op een roomblanke verlosser, die echter de bestaande breuklijnen versterkt, en hen vergiftigt. Baudets parabel toont een kinderlijk wereldbeeld: hij ontkent alles wat niet klopt in het eigen nest en projecteert tegelijkertijd alle problemen op het vreemde. De film ‘Borgman’ daarentegen toont een volwassen, complexe wereld, waarin niet meer duidelijk is of het kwaad van binnen of van buiten komt.

Over Graebers Bullshitbanen

Stel je voor dat het mogelijk zou zijn om twee dagen per week te werken en toch genoeg inkomen te hebben om de rest van de week te besteden aan die dingen die je voldoening geven (creativiteit, persoonlijke ontwikkeling, zorg voor kinderen enzovoort). Stel je ook voor dat die wereld misschien wel binnen handbereik is. En stel dat het enige dat ons tegenhoudt is een overmaat aan overbodig, zinloos werk, alleen maar ontstaan om ons bezig te houden, als hamsters die rondhollen in tredmolens.

 Bullshit jobs

In zijn artikel On the phenomenon of bullshit jobs schrijft de Amerikaanse antropoloog David Graeber dat een groot deel van de moderne kapitalistische economie bestaat uit zinloos werk. Het artikel bleek enorm te resoneren op internet en werd meerdere malen vertaald. Graeber, één van Amerika’s meest opvallende anarchisten, ziet het overschot aan banen vooral aan de kant van de ‘witte boorden’. Het zijn hoogopgeleiden die bullshitjobs hebben, en ze weten het vaak ook zelf. Hij wijst daarbij vooral naar de sterk gegroeide dienstensector: administratieve banen, managers, bedrijfsjuristen, public relations, personeelsmanagement, telemarketeers, mensen die financiële diensten leveren, kortom de hele moderne bedrijfsbureaucratie. Vanuit Graebers oogpunt uiteindelijk allemaal zinloze banen gemaakt om mensen bezig te houden. Banen die niets werkelijk produceren. Als we al die banen zouden wegsnoeien zou met dezelfde productie nog maar heel weinig werk overbleven. Dan kunnen we toe met twee dagen werk per week, zoals de econoom John Maynard Keynes voor de oorlog ooit voorspelde.

Dit gaat natuurlijk recht tegen alle neoliberale ‘waarheden’ in. Wij hebben altijd ingepeperd gekregen dat in een economie die gebaseerd is op kapitalisme en marktwerking dit soort ‘verborgen werkloosheid’ automatisch wordt weggewerkt. Graeber noemt het voorbeeld van communistische landen, die allerlei banen creëerden om maar aan de doelstelling van volledige werkgelegenheid te voldoen. Zulke overdreven overhead zou in onze hyperefficiënte economie toch al lang weggesaneerd zijn? Toch zegt hij, door een of ander magisch wonder, blijven al die bullshitindustrieën die niets anders doen dan papier verschuiven (emails versturen tegenwoordig) gewoon bestaan. De reden zit hem volgens Graeber in de belangen van de heersende klasse (de 1% waar de betogers van Occupy het tegen opnamen) die weet dat als mensen maar druk bezig gehouden worden, ze niet in opstand komen. De aloude calvinistische arbeidsmoraal (de ‘hardwerkende Nederlander’) komt daarbij goed van pas.

Compexiteit

De grote populariteit van dit stuk op het internet doet vermoeden dat Graeber hier een gevoelig punt raakt. Een tweetal reacties op het artikel wil ik even apart noemen. Allereerst de Economist, die tegenwerpt dat in een vergevorderde economie nou eenmaal sprake is van een complexe arbeidsdeling, waardoor veel mensen het gevoel hebben dat ze zinloos werk doen, terwijl ze wel degelijk een klein radertje vormen in het grote, wel degelijk nuttige mechaniek van de samenleving. Mensen raken dus vervreemd van de eigen arbeid (daarom denken ze vaak dat ze nutteloos werk doen) maar de arbeid is wel degelijk nuttig. Een argument dat het gevoel van overbodigheid van sommige ‘witte boorden’-banen verklaart waar Graeber naar verwijst.

Maar Graeber zinspeelt niet alleen op het gevoel dat veel mensen in de bekritiseerde sector hebben, hij verwijst ook naar reële veranderingen. Als voorbeeld noemde hij op Twitter de groei van administratieve banen in de educatieve sector. Het onderwijs verandert niet wezenlijk: wat doen nu ineens al die administrateurs naast de leraren? Is lesgeven zoveel complexer geworden dan het enkele tientallen jaren geleden was?

Wij zijn wat we doen

Interessant is ook de reactie van een andere blogger via twitter, ene Jimmy Daly ‘Ik snap het vanuit een economisch perspectief, maar kan gewoon mijn leven niet leven met het besef dat mijn baan bullshit is.’  In die simpele opmerking ligt de kern van het ongemak van het essay van Graeber. In een moderne kapitalistische samenleving als de onze is werk de belangrijkste bron onder voor zowel onze identiteit als onze zingeving. Wij zijn wat we doen. We steken ongelooflijk veel tijd en energie in dat werk: eerst een opleiding, dan vaak een fulltime baan. Als mensen met elkaar kennismaken op een feestje is vaak de eerste vraag: wat doe je voor werk? Werk maakt ons wie we zijn. Voor al die mensen die werken in de sectoren die Graeber aanduidt als bullshit jobs, is het dus zachtgezegd even slikken: datgene waar je een groot deel van je leven aan opgeofferd hebt, wordt door deze hoogleraar als overbodige onzin weggezet.

Ongetwijfeld zal dit bij veel mensen weerstand opleveren. Liever geloven we in een ideologie, dan dat we oog in oog staan met zinloosheid. De constatering je hele leven ingezet te hebben voor een bullshitjob is vergelijkbaar met het trauma van een militair, die achteraf een onnodige oorlog heeft gevochten. Of een geloofsafvallige, die een groot deel van zijn leven het idee heeft gehad dat God naar hem kijkt, tot hij het inzicht krijgt dat die God misschien helemaal niet bestaat.

Werk is het laatste geloof in een seculiere samenleving. Geloofsafval is een van de moeilijkste dingen die er is, omdat het te maken heeft met de wijze waarop we zin geven aan het leven. Als Graeber echt een punt heeft dan zal het om die reden nog wel even duren voordat zijn ongemakkelijke boodschap echt is doorgedrongen.