Over Graebers Bullshitbanen

Stel je voor dat het mogelijk zou zijn om twee dagen per week te werken en toch genoeg inkomen te hebben om de rest van de week te besteden aan die dingen die je voldoening geven (creativiteit, persoonlijke ontwikkeling, zorg voor kinderen enzovoort). Stel je ook voor dat die wereld misschien wel binnen handbereik is. En stel dat het enige dat ons tegenhoudt is een overmaat aan overbodig, zinloos werk, alleen maar ontstaan om ons bezig te houden, als hamsters die rondhollen in tredmolens.

 Bullshit jobs

In zijn artikel On the phenomenon of bullshit jobs schrijft de Amerikaanse antropoloog David Graeber dat een groot deel van de moderne kapitalistische economie bestaat uit zinloos werk. Het artikel bleek enorm te resoneren op internet en werd meerdere malen vertaald. Graeber, één van Amerika’s meest opvallende anarchisten, ziet het overschot aan banen vooral aan de kant van de ‘witte boorden’. Het zijn hoogopgeleiden die bullshitjobs hebben, en ze weten het vaak ook zelf. Hij wijst daarbij vooral naar de sterk gegroeide dienstensector: administratieve banen, managers, bedrijfsjuristen, public relations, personeelsmanagement, telemarketeers, mensen die financiële diensten leveren, kortom de hele moderne bedrijfsbureaucratie. Vanuit Graebers oogpunt uiteindelijk allemaal zinloze banen gemaakt om mensen bezig te houden. Banen die niets werkelijk produceren. Als we al die banen zouden wegsnoeien zou met dezelfde productie nog maar heel weinig werk overbleven. Dan kunnen we toe met twee dagen werk per week, zoals de econoom John Maynard Keynes voor de oorlog ooit voorspelde.

Dit gaat natuurlijk recht tegen alle neoliberale ‘waarheden’ in. Wij hebben altijd ingepeperd gekregen dat in een economie die gebaseerd is op kapitalisme en marktwerking dit soort ‘verborgen werkloosheid’ automatisch wordt weggewerkt. Graeber noemt het voorbeeld van communistische landen, die allerlei banen creëerden om maar aan de doelstelling van volledige werkgelegenheid te voldoen. Zulke overdreven overhead zou in onze hyperefficiënte economie toch al lang weggesaneerd zijn? Toch zegt hij, door een of ander magisch wonder, blijven al die bullshitindustrieën die niets anders doen dan papier verschuiven (emails versturen tegenwoordig) gewoon bestaan. De reden zit hem volgens Graeber in de belangen van de heersende klasse (de 1% waar de betogers van Occupy het tegen opnamen) die weet dat als mensen maar druk bezig gehouden worden, ze niet in opstand komen. De aloude calvinistische arbeidsmoraal (de ‘hardwerkende Nederlander’) komt daarbij goed van pas.

Compexiteit

De grote populariteit van dit stuk op het internet doet vermoeden dat Graeber hier een gevoelig punt raakt. Een tweetal reacties op het artikel wil ik even apart noemen. Allereerst de Economist, die tegenwerpt dat in een vergevorderde economie nou eenmaal sprake is van een complexe arbeidsdeling, waardoor veel mensen het gevoel hebben dat ze zinloos werk doen, terwijl ze wel degelijk een klein radertje vormen in het grote, wel degelijk nuttige mechaniek van de samenleving. Mensen raken dus vervreemd van de eigen arbeid (daarom denken ze vaak dat ze nutteloos werk doen) maar de arbeid is wel degelijk nuttig. Een argument dat het gevoel van overbodigheid van sommige ‘witte boorden’-banen verklaart waar Graeber naar verwijst.

Maar Graeber zinspeelt niet alleen op het gevoel dat veel mensen in de bekritiseerde sector hebben, hij verwijst ook naar reële veranderingen. Als voorbeeld noemde hij op Twitter de groei van administratieve banen in de educatieve sector. Het onderwijs verandert niet wezenlijk: wat doen nu ineens al die administrateurs naast de leraren? Is lesgeven zoveel complexer geworden dan het enkele tientallen jaren geleden was?

Wij zijn wat we doen

Interessant is ook de reactie van een andere blogger via twitter, ene Jimmy Daly ‘Ik snap het vanuit een economisch perspectief, maar kan gewoon mijn leven niet leven met het besef dat mijn baan bullshit is.’  In die simpele opmerking ligt de kern van het ongemak van het essay van Graeber. In een moderne kapitalistische samenleving als de onze is werk de belangrijkste bron onder voor zowel onze identiteit als onze zingeving. Wij zijn wat we doen. We steken ongelooflijk veel tijd en energie in dat werk: eerst een opleiding, dan vaak een fulltime baan. Als mensen met elkaar kennismaken op een feestje is vaak de eerste vraag: wat doe je voor werk? Werk maakt ons wie we zijn. Voor al die mensen die werken in de sectoren die Graeber aanduidt als bullshit jobs, is het dus zachtgezegd even slikken: datgene waar je een groot deel van je leven aan opgeofferd hebt, wordt door deze hoogleraar als overbodige onzin weggezet.

Ongetwijfeld zal dit bij veel mensen weerstand opleveren. Liever geloven we in een ideologie, dan dat we oog in oog staan met zinloosheid. De constatering je hele leven ingezet te hebben voor een bullshitjob is vergelijkbaar met het trauma van een militair, die achteraf een onnodige oorlog heeft gevochten. Of een geloofsafvallige, die een groot deel van zijn leven het idee heeft gehad dat God naar hem kijkt, tot hij het inzicht krijgt dat die God misschien helemaal niet bestaat.

Werk is het laatste geloof in een seculiere samenleving. Geloofsafval is een van de moeilijkste dingen die er is, omdat het te maken heeft met de wijze waarop we zin geven aan het leven. Als Graeber echt een punt heeft dan zal het om die reden nog wel even duren voordat zijn ongemakkelijke boodschap echt is doorgedrongen.

Waar gaat het heen met die crisis? David Harveys analyse

Dit weekend schreef het nrc dat de crisis alweer vijf jaar aan de gang is en er is nog steeds geen duidelijkheid of enige hoop op herstel. Geen enkel stuk dat ik over dit onderwerp lees in de kranten geeft een bevredigend antwoord op wat er nu aan de hand is. Ik lees over doorgeschoten deregulering bij de banken, waar een immorele macho-cultuur is ontstaan gevoed door bonussen aan de ene kant maar een even gemakkelijk ontslag aan de andere kant. Maar zo gemakkelijk zit het allemaal vast niet in elkaar, dan was er eenvoudig iets aan de te doen geweest. De crisis is systemisch, er is iets ongelooflijk mis met de economische lapmiddelen die destijds bedacht zijn om de vorige crisis van de jaren zeventig op te lossen. En de problemen kunnen niet met pleisters worden opgelost.

Kapitaaloverschot

In The enigma of capital geeft David Harvey, een Amerikaanse professor in de antropologie, een overkoepelende visie op de crisis en de economische ontwikkeling van de laatste decennia. De essentie van zijn denken is eigenlijk simpel: het kapitalistische systeem is verslaafd aan groei, gemiddeld 3% per jaar. Zonder groei stort het hele kaartenhuis ineen. Die groei levert namelijk een permanent overschot aan kapitaal op dat weer opnieuw geïnvesteerd moet worden: ‘ a capital surplus absorpion problem’. Gemiddeld 3% per jaar kan hoog oplopen, reken maar uit. Dus er moeten steeds weer nieuwe plekken gevonden worden om dat kapitaal te investeren zodat het weer verder kan groeien. Wanneer het ergens niet rendeert, wordt een andere plek gekozen waar het dat wel doet.

Na de tweede wereldoorlog bloeiden de economieën van de westerse wereld als nooit tevoren. Dit had aanvankelijk te maken met de wederopbouw: vanuit het niets van de vernietiging van de oorlog kan je hard groeien. De groei bracht vooral in West-Europa de mogelijkheid om ook flinke welvaartsstaten op te tuigen. Die economische groei kwam begin jaren zeventig piepend tot stilstand en dat leidde tot een enorme crisis. Die crisis ging niet alleen om olie, maar om veel meer: de productie in West-Europa en de VS was te duur geworden en de rendementen op het geinvesteerde kapitaal werden te laag. Deze crisis van de jaren zeventig werd vooral in de VS ‘opgelost’ door middel van financialisering: het werd banken door middel van deregulering mogelijk gemaakt om steeds grotere bedragen uit te lenen. Met andere woorden: het opgepotte kapitaal uit het westen werd vooral buiten de landsgrenzen ingezet om verder te kunnen groeien. Was de economie van voor de jaren zeventig vooral nationaal gericht, sinds die periode is het kapitaal geglobaliseerd.

Dat is een ontwikkeling die sinds de jaren zeventig heeft doorgezet. Verzorgingsstaten werden  steeds verder  afgebroken. De politiek maakte daarbij gebruik  van allerlei argumenten, sommige van praktische aard, sommige met een bepaalde moralistische inslag (de calvinistische nadruk op hard werken waar ik het in een eerdere blog over had). De essentie is echter dat kapitaal voortdurend moet groeien. Hele nieuwe arbeidsmarkten werden opengebroken, zowel hier (vrouwen gingen steeds meer deelnemen aan het economisch verkeer) als in het buitenland (denk aan outsourcing). De vrouwemancipatie was natuurlijk een autonome ontwikkeling, maar de weg die de emancipatie heeft genomen (die er in feite op neerkomt dat er per huishouden meer arbeid wordt geleverd) komt de groei van kapitaal wel verdomd goed uit.

Instabiliteit

Zoals Harvey het brengt is het kapitalisme dus een systeem dat zichzelf voortdurend reproduceert en daarbij in allerlei situaties, in wisselwerking met andere sferen van de samenleving, tot nieuwe variaties komt: dan weer een Rijnlands model, een Scandinavisch, Angelsaksisch of een Chinees model. Het kapitaal verplaatst zich steeds naar dat punt waar het meeste rendement gehaald kan worden. Het hecht zich niet aan een specifieke elite maar het creëert wel voortdurend elites en inkomensverschillen tussen arm en rijk. In zijn behoefte aan groei loopt het kapitalisme voortdurend tegen allerlei grenzen aan, dat zijn crises, die gepaard gaan met gigantische ellende, ‘creatieve destructie’, ontwaarding van kapitaal en verlies van banen en inkomens van miljoenen mensen. Kapitalisme is in essentie instabiel en gevaarlijk en kan met gemak de levens van velen verwoesten.

Dat financiële kapitalisme dat in de jaren zeventig ontstaan was liep in 2007 tegen zijn eigen beperkingen aan. Steeds verdergaande financiële producten hadden het steeds weer mogelijk gemaakt om nog meer te investeren op krediet, totdat er iets helemaal misging met de subprime hypotheken in de VS. De rest is geschiedenis.

Zal het Westen daar nu weer bovenop komen? Komen we met wen nieuwe truc, zoals dat gebeurde in de jaren zeventig, om onze rijkdom en hegemonie te behouden, of dendert het kapitalisme vrolijk door en verplaatst het domweg zijn hegemoniale zwaartepunt naar China en India en wellicht Brazilië, terwijl wij hier onze verzorgingsstaten krampachtig kapot bezuinigen om weer concurrerend te worden?

Marx

David Harvey is een marxist en gelooft dat uiteindelijk het hele kapitalistische systeem omvergeworpen zal moeten worden. Hij keert zich daarbij tegen de dictatoriale plan-economieen van de Sovjet-Unie of Communistisch China, maar gelooft niettemin in een revolutionaire omwenteling waarin alles helemaal anders moet. Belangrijk daarbij is dat we rekening moeten houden met 0-groei of zelfs eeen krimpende economie. Er moet minder nadruk komen op materiële welvaart en meer op andere vormen van ontwikkeling.

Recent las ik in nrc.next hoe ontzettend ongelijk de welvaart verdeeld is. Dat 91.000 mensen in de wereld een derde van de welvaart bezitten, terwijl de armste helft samen ongeveer 1% bezitten. Zulke verschillen zijn bijna absurd en kunnen op geen enkele wijze worden goedgepraat.

Het revolutionaire marxisme van Harvey is mij vreemd, ik heb altijd geloofd in vreedzame, democratische omwentelingen. Toch vind ik zijn analyse knap en na vijf jaar crisis veel vruchtbaarder dan alle verklaringen en oplossingen van de zogenaamde experts in de kranten. Die experts – die meestal redeneren vanuit conventionele, neoklassieke modellen, zagen de crisis immers ook allemaal niet aankomen. Wat het me leert is dat het helemaal niet verkeerd zou zijn als we in Nederland deze verkiezingen met ons allen maar eens goed links gaan stemmen. Ik vertrouw de verhalen van rechts over de economie niet, ik geloof ook niet dat rechts onze welvaart gaat redden. Als we allemaal naar de ratsmodee gaan, dan liever maar eerlijk en rechtvaardig naar de ratsmodee! Want zo erg kan het niet zijn om wat gas terug te nemen na jaren van overvloed, waarin iedereen zich voor al die rijkdom vooral massaal een burnout in gewerkt heeft. Er is toch echt meer onder de zon.