Verwende prinsjes

Het merendeel van de mannen investeert nog steeds maar bar weinig in de zorg voor zijn eigen kinderen. Nog altijd zijn het de vrouwen die – in deeltijd – de kolen uit het vuur halen. Volgens de emancipatiemonitor van 2012 hebben vrouwen minder vaak een baan dan mannen en als ze die wel hebben werken ze gemiddeld 26,4 uur tegenover mannen 38,2 uur. Dat is en blijft een gigantisch verschil. Het lijkt alsof vooral bij mannen het nieuwe vaderschap, waarbij een of meer dagen per week minder wordt gewerkt om aan de kinderen en het huishouden te besteden, niet doorzet. Waarom gaan veel vaders van nu nog altijd liever voltijds naar het werk dan dat ze aandacht geven aan hun eigen kroost?

De Brit Gideon Burrows probeerde in zijn recent uitgekomen boek Men can do it. The real reason dads don’t do childcare and what men and women should do about it die vraag te beantwoorden en zijn antwoord was even simpel als verbijsterend: mannen hebben er geen zin in. Mannen vinden de zorg voor kinderen saai en vies, het levert ze weinig erkenning op en het impliceert keuzes en offers op carrieere- en levensgebied die mannen niet willen maken. Mannen hebben vaak hun mond vol over hoeveel meer tijd ze met hun kinderen willen doorbrengen, maar feit is dat ze zelfs in de weekenden minder tijd doorbrengen met hun kinderen dan hun partners.

Wat dat laatste betreft: dat heeft natuurlijk met het eerste te maken. Als je minder tijd met je kinderen besteed, werk je minder aan de band tussen jou en je kinderen. Dat effect zal zich doorzetten in de weekenden. Het is een self fulfilling prophecy. Maar dat neemt niet weg dat veel van de argumenten die hier genoemd worden om geen serieuze zorgende vader te worden, feitelijk kloppen. Zorgen voor kinderen is niet alleen maar genieten, het is vaak loeizwaar. De herhaalde slaap, verschoning en voedingsrituelen van een baby kunnen tergend saai zijn, terwijl een peuter die zijn autonomie bevecht een ouder helemaal gek kan maken, soms tot jankens toe. Nee, dan is het een stuk gemakkelijker om door de week de vaste gang naar kantoor te maken en dan na het werk nog heel even wat mee te krijgen van de kleine.

De meeste vaders zijn geen ‘mannen die op zondag het vlees komen snijden.’ Natuurlijk, er zijn carriereduivels die 60 uur of meer in de week werken. Maar als je kinderen hebt dan moet je wel een soort antisociale narcist zijn om daarvoor te kiezen. Nee, de meeste vaders zien hun kinderen wel degelijk regelmatig, maar in kleine behapbare tijdseenheden, liefst in gezelschap van een zorgende vrouw. Op zo’n manier is het namelijk gemakkelijk om van al die mooie en leuke dingen van kinderen te genieten. Lekker samen spelen, voetballen, puzzelen en voorlezen in plaats van de tergende zorgrituelen van het wassen, omkleden en verschonen. Met andere woorden: de meeste vaders in Nederland en in de Westerse wereld doen aan cherry picking wat opvoeding betreft.

In dat opzicht is het mannenparadijs, die wereld waarin mannen de hele dag tussen andere mannen hun dingetje konden doen omdat vrouwen al het werkelijk zware zorg- en huishoudelijke werk deden, nog steeds niet voorbij. Het is vermoeiend en oneerlijk als mannen het belang van hun betaalde baan steeds maar opkloppen ten koste van al het onbetaalde werk dat vrouwen nog steeds doen. Dat werk – hoe zwaar ook in sommige gevallen – is niet vergelijken met de zorg, die permanent, dag-in dag-uit en vaak ook ‘s nachts nog doorgaat en een beroep op je doet. De deur van je kantoor doe je aan het einde van de middag dicht, maar je kind is er altijd.

Er moet toch bij veel mannen een soort van slecht geweten, een onbehagen aanwezig zijn over deze flagrante ongelijkheid? Het wordt allemaal nog erger als je beseft dat niet alleen de zorg voor kinderen vaak door vrouwen gedaan, ook de mantelzorg komt maar al te vaak bij hen terecht. Mannen worden dus vanaf hun vroegste jeugd gepampered door hun moeders, vervolgens werken ze 40 jaar 40 uur en genieten van de mooiste momenten van de kinderlevens terwijl ze minder te maken hebben met de zware kant van de zorg. Uiteindelijk als ze oud en bejaard zijn, worden ze weer door dochterlief geholpen. Van de wieg tot het graf worden de jochies door vrouwen gedragen.

We hebben het hier dus over een leger van verwende prinsjes die hun geprivilegieerde posities niet willen opgeven. Dat is de essentie van het moderne emancipatieprobleem. In mijn boek Het onbehagen van de man hamerde ik op de voordelen die de emancipatie mannen konden brengen. Ik geloof daar nog steeds in: meer tijd besteden aan je kinderen levert uiteindelijk – op de lange duur – een veel betere relatie met hen op (en heel veel prachtige gestolen momenten). Maar de andere kant, het afstand doen van de privileges van het mannenparadijs, gaf ik toen te weinig aandacht. Er is een rauwe kant aan de emancipatie, dat is onder ogen zien dat het pretparadijs waar je vader, je grootvader en generaties mannen daarvoor in leefden voorbij is. Mannen moeten een stapje terug doen zodat vrouwen meer kansen krijgen in deze maatschappij.

Wellicht kunnen we daar komen door juist een beroep te doen op de mannelijke trots. Het voelt toch niet helemaal lekker om als man te parasiteren op het werk van je vrouw of van de vrouwen in je leven. Mannen, wees geen watje, zorg zelf ook eens voor je kinderen. En neem de consequenties daarvan met een rechte rug.

Het verkeerde moralisme van minister Bussemaker

Niets is zo gevoelig in de moderne Nederlandse samenleving als man-vrouwverhoudingen. Zo publiceerde dagblad Trouw gisteren een interview met minister Jet Bussemaker naar aanleiding van de meest recente emancipatienota. Daarin bekritiseerde ze het grote aantal vrouwen dat niet of weinig werkt in Nederland. Onmiddellijk was het internet te klein en Twitter en Facebook vulden zich met veelal boze reacties. 

 Dat een minister de problematiek van de financiële afhankelijkheid van de Nederlandse vrouw aan de kaak stelt doet mijn feministisch hart natuurlijk goed. Ze heeft helemaal gelijk als ze de aangeeft dat 48% van de Nederlandse vrouwen na een scheiding niet voor zichzelf kan zorgen. Zeer onverstandig, gezien het feit dat kinderen na een scheiding toch meestal bij de moeder belanden. Het is onverantwoordelijk om in een tijd dat één op de drie huwelijken strandt er maar op te gokken dat die beker aan jou voorbij zal gaan. 

 Vergeet de mannen niet

Dat ze daarbij helemaal voorbij gaat aan het aandeel van de man is daarentegen weer raar. Het is egoïstisch van mannen om hun eigen carrière automatisch voor te laten gaan op die van de vrouw. Je vleien in het voorgekookte sjabloon van het traditionele rollenpatroon is te gemakkelijk. Elke man zou zich de vraag moeten stellen of hij het moreel aan zichzelf kan verkopen dat de persoon waarvan hij houdt zich structureel in een afhankelijke positie bevindt. Is dat het goede leven? Is dat respectvol? Is dat liefde?  En is het niet gewoonweg bizar dat een vrouw zich schuldig voelt tegenover haar gezin, en dat dat gevoel bij mannen afwezig is? Maar ik heb het vermoeden dat dit soort vragen bij veel mannen niet vanzelf opkomen. 

 De feminiene mystiek

Veel vrouwen offeren daarnaast een opleiding en bijbehorende carrière op voor een baan als fulltime huisvrouw of voor een parttime baan zonder veel perspectief. Dat was het thema van het boek waar de tweede feministische golf in de Verenigde Staten mee begon, Betty Friedan’s The feminine mystique (1963). In dat boek schreef Friedan over the problem that has no name, het onbehagen dat veel vrouwen in de jaren vijftig en zestig voelden met hun huisvrouwenbestaan en dat hen depressief maakte of naar kalmeringstabletten deed grijpen. Het was een tijd van grote welvaart en de vrouwen werden niet begrepen: je hebt alles wat je maar zou willen, waarom ben je dan toch down?

 Probleem was volgens Friedan de overheersende overtuiging die zij The Feminine Mystique noemde: de idee dat een vrouw volledige vervulling zou moeten kunnen vinden in het huiselijke leven alleen. Wanneer vrouwen diep van binnen het verlangen hadden om zich als individu verder te ontplooien, meer te zijn dan de vrouw-achter-de-man, dan geraakten ze in een innerlijke crisis. Dit was volgens de heersende overtuiging, de feminiene mystiek, namelijk afwijkend of zelfs neurotisch gedrag. De vrouwen hadden een verboden verlangen en voelden zich daar schuldig over. En altijd wanneer mensen innerlijke verlangens proberen te onderdrukken of ontkennen, worden ze uiteindelijk somber en neerslachtig. Friedan keerde zich tegen de feminiene mystiek en het schuldgevoel en maande vrouwen hun innerlijke verlangens te volgen. Daar begon dus feminisme en vrouwenemancipatie, bij de ontsnapping van vrouwen uit de dwangbuis van hun door mannen opgelegde lotsbestemming.

 Neoliberaal moralisme

Dat is heel wat anders dan de redenering van minister Bussemaker. Zij vervangt het ene schuldgevoel voor het andere. Het schuldgevoel van vrouwen jegens hun gezin (dat weer wortelt in de feminiene mystiek aangezien dit schuldgevoel blijkbaar afwezig is bij manlief) wordt omgezet in een schuldgevoel jegens de overheid. Die investeert immers in dure opleidingen en daar moet de staat natuurlijk wel rendement van kunnen trekken middels de belasting. 

 De sociaaldemocratische minister voegt zich hiermee in een koor van neoliberale moralisten. De overheid is in deze opvatting niet langer een gemeenschappelijk instituut dat de noden en mogelijkheden van burgers op solidaire wijze organiseert. Nee, de overheid is een soort bank, of een grote onderneming, die tot doel heeft het bruto nationaal product te maximaliseren. De producten die deze overheid levert dienen vervolgens wel te renderen. Wanneer dat niet gebeurt, trekt deze overheid een morele kaart richting de eigen burgers. En bijna altijd komt die kaart neer op een aansporing om weer aan het werk te gaan. Lees hiervoor ook het mooie stuk over mantelzorg van Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak in de NRC van dit weekend.

 Een waarlijk progressieve overheid stelt burgers juist in staat om zich verder te ontwikkelen, in plaats van dat ze zich opstelt als schuldeiser. De overheid is een gezamenlijk initiatief om de wereld rechtvaardiger te maken, niet slechts om ons rijker te maken. Het is een naïef idee dat de feminiene mystiek ontmaskerd kan worden door vrouwen met nog een schuldgevoel op te zadelen. Ik geloof er namelijk geen donder van dat veel van die vrouwen het zo fijn vinden om zich in een afhankelijke positie te bevinden. Dat ze het huisvrouwenbestaan verkiezen boven een bestaan als werkend individu. Ze maken een keuze omdat iedereen in hun omgeving dat doet en omdat mannen het weigeren om een stap terug te doen. 

 Ik mis eigenlijk een minister – bij voorkeur zelf een man – die mannen aanspreekt op hun starre houding. Helaas. Mannen die minder werken. Dat levert veel minder op. 

Kinderopvang en het goede leven

Bijna 40% van de Nederlandse bevolking is van mening dat vooral ouders zelf voor de financiering van hun kinderopvang moeten opdraaien, kopte NU.nl recentelijk op grond van cijfers van het CBS. Het is een groeiend sentiment, waarbij het krijgen van kinderen – en het afnemen van kinderopvang –  eerder als een persoonlijke luxe wordt gezien, dan als een logisch onderdeel van een mensenleven. Als je voor kinderen kiest, dan moet je ook de financiële consequenties daarvan maar inzien: het is oneerlijk om dat af te wentelen op de maatschappij en op mensen die geen (jonge) kinderen hebben. Immers: de vervuiler betaalt. Zijn kinderen daadwerkelijk een individuele luxe die de maatschappij slechts geld kosten, zoals het hebben van bijvoorbeeld een hond of een auto?

Kinderen als luxegoed: nog geen honderd jaar terug en nog steeds in grote delen van de wereld was daar nog geen sprake van. Kinderen krijgen was een bittere noodzaak: ze waren je enige pensioenvoorziening. Wie zou je anders verzorgen als je dat zelf niet meer kan? Daarnaast leverden kinderen al vrij vroeg wat op: door bijvoorbeeld mee te werken in fabriek of bedrijf en in het huishouden de moeder te ondersteunen. Naarmate de overtuiging opgeld deed dat kinderen geen arbeid dienden te verrichten,  met het kinderwetje van Van Houten en later de Leerplicht in praktijk omgezet, werden kinderen steeds meer een kostenpost dan dat ze iets opleverden. Toch was het krijgen van kinderen nog een geaccepteerd onderdeel van elk mensenleven. Voorbehoedmiddelen waren er nog niet zoveel bovendien stimuleerden de meeste religieuze tradities het krijgen van kinderen. Vader of moeder zijn was een erkend onderdeel van wat de meerderheid in het land zag als het goede leven.

De seksuele revolutie en de ontkerkelijking van de jaren zestig en zeventig bracht hier verandering in. Vooral de komst van de pil maakte het voor vrouwen gemakkelijk om zwangerschap veel beter te controleren. Steeds meer werd het krijgen van een kind gezien als een keuze, niet iets dat je overkomt. In de jaren die daarop volgden stelden vooral hoger opgeleide vrouwen het krijgen van kinderen steeds langer uit om eerst carrière te kunnen maken. De voortgaande emancipatie maakte het krijgen van kinderen een bewust besluit van vrouw en man, omdat niet alleen de vrouw automatisch zou stoppen met werken om voor de kinderen te zorgen, maar die zorg steeds meer een verantwoordelijkheid voor beide werd.

Als het worden van vader of moeder geen ‘natuurramp’ (zoals feministe Joke Smit het ooit uitdrukte) is die je kan overkomen, is het dus een keuze. In de individualistische en neoliberale keuzemaatschappij die volgde na de jaren zeventig, werd een keuze vooral gezien als een rationele, gecalculeerde afweging van voor- en nadelen waar je vervolgens een netto winst uit haalt. De bekende uitdrukking: ‘je krijgt er zoveel voor terug’ is een typisch verwoording van dat marktdenken, waarin elk individu zich gedraagt als een klein bedrijfje. Je offert wanneer je ouder wordt een heel leven en een groot deel van je vrijheid en nachtrust op, maar gelukkig genereert deze transactie een hoog dividend aan gelukkige ‘quality time’ met de kinderen. Op zo’n moment is kinderen krijgen een transactie in de markt en zijn de kosten van kinderopvang ieders eigen verantwoordelijkheid, zoals de samenleving ook niet de garage subsidieert waar je je auto in parkeert.

Het probleem van deze zienswijze, is dat het economisch nutsdenken volstrekt waardeloos is om het besluit van het krijgen van kinderen in uit te drukken. De investering in kinderen is zo gigantisch groot, en dan heb ik het niet alleen over geld maar vooral over tijd, vrijheid en zeker die eerste jaren in bijvoorbeeld slaap, dat het bijna niet te plaatsen is tegenover het geluk dat het oplevert. Want hoe meet je geluk? En hoe meet je de investering? Hoe trek je het ene van het andere af? En is het echt zo dat geluk gelijk staat aan een slinger van gelukkige momenten? Is dat waarom we het doen?

Anders dan veel van de momenteel populaire ‘gelukseconomen’ beloven, is geluk niet meetbaar en niet af te zetten tegen verdriet. Je kunt momenten van geluk niet ‘optellen’ en daar het ongeluk van ‘aftrekken’. Dat  is simpelweg niet de manier waarop wij het leven beleven. Geluk is iets anders dan een tijdelijk gevoel, een sentiment. Geluk is een tevreden visie op het leven die voorbij het moment ligt. Geluk is bijvoorbeeld het voortdurende bewustzijn dat je deel uitmaakt van een gezin waarin iedereen zijn plek heeft. Ook de identiteit en maatschappelijke activiteit die een betaalde baan biedt zijn belangrijke drijvers van geluk. Maar niemand wordt gelukkig van het kopen van een nieuwe iPad (ook al kan je er heel blij van worden en er veel plezier aan beleven). De iPad verandert namelijk niets wezenlijks aan je blik op het leven, het gaat hier niet om een existentiële keuze.

Waar de speurtocht naar plezier en genot vaak een individueel project is (de een wordt blij van een iPad, de ander van het rennen van de Dam tot Damloop), steekt het verlangen naar een gelukkig leven boven de mens als individu uit. Geluk heeft te maken met identiteit, met deel uitmaken van grotere verbanden, met een gevoel van zingeving. Het is iets heel wezenlijks in een mensenleven. Een progressieve politiek zou een scherp onderscheid moeten maken tussen keuzevrijheid in nutsbevrediging (waar feitelijk de meeste linksliberale politiek mee geobsedeerd is) en het scheppen van gelijke kansen om een gelukkig en goed leven te leiden. De staat is geen geluksmachine, maar kan wel voorkomen dat sommige mensen moeilijker toegang hebben tot dat geluk, dan anderen.

Voor de meeste mensen is het nemen van kinderen nog altijd onderdeel van het goede leven. Maar dat geldt ook voor het hebben van een baan en een toekomstperspectief op de arbeidsmarkt. Die arbeid is bovendien maatschappelijk hard nodig. Kinderopvang is echter verschrikkelijk duur. Voor drie dagen kinderopvang van een kind betaal je al gauw tussen 800 en 900 Euro per maand. Iedereen kan uitrekenen dat dit voor gezinnen met een modaal inkomen vrijwel onbetaalbaar is (en met twee kinderen al helemaal). Wanneer de overheid geen toeslag meer betaalt dan worden deze gezinnen gedwongen om of minder te werken of hun opvang via via te regelen, de zogenaamde ‘rommelopvang’. Dan weer bij de een, dan weer bij de ander, wat de zo noodzakelijke stabiliteit voor kinderen niet ten goede komt. Het enige alternatief is geen of minder kinderen te krijgen. Een erg wrange optie, omdat op die manier mensen de toegang tot een bepaald geluk onthouden wordt simpelweg omdat ze minder verdienen.

Kinderen krijgen is geen luxe, maar behoort tot datgene wat de meeste mensen definiëren als het goede leven. Dat doet niet af aan andere keuzen die in het leven gemaakt kunnen worden, maar het blijft dat het ouderschap een andere categorie is dan veel meer consumptieve keuzes in het leven. Dat 40% van de Nederlanders blijkbaar vindt dat ouders met kinderen het zelf maar moeten uitzoeken, is een teken aan de wand in deze tijd. Het bevestigt maar weer eens hoe mensen zichzelf zijn gaan definiëren als atomaire individuen. Elke gezamenlijke visie op het goede leven wordt ontkend en tot een individueel – en daarom voor sommigen onbetaalbaar – project gemaakt. Een uitholling van de meest wezenlijke solidariteit.

Want laten we eerlijk zijn: kinderen krijgen is geen luxegoed, net zo min als het hebben van betaald werk een luxe zou moeten zijn. Die kinderopvang is daarom een redelijke en vooral hele menselijke vorm van solidariteit. Het zou een van de laatste zaken moeten zijn, waar een regering op bezuinigt.

Geschreven: januari 2013

Het mannenparadijs (terug van weggeweest)

Al weer enige maanden heb ik dit blog verwaarloosd. Grote drukte in mijn persoonlijke leven, waaronder een verhuizing van Amsterdam naar Hilversum, maakte het voor mij moeilijk om ruimte hiervoor te maken. Maar we zijn inmiddels over, we wonen hier prachtig en zo nu en dan kan ik weer wat tijd vinden om te schrijven.

Niet dat ik de afgelopen maanden helemaal niet geschreven heb. Zo schreef ik voor het blad Elan een essay over het mannenparadijs van vroeger, over relaties tussen vrouwen en mannen en over het manco van de discussie rond de combinatie van werk en zorg. Hier kun je het artikel in PDF vinden:

http://www.elanexpertise.nl/sites/elan.antenna.nl/files/u3/documenten/5-10_mannenparadijs.pdf

Voorts schreef ik in januari dit jaar nog een artikel over kinderopvang en solidariteit dat ik nooit gepost heb. Dat artikel post ik hierna.

Waar gaat het heen met die crisis? David Harveys analyse

Dit weekend schreef het nrc dat de crisis alweer vijf jaar aan de gang is en er is nog steeds geen duidelijkheid of enige hoop op herstel. Geen enkel stuk dat ik over dit onderwerp lees in de kranten geeft een bevredigend antwoord op wat er nu aan de hand is. Ik lees over doorgeschoten deregulering bij de banken, waar een immorele macho-cultuur is ontstaan gevoed door bonussen aan de ene kant maar een even gemakkelijk ontslag aan de andere kant. Maar zo gemakkelijk zit het allemaal vast niet in elkaar, dan was er eenvoudig iets aan de te doen geweest. De crisis is systemisch, er is iets ongelooflijk mis met de economische lapmiddelen die destijds bedacht zijn om de vorige crisis van de jaren zeventig op te lossen. En de problemen kunnen niet met pleisters worden opgelost.

Kapitaaloverschot

In The enigma of capital geeft David Harvey, een Amerikaanse professor in de antropologie, een overkoepelende visie op de crisis en de economische ontwikkeling van de laatste decennia. De essentie van zijn denken is eigenlijk simpel: het kapitalistische systeem is verslaafd aan groei, gemiddeld 3% per jaar. Zonder groei stort het hele kaartenhuis ineen. Die groei levert namelijk een permanent overschot aan kapitaal op dat weer opnieuw geïnvesteerd moet worden: ‘ a capital surplus absorpion problem’. Gemiddeld 3% per jaar kan hoog oplopen, reken maar uit. Dus er moeten steeds weer nieuwe plekken gevonden worden om dat kapitaal te investeren zodat het weer verder kan groeien. Wanneer het ergens niet rendeert, wordt een andere plek gekozen waar het dat wel doet.

Na de tweede wereldoorlog bloeiden de economieën van de westerse wereld als nooit tevoren. Dit had aanvankelijk te maken met de wederopbouw: vanuit het niets van de vernietiging van de oorlog kan je hard groeien. De groei bracht vooral in West-Europa de mogelijkheid om ook flinke welvaartsstaten op te tuigen. Die economische groei kwam begin jaren zeventig piepend tot stilstand en dat leidde tot een enorme crisis. Die crisis ging niet alleen om olie, maar om veel meer: de productie in West-Europa en de VS was te duur geworden en de rendementen op het geinvesteerde kapitaal werden te laag. Deze crisis van de jaren zeventig werd vooral in de VS ‘opgelost’ door middel van financialisering: het werd banken door middel van deregulering mogelijk gemaakt om steeds grotere bedragen uit te lenen. Met andere woorden: het opgepotte kapitaal uit het westen werd vooral buiten de landsgrenzen ingezet om verder te kunnen groeien. Was de economie van voor de jaren zeventig vooral nationaal gericht, sinds die periode is het kapitaal geglobaliseerd.

Dat is een ontwikkeling die sinds de jaren zeventig heeft doorgezet. Verzorgingsstaten werden  steeds verder  afgebroken. De politiek maakte daarbij gebruik  van allerlei argumenten, sommige van praktische aard, sommige met een bepaalde moralistische inslag (de calvinistische nadruk op hard werken waar ik het in een eerdere blog over had). De essentie is echter dat kapitaal voortdurend moet groeien. Hele nieuwe arbeidsmarkten werden opengebroken, zowel hier (vrouwen gingen steeds meer deelnemen aan het economisch verkeer) als in het buitenland (denk aan outsourcing). De vrouwemancipatie was natuurlijk een autonome ontwikkeling, maar de weg die de emancipatie heeft genomen (die er in feite op neerkomt dat er per huishouden meer arbeid wordt geleverd) komt de groei van kapitaal wel verdomd goed uit.

Instabiliteit

Zoals Harvey het brengt is het kapitalisme dus een systeem dat zichzelf voortdurend reproduceert en daarbij in allerlei situaties, in wisselwerking met andere sferen van de samenleving, tot nieuwe variaties komt: dan weer een Rijnlands model, een Scandinavisch, Angelsaksisch of een Chinees model. Het kapitaal verplaatst zich steeds naar dat punt waar het meeste rendement gehaald kan worden. Het hecht zich niet aan een specifieke elite maar het creëert wel voortdurend elites en inkomensverschillen tussen arm en rijk. In zijn behoefte aan groei loopt het kapitalisme voortdurend tegen allerlei grenzen aan, dat zijn crises, die gepaard gaan met gigantische ellende, ‘creatieve destructie’, ontwaarding van kapitaal en verlies van banen en inkomens van miljoenen mensen. Kapitalisme is in essentie instabiel en gevaarlijk en kan met gemak de levens van velen verwoesten.

Dat financiële kapitalisme dat in de jaren zeventig ontstaan was liep in 2007 tegen zijn eigen beperkingen aan. Steeds verdergaande financiële producten hadden het steeds weer mogelijk gemaakt om nog meer te investeren op krediet, totdat er iets helemaal misging met de subprime hypotheken in de VS. De rest is geschiedenis.

Zal het Westen daar nu weer bovenop komen? Komen we met wen nieuwe truc, zoals dat gebeurde in de jaren zeventig, om onze rijkdom en hegemonie te behouden, of dendert het kapitalisme vrolijk door en verplaatst het domweg zijn hegemoniale zwaartepunt naar China en India en wellicht Brazilië, terwijl wij hier onze verzorgingsstaten krampachtig kapot bezuinigen om weer concurrerend te worden?

Marx

David Harvey is een marxist en gelooft dat uiteindelijk het hele kapitalistische systeem omvergeworpen zal moeten worden. Hij keert zich daarbij tegen de dictatoriale plan-economieen van de Sovjet-Unie of Communistisch China, maar gelooft niettemin in een revolutionaire omwenteling waarin alles helemaal anders moet. Belangrijk daarbij is dat we rekening moeten houden met 0-groei of zelfs eeen krimpende economie. Er moet minder nadruk komen op materiële welvaart en meer op andere vormen van ontwikkeling.

Recent las ik in nrc.next hoe ontzettend ongelijk de welvaart verdeeld is. Dat 91.000 mensen in de wereld een derde van de welvaart bezitten, terwijl de armste helft samen ongeveer 1% bezitten. Zulke verschillen zijn bijna absurd en kunnen op geen enkele wijze worden goedgepraat.

Het revolutionaire marxisme van Harvey is mij vreemd, ik heb altijd geloofd in vreedzame, democratische omwentelingen. Toch vind ik zijn analyse knap en na vijf jaar crisis veel vruchtbaarder dan alle verklaringen en oplossingen van de zogenaamde experts in de kranten. Die experts – die meestal redeneren vanuit conventionele, neoklassieke modellen, zagen de crisis immers ook allemaal niet aankomen. Wat het me leert is dat het helemaal niet verkeerd zou zijn als we in Nederland deze verkiezingen met ons allen maar eens goed links gaan stemmen. Ik vertrouw de verhalen van rechts over de economie niet, ik geloof ook niet dat rechts onze welvaart gaat redden. Als we allemaal naar de ratsmodee gaan, dan liever maar eerlijk en rechtvaardig naar de ratsmodee! Want zo erg kan het niet zijn om wat gas terug te nemen na jaren van overvloed, waarin iedereen zich voor al die rijkdom vooral massaal een burnout in gewerkt heeft. Er is toch echt meer onder de zon.

Macho-calvinisme

Wanneer de verkiezingen dichterbij komen zal ook de welbekende daverende retoriek weer eens de vaderlandse media doen trillen. In deze tijd van crisis, met het clichematige geschreeuw om ‘leiderschap’, valt te verwachten dat politici weer eens een wedstrijdje gaan doen wie de stoerste is. Een elan van machismo zal over de lijsttrekkersdebatten heendalen. Wat zo typerend is aan Nederland, is dat het machismo altijd een calvinistisch kantje heeft. Politici zullen gaan slaan op de trom van het macho-calvinisme: een oerhollandse boterham met ontevredenheid, gezet in de competitieve taal van het wereldomvattende testikeldom.

Onnederlands machismo
Machismo is geen Nederlands begrip. Het woord komt uit Zuid-Europa en het heeft veel te maken met de culturele wijze waarop mannelijkheid daar ge-uit wordt. Dat is: een man die vooral zichtbaar is buitenshuis, die openlijk veel vrouwen versiert, die de bloemetjes buiten zet en het breed laat hangen. Machismo staat voor uiterlijke status, voor het zorgvuldig onderhoud van de masculiene facade. Maar dan wel van het soort mannen dat tot in lengte van dagen bij hun moeder blijft wonen.

Dat soort machismo hoort niet bij Nederlanse mannen. Nederlandse mannen en vrouwen zijn er zelfs een beetje bang voor. Denk maar aan de angst voor het gesis op straat van het uit Marokko geimporteerde machismo. Dat neemt niet weg dat Nederlandse mannen hun manier hebben gevonden om een hierarchie te formeren. Dat doen ze echter niet door middel van zichtbare opschepperij en openbare uitingen van viriliteit, maar via het zuinige, zelfopofferende en zure calvinisme, dat hier al sinds de zestiende eeuw het levensplezier bederft.

Zure zelfopofferende hardwerkende Nederlanders
Calvinisten geloven werkelijk dat het ons nederige zondaars niet gegund is om plezier te hebben of een leven te leiden wat overeenkomt met onze innerlijke behoeftes. Nee, wij moeten werken in het zweet ons aanschijns. Veertig uur op zijn minst, en eigenlijk wel zestig. Langzamerhand is bij de ontkerkelijking de religieuze achtergrond van dit streven verdwenen en vervangen door zogenaamd economische motieven: denk aan de staatsschuld, de economische groei of de verschrikkelijke concurrentie uit India en China. De zelfopofferende calvinist is veranderd in een ‘hardwerkende Nederlander’.

Het machismo – in retorische zin – zit hem in de mate van zelfopoffering. Hoe harder je werkt, hoe meer je jezelf opoffert, hoe meer je bij de stoere jongens hoort. En als je minder werkt, werkloos bent, bij de overheid werkt, kunstenaar bent, ‘links’ stemt of via stakingen opkomt voor je recht, ben je eenafhankelijke parasiet, een profiteur, een inferieur persoon die plezier maakt met behulp van andermans zuurverdiende belastingcenten.

Vooral die zuurverdiende centen. De Nederlandse macho-calvinist moet natuurlijk heel veel leuke dingen opzij zetten om zich elke dag weer naar zijn vervelende baan te slepen. Die baan is blijkbaar niet leuk, want waarom zou hij anders een ‘hard’werkende Nederlander zijn? Dan zou hij een vrolijkwerkende Nederlander zijn en dat klinkt toch weer heel anders en is retorisch niet zo effectief. Feit is blijkbaar dat veel Nederlanders een onprettige loonwinning hebben anders waren ze niet zo gevoelig voor dat hardwerkende stijlfiguur. Die narigheid maakt dat ze op het einde van de dag zitten met een restfrustratie, een murkige opeenstapeling van ontevredenheid, gefnuikte dromen en een gevoel tekortgedaan te zijn. Wellicht hadden ze liever meer tijd doorgebracht met hun kinderen, iets creatiefs gedaan dat geen marktwaarde heeft, of gewoon eens de tijd te genomen om werkelijk over de dingen na te denken. Van die dingen die de meeste mensen zich pas vlak voor hun dood realiseren.

Restfrustratie
Om echter die restfrustratie te kanaliseren wordt die door rechtse retoriek naar buiten gericht. Dan komt machismo weer om de hoek kijken, want er zijn altijd anderen om op te spugen, om bovenop te gaan staan. Dat kunnen die luie Grieken uit Zuid-Europa zijn, gevaarlijke staatsondermijnende moslims, uitkeringstrekkers, De ‘linkse grachtengordel’, de overlastgevende Polen enzovoort. Zolang de hardwerkende Nederlander zijn frustraties buiten zichzelf plaatst, hoeft hij niet na te gaan denken waarom hij alweer zo hard werkte (en zulk vervelend werk deed).

Misschien wel het meest onuitstaanbare aan het calvinistische machismo is dat die zo ontzettend moralistisch is. Het is die nare protestantse werkethiek die voortdurend maar wordt aangehaald, met de dreinende boodschap dat ‘we’ weer harder moeten werken (40 uur!) en de broekriem aanhalen. Is het nou zo moeilijk om gewoon eens toe te geven dat het helemaal niet nodig is om steeds harder te werken en rijker te worden? Dat we ver genoeg zijn qua techniek en ontwikkeling om iedereen in dit land meer dan genoeg te laten hebben om gelukkig te zijn met 0-groei? Dat we alleen maar onze prioriteiten wat anders moeten leggen en de koek iets beter moeten verdelen?

Dat moraliserende rechtscalvinisme verziekt al veel te lang de sfeer in dit koude, natte landje. Laten we er dit keer gewoon eens niet in meegaan. Genoeg is genoeg. Ophouden. De zon schijnt. Tijd voor iets heel anders.

Strenge vaders

De strenge vader is weer helemaal ‘in’. Nu de emancipatie van mannen steeds meer oprukt, ‘papadagen’ hen in staat stellen om een inhaalslag te maken in de opvoeding van zijn kinderen, beginnen zich stemmen te roeren die oproepen tot de ouderwetse strenge vader. Pedagoog Steven Pont is er zo-een. Bij de lancering van zijn boek – een aardig overzicht van wetenschappelijk onderzoek op het terrein van het opvoeden van kinderen – moest hij onmiddelijk aan de Volkskrant kwijt dat hij een strenge vader was. Alsof het iets is om trots op te zijn. In een recent artikel in Trouw verkondigde hij zelfs dat vaders niet moesten ‘vermoederen’. Om vervolgens met de bekende breinriedel te komen waarom vaders zo uniek en anders zijn dan vrouwen en zich niet de les moesten laten lezen in de opvoeding. Het was zelfs tijd voor een ‘masculiniseringsgolf’ na de twee feministische golfen. Blijkbaar zit de moderne vader volgens Pont vreselijk onder de plak.

Het is wel interessant om op het bovengenoemde frame in te gaan. Ik ben niet zo van de neurokul, daarmee bedoel ik de pseudo-wetenschappelijke claims dat mannen biologisch gedetermineerd zijn tot ander gedrag dan vrouwen. Die is vooral een excuus voor onverantwoordelijke mannen om hun gedrag niet te hoeven veranderen omdat zij nu eenmaal’ hun brein’ zijn. Voor diegenen die denken dat al dat onderzoek boven enige twijfel verheven is, leze Cordelia Fine’s Delusions of Gender. Maar daar wil ik het eigenlijk helemaal niet over hebben. Het probleem van al die biobrabbel is dat het de discussies over het gedrag van mannen en vrouwen – in dit geval over opvoeden – verziekt. Het hele discours over hormonen is zodanig het denken van mensen binnengedrongen dat het bijna onmogelijk is om een normale, meer normatieve discussie over een dergelijk onderwerp te beginnen zonder verzeild te raken in nature versus nurture discussies.

Opvoeden is bij uitstek een onderwerp waar op een meer normatieve wijze over gesproken zou moeten worden. Een serieuze opvoeding weerspiegelt de waarden die je als ouders hebt. Sekse of gender is daarbij totaal niet relevant, het gaat erom wat je je kind graag wil meegeven en welke weg daarnaartoe het beste bij je eigen overtuigingen past. Soms betekent opvoeden ook dat je je eigen gedrag als ouder moet aanpassen, dat je bijvoorbeeld niet vloekt in het bijzijn van je kinderen omdat je dat samen hebt afgesproken. Dat je soms je eigen ongerustheid onderdrukt, omdat je bijvoorbeeld je kind de vrijheid gunt om alleen uit te gaan. Dat je je verbijt als je kind al haar eten op de grond gooit, omdat ze het zelf eten nu eenmaal een keer met leren. Opvoeden vergt dus een bepaalde zelfcontrole. Het vergt dat je je niet overgeeft aan allerlei primaire emoties, of die nu betiteld worden als ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’. Opvoeden betekent ook dat je je als ouders tegenover elkaar niet verschanst in stellingen, maar dat je het gesprek aangaat over wat belangrijk is en wat niet.

Natuurlijk hebben twee individuen een verschillende stijl. Dat kan met mannelijkheid of vrouwelijkheid te maken hebben. Met persoonlijkheid. Met eigen opvoeding. Hoe dan ook is het zaak om die stijlverschillen niet in de weg te laten komen van de gedeelde en besproken ideeen over ouderschap. Op dat moment is enige zelfcontrole noodzakelijk, of moeten pa en moe opnieuw rond de keukentafel.

Wat dan niet helpt, zijn gratuite pleidooien over mannen die hun eigen unieke opvoedmethode hoe dan ook moeten doordrukken, omdat ze niet mee willen doen aan dat ‘zachte gedoe’ van hun vrouw. Daar wordt niemand gelukkig van, en zelfbenoemde opvoedgoeroe’s zouden beter moeten weten dan dit soort ondoordachte uitspraken de media in te slingeren.

Een vadervriendelijker Nederland

Dit is de tekst van een lezing die ik 18 juni 2011 gaf bij een bijeenkomst van FEMNET van GroenLinks.

Drie weken terug ben ik vader geworden van een gezonde dochter. Ik heb dan ook een bijzondere periode achter de rug. Van de kraamhulp leerde ik hoe ik het meisje moet voeden, hoe ik luiers moet verschonen, hoe ik haar in bad moet doen, af moet drogen en insmeren met babyolie. Ik heb door schade en schande geleerd hoe ik haar spartelende lichaampje in de kleertjes moet hijsen. Bovenal heb ik kunnen ervaren hoe ze ruikt, hoe ze voelt in mijn armen, hoe ze zich beweegt. Ik heb ontdekt hoe ik haar moet troosten als ze om de een of andere reden verdrietig is, wat haar kirrende, pruttelende geluidjes en scherpe huiltjes betekenen: wanneer ze wil eten, een poepluier heeft of gewoon getroost wil worden. De afgelopen weken ben ik verliefd geworden op mijn kleine Juno en zij voelt zich veilig en geborgen bij mij.

Dat heb ik allemaal kunnen doen omdat ik de afgelopen tijd vrij kon krijgen. Niet van overheidswege, helaas, maar omdat ik in overleg met mijn werkgever vakantiedagen kon opnemen op het moment dat mijn vrouw beviel. Ik prijs mijzelf daarin gelukkig: niet alle mannen hebben die mogelijkheid. Het Nederlandse vaderverlof duurt slechts twee dagen, exclusief één dag calamiteitenverlof tijdens de bevalling en is daarmee een van de laagste van Europa. Dat is niet alleen onrechtvaardig: omdat vrouwen die toch al een voorsprong hebben in het opbouwen van een band met hun kind in het bevallingsverlof van minimaal tien weken veel meer tijd hebben om aan hun kind te besteden. Wettelijke regelingen binnen de verzorgingsstaat hebben niet alleen een praktische functie, het zijn ook signalen,  versteende waarden. Het Nederlandse vaderschapsverlof symboliseert hoe wij over mannen en hun relatie tot kinderen denken. Het lijkt alsof de wetgever met de armzalige twee dagen vaderschapsverlof tegen de Nederlandse mannen wil zeggen: blijven jullie maar weg bij kleine kinderen. Daar hebben jullie niets te zoeken.

Het idee dat een man een zorgende rol niet past, maar dat hij slechts een ondersteunende functie heeft binnen het gezin is hier wijdverbreid. Toen ik een collega vertelde over de drie weken verlof die ik nam voor mijn dochter, keek zij mij verbaasd aan. De eerste week was er immers een kraamhulp in huis, dus hoefde ik niets te doen? Alsof mijn rol alleen praktisch is, de emotionele band die ik op wil bouwen met mijn dochter er totaal niet toe doet. Op dat soort momenten merk je dat je op diepliggende overtuigingen van mensen stuit.

Bij de intake voor de kraamzorg kregen mijn vrouw en ik ook een ietwat wonderlijke vraag. Er was namelijk een mannelijke kraamverzorger in dienst bij het door ons gekozen bureau. Of wij daar eventueel bezwaren tegen zouden hebben? Bezwaren? Zouden ze bij een islamitisch gezin ook vragen of er bezwaren zijn tegen een joodse kraamhulp? Bij een streng-christelijk gezin of ze problemen hebben met een lesbische? Een discriminerende vraag, die ik als man als beledigend ervoer. Volgens de mevrouw van de kraamzorg zei echter 60 procent van de mensen ‘nee’ tegen een mannelijke kraamverzorger. Wat maar weer aangeeft dat een zorgende man nog altijd not done is.

Toegegeven: de recente schandalen rond pedofielen in de kinderopvang in Amsterdam hebben mannen die zorgen verdacht gemaakt. Als ouder wil je dit soort gevaren nu eenmaal helemaal uitsluiten voor je kind. Maar alle ophef rond de ontuchtzaak in Amsterdam bevestigde vooral dieperliggende vooroordelen over mannen en kinderopvang. Een man die voor kinderen wil zorgen: diens intenties kúnnen gewoon niet goed zijn.

In het boek Veilig door de kraamtijd van zwangerschap- en borstvoedingsgoeroe Beatrijs Smulders staat een hoofdstuk over de rol van de man. Daarin wordt beschreven dat de hechting tussen moeder en kind het allerbelangrijkst is en dat de vader zuiver een faciliterende taak heeft. ‘Jij houdt de zaak draaiende en brengt structuur aan in die woelige tijd, zodat moeder en kind zoveel mogelijk in harmonie samen kunnen zijn.’ Het is dit soort teksten die mannen al meteen een bepaalde richting uitduwen. De traditionele, afstandelijke rol van provider.

Dit terwijl uit de pedagogiek bekend is dat een kind zich niet alleen aan de moeder, maaraan twee tot drie stabiele personen in de omgeving kan hechten, ongeacht sekse of zelfs familieband. Hiermee heeft de natuur zich voorbereid op het wegvallen van de moeder. Moeders hebben natuurlijk wel een voorsprong op vaders: zij hebben immers het kind negen maanden in zich gedragen en geven vaak ook borstvoeding. Dat maakt het des te belangrijker dat vaders al erg vroeg veel aandacht aan hun kinderen kunnen besteden. Ze hebben immers een achterstand in te halen. Toch is ons het Nederlandse systeem ingericht om de natuurlijke verschillen tussen man en vrouw op het gebied van zorg alleen maar uit te vergroten.

Conservatieven werpen in dit soort discussies vaak tegen dat, los van de bekende voor de hand liggende verschillen tussen man en vrouw, ook hun hersenen sterk verschillen. Man en vrouw zijn in essentie verschillend: vrouwen zijn gebouwd om te zorgen, mannen om te jagen. Mannen zijn van nature niet goed met kinderen en dat zal ook altijd zo blijven. Qua bewijs wordt vaak gewezen op een stroom van onderzoek, vooral binnen de evolutiebiologie, over de essentiële verschillen tussen man en vrouw. Onderzoeken die oude vooroordelen bevestigen, doen het inderdaad goed in de media en leveren de wetenschappers die publiceren veel aandacht en credits op.

Veel van dit soort onderzoek – dat het goed doet op de ‘Vrouw-‘ pagina van de Telegraaf – wordt echter op een slechte en onbetrouwbare wijze uitgevoerd. Publiciste Cordelia Fine toont aan hoe maar al te vaak seksevoordelen door verkeerde onderzoeksmethoden in wetenschappelijke conclusies terecht komen. Het is het soort van kritiek dat veel minder vaak de populaire pers haalt: het bevestigen van vooroordelen verkoopt over het algemeen beter dan het op losse schroeven zetten van de eigen aannames. Intussen hebben al die ideeën over mannen als ruwe, lompe, vrouwenverslindende jagers wel degelijk invloed op het beeld dat mannen over zichzelf hebben met betrekking tot de vaardigheden benodigd om te zorgen.

Terwijl er veel bewijs is dat de mate waarin mannen zich bezighouden met zorg cultureel bepaald is. Anders dan veel van het evolutiebiologisch onderzoek doet vermoeden, zijn het juist samenlevingen van jagers en verzamelaars waarin mannen veel actiever zijn in de zorg voor kinderen. Bij een jagende pygmeeënstam in Afrika, de Aka, die genetisch verwant zijn aan de oudste soort mensen, houden mannen hun kleine kinderen bijvoorbeeld  bijna de helft van de tijd vast of vlak in de buurt. Een en ander zet de gangbare theorieën over de evolutionaire oorsprong van de genders op hun kop.

De huidige beeldvorming maakt mannen onzeker en verlegen in het opbouwen van een duurzame relatie met hun kinderen. Persoonlijk geloof ik niet dat het bij veel mannen daadwerkelijk onwil is dat ze na drie dagen weer op kantoor rondlopen, of een huilend kind in paniek aan hun vrouw overhandigen omdat ze niet weten wat ze ermee aan moeten. Het probleem is dat in Nederland de algemeen aanvaarde ideeën over zorg en mannen nog steeds oerconservatief zijn. Dat terwijl intensief vaderschap goed is voor zowel kinderen als de mannen zelf.

Een gezonde hechting met de vader heeft voor kinderen op lange termijn veel voordelen. Naast de voordelen van veilige hechting op zichzelf, dat helpt bij een gezond zelfbeeld, heeft hechting met de vader nog specifieke effecten. Uit onderzoek van de Britse ontwikkelingspsycholoog Michael Lamb blijkt dat dit invloed heeft op de wijze waarop een kind in het latere leven relaties met het andere geslacht aangaat en hoe het in de adolescentie met leeftijdgenoten omgaat. Vaders zijn dus niet alleen de beschermers van de band tussen moeder en kind, ze kunnen ook zelf een specifieke toegevoegde waarde leveren aan gezonde relaties in het leven van kinderen.

Discovery channel ondervroeg drieduizend Europese mannen over wat zij van belang achten in hun leven, waarbij negentig procent aangaf dat de zorg voor kinderen hen gelukkiger maakte. Het Zweedse Karolinska instituut deed onderzoek onder 72.000 mannen en ontdekte dat vaderschapsverlof (dat in Zweden al dertig jaar bestaat) een positief effect heeft op hun levensverwachting. Zorgende mannen worden ouder en zitten beter in hun vel.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over de emancipatoire voordelen van een intensievere band tussen man en kind. Als vaders meer zorgen geeft dat moeders de ruimte om dat iets minder te doen zonder dat kinderen daaronder lijden. Deze vaders maken het mogelijk dat minder druk en stress bij enkel de moeder terecht komt en geven haar meer vrijheid en flexibiliteit. Kinderen zijn minder een last en meer een bron van geluk. Dat blijkt ook uit het geboortecijfer in de kindvriendelijke Scandinavische landen, dat tot de hoogste in Europa behoort. Een groeiend geboortecijfer zal ook voor Nederland cruciaal zijn in de bekostiging van de verzorgingsstaat in de toekomst.

Het wordt dus tijd dat Nederland vadervriendelijker wordt. Vadervriendelijker maak je Nederland door vaders zowel praktisch als emotioneel in staat te stellen om een zorgende rol te vervullen. Dat kan door institutionele veranderingen door te voeren, bijvoorbeeld door het betaalde vaderverlof te verlengen tot minimaal een maand.

Door voordelige regelingen of subsidies zouden mannen extra gestimuleerd moeten worden om bijvoorbeeld ouderschapsverlof op te nemen. Het is nu nog te vaak zo dat gezinnen, omdat mannen nog altijd gemiddeld meer verdienen dan vrouwen,  vanuit financiële redenen ervoor kiezen om enkel de vrouw ouderschapsverlof te laten opnemen.

Vadervriendelijkheid betekent ook de beeldvorming rond mannen en zorg zou moeten worden aangepakt. Zorgvaderen zou geen voorrecht moeten zijn voor hoogopgeleide bakfietsvaders, het zou gezien moeten worden als een natuurlijke consequentie van de keuze voor kinderen. Steeds meer zullen we eraan moeten wennen dat ook mannen een bepaalde periode van hun leven minder zullen werken en meer zullen zorgen. Dat kan door van overheidswege actief een visie te promoten waarin vaders een grotere rol in de opvoeding van hun kinderen spelen. Ik zie dat meer in gerichte voorlichting naar aanstaande ouders en brede publiekscampagnes rond beeldvorming dan in het zo nu en dan uitreiken van een prijs aan een ‘moderne vader’.

De tijd is voorbij dat mannen slechts toeschouwers konden zijn bij de opvoeding van hun eigen kinderen. Het zorgvaderschap is een verrijkende ervaring. Het is onrechtvaardig dat dit de Nederlandse mannen door een mengsel van institutionele en sociale belemmeringen wordt onthouden. Tijd voor vadervriendelijke revolutie. Mijn dochter en ik, bevoorrechte mensen dat we zijn, nemen alvast een voorschot.

Like this on Facebook

Boys will be boys? Over mannen en hun slechte prestaties

Jongens houden niet van stilzitten en luisteren’ kopte Nrc.next vorige week. Jongens presteren slechter op de middelbare school dan meisjes, en volgens hoogleraar Tavecchio en anderen heeft dat te maken met de ‘feminisering’ van het onderwijs. Niet alleen op het middelbaar onderwijs blijven de mannen achter op de vrouwen: ook op het hoger onderwijs presteren zij aanmerkelijk slechter. Volgens de Landelijke jeugdmonitor (CBS) studeerden in het schooljaar 2008-2009 in het hoger onderwijs bijna 20 procent meer vrouwen dan mannen. De vereniging van universiteiten (VSNU) meldde in  2007 dat 57 procent van de vrouwelijke universitaire studenten na vier jaar haar bachelor haalde, tegen 33 procent van de mannen. Wat is er met die jongens aan de hand? Eeuwenlang was het hoger onderwijs een mannenbolwerk. Zalen vol jonge kerels die ‘stilzitten en luisteren’ naar de hoogleraar. Hoe is het mogelijk dat de mannen het nu zo laten afweten?

            Dat kan hem toch niet in ‘feminisering’ zitten, aangezien nog geen derde van de universitair docenten vrouw is. Er is iets anders aan de hand met de studerende jongeman en dat heeft te maken met de veranderende rol van de man in de moderne samenleving.

Mannen waren ooit kostwinners. Een grote verantwoordelijkheid lag op hun schouders: het verzorgen van inkomen voor een gezin. Hun omgeving rekende hen daarop af: de sociale controle van kerk en gemeenschap was groot. Mannen waren zich ervan bewust dat ze hard moesten werken om ooit wat te kunnen betekenen. Mannelijke identiteit haalde je uit je volwassen zelfstandigheid en die verkreeg je door hard te studeren en te werken. Man-zijn betekende dat je geen afhankelijk jongetje meer was.

Sinds vrouwen zich zijn gaan emanciperen is die mannelijke identiteit als kostwinner minder vanzelfsprekend: het is niet langer het alleenrecht van de man om de kost te verdienen. Vrouwen kunnen dat net zo goed. Dat levert mannen een identiteitsvacuüm op. Hoe kun je nog een man zijn als vrouwen en mannen op het gebied van werk gelijkwaardig zijn geworden? Een trieste reactie op die ontwikkeling, onder meer gesignaleerd in de Verenigde Staten door de socioloog Michael Kimmel, is dat jongemannen heel lang blijven hangen in wat hij ‘Guyland’ noemt: een fase tussen puberteit en volwassenheid met zijn eigen codes, waarin jongens vooral bezig zijn tegenover elkaar te bewijzen dat ze geen homo zijn. Mannelijkheid stond niet langer tegenover jongensachtigheid, maar tegenover vrouwelijkheid.

Mannen zijn in alle opzichten speelser geworden. Grote beslissingen, zoals een huis kopen, samenwonen en kinderen krijgen worden steeds langer uitgesteld. Jongensachtig gedrag blijft daarnaast ook voor volwassen mannen heel lang ‘done’: computerspelletjes, excessief bingedrinken, naar popfestivals gaan, rücksichtslos vrouwen versieren: mannen houden het tot diep in hun thirties vol. Geen wonder dat mannen het bij de studie laten afweten. Schoolprestaties zijn minder belangrijk voor hun identiteit: je bewijst jezelf vooral in guyland.Die perceptie van de mannelijke identiteit zou moeten veranderen. het werkt averechts haar alleen maar te benadrukken met verhalen over sneue jongetjes die slachtoffers zijn van een feminiene arbeidscultuur. Mannen zouden weer uitgedaagd moeten worden om hun identiteit te ontlenen aan verantwoordelijk, volwassen gedrag.

Dit is niet gemakkelijk te stimuleren binnen het onderwijs zelf, omdat het hier om maatschappelijke problematiek gaat. Echter, steeds vaker zullen de stoere binken, de ‘Peter Pans’ die niet serieus worden en maar blijven spelen het slachtoffer worden van hun eigen gedrag. De regels rond studiefinanciering zijn steeds strenger geworden en deze mannen zullen een groot deel van hun leven met een studieschuld opgescheept zitten. Guyland kent zijn grenzen en vroeg of laat loopt elke vrolijke gesjeesde drinkebroer daar tegenaan. Wellicht wordt het dan tijd om eens te beseffen dat die vrouwen het helemaal zo gek nog niet doen.

Eerder gepubliceerd in Nrc.next van donderdag 1 juli 2010

De fantasieloosheid aan de macht: het kraakverbod

Wat is het toch dat me zo irriteert aan het kraakverbod dat woensdag door de Eerste Kamer heen werd getild? Ik ben zelf nooit kraker geweest, heb noch de noodzaak gehad noch de behoefte gevoeld om mij een leegstaand pand toe te eigenen. Ik weet ook niet of kraken politiek gezien het beste antwoord is op problemen als de woningnood, al is het natuurlijk schrijnend dat er soms hele panden jarenlang leegstaan terwijl een straat verderop mensen geen huis kunnen vinden. Nee, het was iets anders. Het kraakverbod is een symptoom van een Nederland dat steeds verder overwoekerd wordt door een fantasieloze vermarkting van het sociale leven.

Een voorbeeld. De enige momenten dat ik ooit in kraakpanden kwam was tijdens uitgaan. In dat soort panden had je namelijk de leukste technofeestjes. De entree, de garderobe en het drinken waren spotgoedkoop, de zalen waren vaak gedecoreerd met gezellige creatieve knutselwerkjes van de krakers zelf, de muziek pompte en vaak heerste er een gemoedelijke, open sfeer. In de jaren negentig waren dat prettige plekken om te vertoeven, ook voor niet heel kapitaalkrachtige studenten. Ze ademden een vrijheid en ontspannenheid die je tegenwoordig maar zelden tijdens openbare feesten ziet.

Kijk eens naar de grote dancefestivals van tegenwoordig. Bijna allemaal zijn ze commercieel van aard. De entreeprijzen zijn astronomisch, Grolsch, Red Bull en Bacardi sponsoren de drankjes, eten en drinken zijn ontzettend duur, de individuele danstenten worden ook zelf weer gesponsord door weet ik wat voor merken, je wordt voortdurend op je vingers gekeken door ingehuurde kleerkasten van een beveiligingsbedrijf: achter werkelijk alles lijkt een businessmodel te zitten. Er is nauwelijks nog een feestje te vinden dat opgezet wordt door mensen die simpel plezier willen maken en een passie hebben voor muziek, zonder winstoogmerk. De hele festivalscene is zo geprofessionaliseerd dat de verschillende festivals ook nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Overal kun je diezelfde melige pannenkoeken eten, de Thai curry of het verschrikkelijke broodje beenham.

Kraakpanden zorgden jarenlang voor een omgeving in de Nederlandse cultuur waar mensen samen met iets bezig konden zijn zonder dat er geld aan verdiend moet worden. Een kleine liberated territory waar iedereen naartoe kon gaan om te ontspannen en te genieten van creativiteit en diversiteit, niet om als een kudde afgematte hamsters door een commerciële tredmolen heen gedreven te worden. Dat gold niet alleen voor dancefeesten, vooral ook theater en andere kunstvormen bloeien in het kraakmilieu. Door het kraakverbod wordt mij dat allemaal afgenomen. En dat is een enorm gemis. Het is niet alleen het kraken dat op deze manier verloren gaat, het is een sfeer van openheid en experiment, van echte innovatie, die gesmoord wordt in een overgecontroleerd Nederland dat blijkbaar alleen nog kan recreëren en pleziermaken in een volledig voorgekauwde commercieel gebrande omgeving.