De sneeuwbal van het sinterklaasfeest

Afbeelding

Iedereen die wel eens een sneeuwpop gemaakt heeft, kent het principe. Je begint met een kleine sneeuwbal en rolt hem door de sneeuw. Tijdens het rollen kleeft steeds meer sneeuw aan het balletje en daardoor wordt hij langzaam groter. Vervelend is het dan als er vieze sneeuw tussen komt, stukken aarde of gras, zodat je vuile vlekken of bobbels in je sneeuwbal krijgt.

Als een sneeuwbal ontwikkelen zich ook tradities door de eeuwen heen. Er zijn oerverhalen die telkens maar worden doorverteld, maar steeds weer iets meekrijgen van de tijd waarin ze verteld worden. Zo zijn veel sprookjesfiguren: elfen en kabouters, afgeleid uit voorchristelijke, heidense mythologie. In christelijke tijden zijn de oude verhalen als het ware opnieuw geïnterpreteerd, en ‘ondergronds’  gegaan als sprookje.

Zo was ook ons kerstfeest oorspronkelijk het Germaanse Joelfeest, waarin midwinter werd gevierd en niet de geboorte van Jezus. Ook deze traditie is door de komst van het christendom aangepast aan de nieuwe situatie en verrijkt met het Bijbelse kerstverhaal. Nog steeds bevat ons kerstfeest elementen van dat heidense feest, zoals het vieren van het licht in de duisternis door ons huis te versieren met kaarsen en lichtjes. Dat neemt niet weg dat veel elementen van kerst wel degelijk christelijk zijn en dat het kerstverhaal voor velen een belangrijk onderdeel is van die traditie, ook al gaat het hier om een latere ‘laag sneeuw’. Het zou raar en aanmatigend zijn om te beweren dat het kerstfeest ‘in wezen’ heidens is en niet christelijk omdat het toevallig ooit – heel lang geleden – zo is begonnen.

Dit laatste is nu precies de denkfout die Arnold-Jan Scheer maakt in zijn essay in De Volkskrant van gisteren. Scheer heeft onderzoek gedaan naar Sinterklaas- en nieuwjaarsriten over heel Europa en hij heeft ontdekt hoe zowel Sinterklaas als Zwarte Piet hun wortels hebben in hele oude heidense mythologie. Op veel meer plekken in Europa maken mannen zich zwart zegt hij, en zo vindt hij nog wel meer overeenkomsten die geworteld zijn in een tijd ver voor de slavernij. Conclusie: Zwarte Piet is geen slaaf, want de traditie is veel eerder begonnen dan het boek van Jan Schenkman uit 1850, waarop onze moderne Sinterklaastraditie is gebaseerd.

Die redenering is al even krom als de bewering dat het kerstfeest geen christelijk feest zou zijn. Tradities veranderen en nemen elementen uit de geschiedenis met zich mee, precies zoals de sneeuwbal waar ik dit stukje mee begon. De heidense traditie van Scheer werd opnieuw gedefinieerd door Schenkman, en die voegde er onmiddellijk – misschien niet eens bewust, want in zijn tijd was het volkomen normaal om zo te denken – een hele rij racistische verbeeldingen uit zijn eigen tijd aan toe: kroeshaar, dikke lippen en een moors pagepakje. Het is de vieze sneeuw die de sneeuwbal in zijn tocht door de tijd heeft opgedaan en die de bal nog steeds ontsiert.

Overigens veel belangrijker dan de historie van het sinterklaasfeest vind ik het gegeven dat mensen nu aanstoot nemen aan het verschijnsel. Wij kijken immers niet met de ogen van oude Germanen, met de associaties die mensen in die tijd met het feest gehad hebben. We kijken met moderne ogen, met moderne associaties, met een relatief recente historie van slavernij en rassendiscriminatie. In die samenleving roept de verbeelding van Zwarte Piet voor veel mensen veel pijn op. Verwijzen naar de (oer-)oorsprong van een traditie is dan een van de zoveelste verkrampte uitvluchten die ik in mijn vorige blog genoemd heb. Wat is er toch op tegen om de sneeuwbal van dat mooie sinterklaasfeest weer een klein beetje verder te rollen?

De illustratie, ‘Plegtige intogt van St. Nikolaas’ is afkomstig uit het besproken boek van Jan Schenkman. Het boek staat volledig online en is hier te vinden.

Advertenties

Sinterklaas, zwarte piet en onze beleving

Sinterklaas en zwarte piet associeer ik – sinds ik heel jong was – met geborgenheid. Ze bevinden zich in een heel oud gedeelte van mijn brein, net als de geur van speculaas, warme chocolademelk, de smaak van mierzoete marsepein. Ze bevinden zich een een ruimte vol van veilig familiaal samenzijn, gelach en de spannende verwachting van cadeaus. Het sinterklaasfeest herinnert me aan jeugdige gelukzaligheid, aan koude, donkere dagen gevuld met warm, licht verlangen. Het zijn belangrijke herinneringen en ze zijn op de een of andere manier kwetsbaar, misschien omdat ze afkomstig zijn uit mijn vroege kindertijd: alles uit die tijd is fragiel en heel persoonlijk.

Ik deel een soortgelijke herinnering met heel veel Nederlanders. Het is iets dat we van generatie op generatie doorgeven. Graag wil ik dat mijn dochter dit ook meemaakt, dat gevoel van samenzijn, die geborgenheid van het Sinterklaasfeest. Ik wil met haar de bekende liedjes zingen en haar schoen zetten, met een grote wortel en wat hooi erin. Ik wil dat ze ‘s morgens opstaat en niet kan wachten om te zien wat erin zit.

Mijn eerste reactie, toen ik iemand zwarte piet in verband hoorde brengen met racisme, was daarom ook ronduit afwijzend. Het compartimentje in mijn brein waar Sinterklaas en zwarte piet zich bevinden, die clustering van associaties die ik hierboven noemde, stond ver af van dat compartimentje waar het begrip racisme thuishoorde. Racisme associeer ik met narigheid, met Ku Klux Klan, brandende kruizen, met lynchings, met gewelddadige skinheads, met ‘Slegs vir blankes’. Racisme is naar en onveilig, het had niets, maar dan ook niets te maken met mijn beleving van het Sinterklaasfeest.

Daarom maakte ik ervan: zwarte piet is een sprookjesfiguur, zoals de Oostenrijkse Krampus. Of een schoorsteenveger. Of weet ik wat, maar vooral geen racistische karikatuur van een zwarte man. Of ik zei dat ik het geen belangrijke discussie vond, dat zwarte piet nou eenmaal traditie was. Dat er wel meer dingen waren die niet klopten, en vervolgens ging ik heel lang nadenken over voorbeelden. Zoals Jodenkoeken en blanke vla. Zijn die dan niet beledigend? Tsja.

Het heeft me tijd gekost om zonder dit soort verkrampte uitvluchten (want dat zijn het) neutraal naar het probleem te durven kijken. De achtergrond van mijn reactie was namelijk mijn beleving. Mijn beleving van Sinterklaas en zwarte piet is warm, veilig en geborgen, maar voor heel veel mensen met een donkere huidkleur is die beleving anders. Voor hen is het Sinterklaasfeest, en dat komt vooral door zwarte piet, juist onveilig en ongemakkelijk. Want hoewel zwarte piet door de jaren heen zijn Surinaamse accent is kwijtgeraakt, evenals zijn grote oorbellen en dikke lippen, is het nog steeds een springerige zwarte man met kroeshaar, het knechtje van de witte Sinterklaas.

Dat besef, dat zwarte piet niet los gezien kan worden van een racistisch verleden, en dat dat racistische verleden tot op de dag van vandaag volwassenen en kinderen heel veel pijn doet, hoeft niet mijn veilige en warme herinnering aan Sinterklaas te bevlekken. Dat ik zo van dat feest genoot als kind maakt mij geen racist en maakt ook het feest zoals wij dat altijd vierden niet racistisch. Maar de tijden zijn veranderd, Nederland is veelkleuriger geworden. We moeten nu wel echt van die piet af. Hij kan niet meer, hij is al lang over zijn houdbaarheidsdatum heen, hij begint zuur te ruiken.

Die zuurheid walmde mij volop tegemoet toen ik de reacties las op het optreden van Quincy Gario tijdens Pauw en Witteman. Ik rook die zuurheid op twitter, op facebook, op de talloze fora waar mensen over dit onderwerp discussieerden. Veel blanke Nederlanders schreeuwen over hun kwetsbaarheid heen, worden gemeen, racistisch, sarren, pesten als schoolkinderen. Er ging een plaatje viraal op facebook, dat Gario voorstelde, gephotoshopt als zwarte piet met de tekst ‘ zeurpiet’ eronder. Gretig klikten de vingers op de like-knop.

Het Sinterklaasfeest dat ik altijd vierde, was niet hetzelfde als dat van mijn grootouders. Mijn sinterklaasfeest kende noch de roe, noch de zak. Die waren voor mijn jeugd al afgeschaft, die barbaarse disciplineringsinstrumenten. Sinterklaas gebruiken om kinderen in het gareel te krijgen, dat doen we tegenwoordig niet meer. Sinterklaas is vooral een kindervriend, geen gewelddadige boeman.

Voor de generatie van mijn dochter zou ik graag een Sinterklaas willen zonder die zwarte piet-figuur. Een inclusief sinterklaasfeest zou ik willen, met pieten in alle kleuren van de regenboog. Zodat niet alleen zij later een geborgen en veilige herinnering zal hebben aan Sinterklaas, maar ook haar vriendjes en vriendinnetjes met een donkere huidkleur. Want tradities passen zich aan aan de tijd waarin we leven. Dat hebben ze altijd gedaan en dat zullen ze ook altijd blijven doen.

Ongenode gasten: over Baudet en Borgman

Afbeelding

Hij noemt het niet expliciet, maar er zitten opmerkelijke overeenkomsten tussen de parabel die Thierry Baudet gebruikt in zijn essay (NRC Weekend 7 en 8 september) over wat hij ‘de angst voor het eigene’  noemt en het plot van de film Borgman van Alex van Warmerdam. Het verschil is dat in de film van Van Warmerdam een veel gelaagder beeld van de werkelijkheid wordt geschetst dan in het eendimensionale verhaal van Baudet.

Waarschuwing: dit blog bevat spoilers: als je de film Borgman nog wil gaan zien dan kun je dit artikel nu beter niet lezen

Baudet spreekt de lezer dreigend toe: ‘uw gasten hebben een deel van uw woning in bezit genomen’. Ze hebben de vrede verstoord, het ‘oorspronkelijke thuisgevoel’. Want thuis is namelijk een ‘ritme, een organisch geheel’. Aan de hand daarvan bekritiseert Baudet de ‘elites’, die met behulp van ‘multiculturalisme, modernisme in de kunsten en het Europese project’ de huisvrede breken in het ooit zo hechte, veilige en warme vaderland.

In de film Borgman wordt een bebaarde zwerver (Camiel Borgman) die een bad wil nemen in het huis van een rijke familie op wrede wijze in elkaar geslagen door de vader van het gezin. Deze vader, die vanaf het begin vol met agressie lijkt te zitten, raakt buiten zinnen als de Borgman zinspeelt op een contact dat hij zou hebben gehad met diens vrouw. Later leren we dat zijn agressieve gedrag gevolg is van de ruzies die hij heeft op zijn werk met een andere man.

Omdat de vrouw medelijden krijgt met de zwerver, laat ze hem stiekem binnen. Het lijkt alsof zij een onbehagen voelt, een leegte of een schuldgevoel over haar geprivilegieerde positie, alsof zij beseft dat er van alles niet klopt aan haar ‘thuis’. Zij zoekt iets in de zwerver. Is het een bepaalde vergiffenis, verlossing? Intussen neemt deze gast, net als in de parabel van Baudet, stukje bij beetje de macht in het gezin over.

De werkelijke overname manifesteert zich echter pas als de tuinman van het gezin sterft. Vader doet de sollicitatie van nieuwe tuinmannen en krijgt drie gekleurde mannen voor de deur. Ze doen sterk denken aan de buitenlandse migranten waar Baudet in zijn stuk alarmerend over schrijft. Maar de vader, niet bang voor het ‘eigene’ (maar wel voor het ‘vreemde’), wijst hen alledrie af op basis van hun huiskleur en neemt uiteindelijke een blanke, keurig geschoren man aan: Camiel Borgman die zich inmiddels van zijn woeste baard heeft ontdaan. De laatste haalt vervolgens zijn even keurige, in pak gestoken vrienden binnen en begint allereerst met het slopen van de tuin: hij hakt bomen om, baggert de vijver uit tot een donkere, intkzwarte diepe poel. Intussen bivakkeert hij onder hetzelfde dak als de familie.

De film toont datgene wat romantische neoconservatieven als Baudet niet willen zien. Namelijk de rotting die altijd al aanwezig was in het door hen opgehemelde en geïdealiseerde thuis. De kilte. Het egoïsme. De vergiftiging van zowel het sociale als de ecologische leefruimte die het resultaat is – niet van migranten of van modernistische kunst – maar van de verscheurdheid van de westerse wereld zelf.

De parabel van Baudet handelt over een soort goudgerande, roomblanke hobbitstede die verpest wordt doordat een elite vanuit een vorm van puberaal afzetgedrag – ‘oikofobie’ – het vreemde binnenhaalt. In de film Borgman zet een ongelukkig gezin al zijn kaarten op een roomblanke verlosser, die echter de bestaande breuklijnen versterkt, en hen vergiftigt. Baudets parabel toont een kinderlijk wereldbeeld: hij ontkent alles wat niet klopt in het eigen nest en projecteert tegelijkertijd alle problemen op het vreemde. De film ‘Borgman’ daarentegen toont een volwassen, complexe wereld, waarin niet meer duidelijk is of het kwaad van binnen of van buiten komt.

Over Graebers Bullshitbanen

Stel je voor dat het mogelijk zou zijn om twee dagen per week te werken en toch genoeg inkomen te hebben om de rest van de week te besteden aan die dingen die je voldoening geven (creativiteit, persoonlijke ontwikkeling, zorg voor kinderen enzovoort). Stel je ook voor dat die wereld misschien wel binnen handbereik is. En stel dat het enige dat ons tegenhoudt is een overmaat aan overbodig, zinloos werk, alleen maar ontstaan om ons bezig te houden, als hamsters die rondhollen in tredmolens.

 Bullshit jobs

In zijn artikel On the phenomenon of bullshit jobs schrijft de Amerikaanse antropoloog David Graeber dat een groot deel van de moderne kapitalistische economie bestaat uit zinloos werk. Het artikel bleek enorm te resoneren op internet en werd meerdere malen vertaald. Graeber, één van Amerika’s meest opvallende anarchisten, ziet het overschot aan banen vooral aan de kant van de ‘witte boorden’. Het zijn hoogopgeleiden die bullshitjobs hebben, en ze weten het vaak ook zelf. Hij wijst daarbij vooral naar de sterk gegroeide dienstensector: administratieve banen, managers, bedrijfsjuristen, public relations, personeelsmanagement, telemarketeers, mensen die financiële diensten leveren, kortom de hele moderne bedrijfsbureaucratie. Vanuit Graebers oogpunt uiteindelijk allemaal zinloze banen gemaakt om mensen bezig te houden. Banen die niets werkelijk produceren. Als we al die banen zouden wegsnoeien zou met dezelfde productie nog maar heel weinig werk overbleven. Dan kunnen we toe met twee dagen werk per week, zoals de econoom John Maynard Keynes voor de oorlog ooit voorspelde.

Dit gaat natuurlijk recht tegen alle neoliberale ‘waarheden’ in. Wij hebben altijd ingepeperd gekregen dat in een economie die gebaseerd is op kapitalisme en marktwerking dit soort ‘verborgen werkloosheid’ automatisch wordt weggewerkt. Graeber noemt het voorbeeld van communistische landen, die allerlei banen creëerden om maar aan de doelstelling van volledige werkgelegenheid te voldoen. Zulke overdreven overhead zou in onze hyperefficiënte economie toch al lang weggesaneerd zijn? Toch zegt hij, door een of ander magisch wonder, blijven al die bullshitindustrieën die niets anders doen dan papier verschuiven (emails versturen tegenwoordig) gewoon bestaan. De reden zit hem volgens Graeber in de belangen van de heersende klasse (de 1% waar de betogers van Occupy het tegen opnamen) die weet dat als mensen maar druk bezig gehouden worden, ze niet in opstand komen. De aloude calvinistische arbeidsmoraal (de ‘hardwerkende Nederlander’) komt daarbij goed van pas.

Compexiteit

De grote populariteit van dit stuk op het internet doet vermoeden dat Graeber hier een gevoelig punt raakt. Een tweetal reacties op het artikel wil ik even apart noemen. Allereerst de Economist, die tegenwerpt dat in een vergevorderde economie nou eenmaal sprake is van een complexe arbeidsdeling, waardoor veel mensen het gevoel hebben dat ze zinloos werk doen, terwijl ze wel degelijk een klein radertje vormen in het grote, wel degelijk nuttige mechaniek van de samenleving. Mensen raken dus vervreemd van de eigen arbeid (daarom denken ze vaak dat ze nutteloos werk doen) maar de arbeid is wel degelijk nuttig. Een argument dat het gevoel van overbodigheid van sommige ‘witte boorden’-banen verklaart waar Graeber naar verwijst.

Maar Graeber zinspeelt niet alleen op het gevoel dat veel mensen in de bekritiseerde sector hebben, hij verwijst ook naar reële veranderingen. Als voorbeeld noemde hij op Twitter de groei van administratieve banen in de educatieve sector. Het onderwijs verandert niet wezenlijk: wat doen nu ineens al die administrateurs naast de leraren? Is lesgeven zoveel complexer geworden dan het enkele tientallen jaren geleden was?

Wij zijn wat we doen

Interessant is ook de reactie van een andere blogger via twitter, ene Jimmy Daly ‘Ik snap het vanuit een economisch perspectief, maar kan gewoon mijn leven niet leven met het besef dat mijn baan bullshit is.’  In die simpele opmerking ligt de kern van het ongemak van het essay van Graeber. In een moderne kapitalistische samenleving als de onze is werk de belangrijkste bron onder voor zowel onze identiteit als onze zingeving. Wij zijn wat we doen. We steken ongelooflijk veel tijd en energie in dat werk: eerst een opleiding, dan vaak een fulltime baan. Als mensen met elkaar kennismaken op een feestje is vaak de eerste vraag: wat doe je voor werk? Werk maakt ons wie we zijn. Voor al die mensen die werken in de sectoren die Graeber aanduidt als bullshit jobs, is het dus zachtgezegd even slikken: datgene waar je een groot deel van je leven aan opgeofferd hebt, wordt door deze hoogleraar als overbodige onzin weggezet.

Ongetwijfeld zal dit bij veel mensen weerstand opleveren. Liever geloven we in een ideologie, dan dat we oog in oog staan met zinloosheid. De constatering je hele leven ingezet te hebben voor een bullshitjob is vergelijkbaar met het trauma van een militair, die achteraf een onnodige oorlog heeft gevochten. Of een geloofsafvallige, die een groot deel van zijn leven het idee heeft gehad dat God naar hem kijkt, tot hij het inzicht krijgt dat die God misschien helemaal niet bestaat.

Werk is het laatste geloof in een seculiere samenleving. Geloofsafval is een van de moeilijkste dingen die er is, omdat het te maken heeft met de wijze waarop we zin geven aan het leven. Als Graeber echt een punt heeft dan zal het om die reden nog wel even duren voordat zijn ongemakkelijke boodschap echt is doorgedrongen.

Verwende prinsjes

Het merendeel van de mannen investeert nog steeds maar bar weinig in de zorg voor zijn eigen kinderen. Nog altijd zijn het de vrouwen die – in deeltijd – de kolen uit het vuur halen. Volgens de emancipatiemonitor van 2012 hebben vrouwen minder vaak een baan dan mannen en als ze die wel hebben werken ze gemiddeld 26,4 uur tegenover mannen 38,2 uur. Dat is en blijft een gigantisch verschil. Het lijkt alsof vooral bij mannen het nieuwe vaderschap, waarbij een of meer dagen per week minder wordt gewerkt om aan de kinderen en het huishouden te besteden, niet doorzet. Waarom gaan veel vaders van nu nog altijd liever voltijds naar het werk dan dat ze aandacht geven aan hun eigen kroost?

De Brit Gideon Burrows probeerde in zijn recent uitgekomen boek Men can do it. The real reason dads don’t do childcare and what men and women should do about it die vraag te beantwoorden en zijn antwoord was even simpel als verbijsterend: mannen hebben er geen zin in. Mannen vinden de zorg voor kinderen saai en vies, het levert ze weinig erkenning op en het impliceert keuzes en offers op carrieere- en levensgebied die mannen niet willen maken. Mannen hebben vaak hun mond vol over hoeveel meer tijd ze met hun kinderen willen doorbrengen, maar feit is dat ze zelfs in de weekenden minder tijd doorbrengen met hun kinderen dan hun partners.

Wat dat laatste betreft: dat heeft natuurlijk met het eerste te maken. Als je minder tijd met je kinderen besteed, werk je minder aan de band tussen jou en je kinderen. Dat effect zal zich doorzetten in de weekenden. Het is een self fulfilling prophecy. Maar dat neemt niet weg dat veel van de argumenten die hier genoemd worden om geen serieuze zorgende vader te worden, feitelijk kloppen. Zorgen voor kinderen is niet alleen maar genieten, het is vaak loeizwaar. De herhaalde slaap, verschoning en voedingsrituelen van een baby kunnen tergend saai zijn, terwijl een peuter die zijn autonomie bevecht een ouder helemaal gek kan maken, soms tot jankens toe. Nee, dan is het een stuk gemakkelijker om door de week de vaste gang naar kantoor te maken en dan na het werk nog heel even wat mee te krijgen van de kleine.

De meeste vaders zijn geen ‘mannen die op zondag het vlees komen snijden.’ Natuurlijk, er zijn carriereduivels die 60 uur of meer in de week werken. Maar als je kinderen hebt dan moet je wel een soort antisociale narcist zijn om daarvoor te kiezen. Nee, de meeste vaders zien hun kinderen wel degelijk regelmatig, maar in kleine behapbare tijdseenheden, liefst in gezelschap van een zorgende vrouw. Op zo’n manier is het namelijk gemakkelijk om van al die mooie en leuke dingen van kinderen te genieten. Lekker samen spelen, voetballen, puzzelen en voorlezen in plaats van de tergende zorgrituelen van het wassen, omkleden en verschonen. Met andere woorden: de meeste vaders in Nederland en in de Westerse wereld doen aan cherry picking wat opvoeding betreft.

In dat opzicht is het mannenparadijs, die wereld waarin mannen de hele dag tussen andere mannen hun dingetje konden doen omdat vrouwen al het werkelijk zware zorg- en huishoudelijke werk deden, nog steeds niet voorbij. Het is vermoeiend en oneerlijk als mannen het belang van hun betaalde baan steeds maar opkloppen ten koste van al het onbetaalde werk dat vrouwen nog steeds doen. Dat werk – hoe zwaar ook in sommige gevallen – is niet vergelijken met de zorg, die permanent, dag-in dag-uit en vaak ook ‘s nachts nog doorgaat en een beroep op je doet. De deur van je kantoor doe je aan het einde van de middag dicht, maar je kind is er altijd.

Er moet toch bij veel mannen een soort van slecht geweten, een onbehagen aanwezig zijn over deze flagrante ongelijkheid? Het wordt allemaal nog erger als je beseft dat niet alleen de zorg voor kinderen vaak door vrouwen gedaan, ook de mantelzorg komt maar al te vaak bij hen terecht. Mannen worden dus vanaf hun vroegste jeugd gepampered door hun moeders, vervolgens werken ze 40 jaar 40 uur en genieten van de mooiste momenten van de kinderlevens terwijl ze minder te maken hebben met de zware kant van de zorg. Uiteindelijk als ze oud en bejaard zijn, worden ze weer door dochterlief geholpen. Van de wieg tot het graf worden de jochies door vrouwen gedragen.

We hebben het hier dus over een leger van verwende prinsjes die hun geprivilegieerde posities niet willen opgeven. Dat is de essentie van het moderne emancipatieprobleem. In mijn boek Het onbehagen van de man hamerde ik op de voordelen die de emancipatie mannen konden brengen. Ik geloof daar nog steeds in: meer tijd besteden aan je kinderen levert uiteindelijk – op de lange duur – een veel betere relatie met hen op (en heel veel prachtige gestolen momenten). Maar de andere kant, het afstand doen van de privileges van het mannenparadijs, gaf ik toen te weinig aandacht. Er is een rauwe kant aan de emancipatie, dat is onder ogen zien dat het pretparadijs waar je vader, je grootvader en generaties mannen daarvoor in leefden voorbij is. Mannen moeten een stapje terug doen zodat vrouwen meer kansen krijgen in deze maatschappij.

Wellicht kunnen we daar komen door juist een beroep te doen op de mannelijke trots. Het voelt toch niet helemaal lekker om als man te parasiteren op het werk van je vrouw of van de vrouwen in je leven. Mannen, wees geen watje, zorg zelf ook eens voor je kinderen. En neem de consequenties daarvan met een rechte rug.

Het verkeerde moralisme van minister Bussemaker

Niets is zo gevoelig in de moderne Nederlandse samenleving als man-vrouwverhoudingen. Zo publiceerde dagblad Trouw gisteren een interview met minister Jet Bussemaker naar aanleiding van de meest recente emancipatienota. Daarin bekritiseerde ze het grote aantal vrouwen dat niet of weinig werkt in Nederland. Onmiddellijk was het internet te klein en Twitter en Facebook vulden zich met veelal boze reacties. 

 Dat een minister de problematiek van de financiële afhankelijkheid van de Nederlandse vrouw aan de kaak stelt doet mijn feministisch hart natuurlijk goed. Ze heeft helemaal gelijk als ze de aangeeft dat 48% van de Nederlandse vrouwen na een scheiding niet voor zichzelf kan zorgen. Zeer onverstandig, gezien het feit dat kinderen na een scheiding toch meestal bij de moeder belanden. Het is onverantwoordelijk om in een tijd dat één op de drie huwelijken strandt er maar op te gokken dat die beker aan jou voorbij zal gaan. 

 Vergeet de mannen niet

Dat ze daarbij helemaal voorbij gaat aan het aandeel van de man is daarentegen weer raar. Het is egoïstisch van mannen om hun eigen carrière automatisch voor te laten gaan op die van de vrouw. Je vleien in het voorgekookte sjabloon van het traditionele rollenpatroon is te gemakkelijk. Elke man zou zich de vraag moeten stellen of hij het moreel aan zichzelf kan verkopen dat de persoon waarvan hij houdt zich structureel in een afhankelijke positie bevindt. Is dat het goede leven? Is dat respectvol? Is dat liefde?  En is het niet gewoonweg bizar dat een vrouw zich schuldig voelt tegenover haar gezin, en dat dat gevoel bij mannen afwezig is? Maar ik heb het vermoeden dat dit soort vragen bij veel mannen niet vanzelf opkomen. 

 De feminiene mystiek

Veel vrouwen offeren daarnaast een opleiding en bijbehorende carrière op voor een baan als fulltime huisvrouw of voor een parttime baan zonder veel perspectief. Dat was het thema van het boek waar de tweede feministische golf in de Verenigde Staten mee begon, Betty Friedan’s The feminine mystique (1963). In dat boek schreef Friedan over the problem that has no name, het onbehagen dat veel vrouwen in de jaren vijftig en zestig voelden met hun huisvrouwenbestaan en dat hen depressief maakte of naar kalmeringstabletten deed grijpen. Het was een tijd van grote welvaart en de vrouwen werden niet begrepen: je hebt alles wat je maar zou willen, waarom ben je dan toch down?

 Probleem was volgens Friedan de overheersende overtuiging die zij The Feminine Mystique noemde: de idee dat een vrouw volledige vervulling zou moeten kunnen vinden in het huiselijke leven alleen. Wanneer vrouwen diep van binnen het verlangen hadden om zich als individu verder te ontplooien, meer te zijn dan de vrouw-achter-de-man, dan geraakten ze in een innerlijke crisis. Dit was volgens de heersende overtuiging, de feminiene mystiek, namelijk afwijkend of zelfs neurotisch gedrag. De vrouwen hadden een verboden verlangen en voelden zich daar schuldig over. En altijd wanneer mensen innerlijke verlangens proberen te onderdrukken of ontkennen, worden ze uiteindelijk somber en neerslachtig. Friedan keerde zich tegen de feminiene mystiek en het schuldgevoel en maande vrouwen hun innerlijke verlangens te volgen. Daar begon dus feminisme en vrouwenemancipatie, bij de ontsnapping van vrouwen uit de dwangbuis van hun door mannen opgelegde lotsbestemming.

 Neoliberaal moralisme

Dat is heel wat anders dan de redenering van minister Bussemaker. Zij vervangt het ene schuldgevoel voor het andere. Het schuldgevoel van vrouwen jegens hun gezin (dat weer wortelt in de feminiene mystiek aangezien dit schuldgevoel blijkbaar afwezig is bij manlief) wordt omgezet in een schuldgevoel jegens de overheid. Die investeert immers in dure opleidingen en daar moet de staat natuurlijk wel rendement van kunnen trekken middels de belasting. 

 De sociaaldemocratische minister voegt zich hiermee in een koor van neoliberale moralisten. De overheid is in deze opvatting niet langer een gemeenschappelijk instituut dat de noden en mogelijkheden van burgers op solidaire wijze organiseert. Nee, de overheid is een soort bank, of een grote onderneming, die tot doel heeft het bruto nationaal product te maximaliseren. De producten die deze overheid levert dienen vervolgens wel te renderen. Wanneer dat niet gebeurt, trekt deze overheid een morele kaart richting de eigen burgers. En bijna altijd komt die kaart neer op een aansporing om weer aan het werk te gaan. Lees hiervoor ook het mooie stuk over mantelzorg van Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak in de NRC van dit weekend.

 Een waarlijk progressieve overheid stelt burgers juist in staat om zich verder te ontwikkelen, in plaats van dat ze zich opstelt als schuldeiser. De overheid is een gezamenlijk initiatief om de wereld rechtvaardiger te maken, niet slechts om ons rijker te maken. Het is een naïef idee dat de feminiene mystiek ontmaskerd kan worden door vrouwen met nog een schuldgevoel op te zadelen. Ik geloof er namelijk geen donder van dat veel van die vrouwen het zo fijn vinden om zich in een afhankelijke positie te bevinden. Dat ze het huisvrouwenbestaan verkiezen boven een bestaan als werkend individu. Ze maken een keuze omdat iedereen in hun omgeving dat doet en omdat mannen het weigeren om een stap terug te doen. 

 Ik mis eigenlijk een minister – bij voorkeur zelf een man – die mannen aanspreekt op hun starre houding. Helaas. Mannen die minder werken. Dat levert veel minder op. 

Kinderopvang en het goede leven

Bijna 40% van de Nederlandse bevolking is van mening dat vooral ouders zelf voor de financiering van hun kinderopvang moeten opdraaien, kopte NU.nl recentelijk op grond van cijfers van het CBS. Het is een groeiend sentiment, waarbij het krijgen van kinderen – en het afnemen van kinderopvang –  eerder als een persoonlijke luxe wordt gezien, dan als een logisch onderdeel van een mensenleven. Als je voor kinderen kiest, dan moet je ook de financiële consequenties daarvan maar inzien: het is oneerlijk om dat af te wentelen op de maatschappij en op mensen die geen (jonge) kinderen hebben. Immers: de vervuiler betaalt. Zijn kinderen daadwerkelijk een individuele luxe die de maatschappij slechts geld kosten, zoals het hebben van bijvoorbeeld een hond of een auto?

Kinderen als luxegoed: nog geen honderd jaar terug en nog steeds in grote delen van de wereld was daar nog geen sprake van. Kinderen krijgen was een bittere noodzaak: ze waren je enige pensioenvoorziening. Wie zou je anders verzorgen als je dat zelf niet meer kan? Daarnaast leverden kinderen al vrij vroeg wat op: door bijvoorbeeld mee te werken in fabriek of bedrijf en in het huishouden de moeder te ondersteunen. Naarmate de overtuiging opgeld deed dat kinderen geen arbeid dienden te verrichten,  met het kinderwetje van Van Houten en later de Leerplicht in praktijk omgezet, werden kinderen steeds meer een kostenpost dan dat ze iets opleverden. Toch was het krijgen van kinderen nog een geaccepteerd onderdeel van elk mensenleven. Voorbehoedmiddelen waren er nog niet zoveel bovendien stimuleerden de meeste religieuze tradities het krijgen van kinderen. Vader of moeder zijn was een erkend onderdeel van wat de meerderheid in het land zag als het goede leven.

De seksuele revolutie en de ontkerkelijking van de jaren zestig en zeventig bracht hier verandering in. Vooral de komst van de pil maakte het voor vrouwen gemakkelijk om zwangerschap veel beter te controleren. Steeds meer werd het krijgen van een kind gezien als een keuze, niet iets dat je overkomt. In de jaren die daarop volgden stelden vooral hoger opgeleide vrouwen het krijgen van kinderen steeds langer uit om eerst carrière te kunnen maken. De voortgaande emancipatie maakte het krijgen van kinderen een bewust besluit van vrouw en man, omdat niet alleen de vrouw automatisch zou stoppen met werken om voor de kinderen te zorgen, maar die zorg steeds meer een verantwoordelijkheid voor beide werd.

Als het worden van vader of moeder geen ‘natuurramp’ (zoals feministe Joke Smit het ooit uitdrukte) is die je kan overkomen, is het dus een keuze. In de individualistische en neoliberale keuzemaatschappij die volgde na de jaren zeventig, werd een keuze vooral gezien als een rationele, gecalculeerde afweging van voor- en nadelen waar je vervolgens een netto winst uit haalt. De bekende uitdrukking: ‘je krijgt er zoveel voor terug’ is een typisch verwoording van dat marktdenken, waarin elk individu zich gedraagt als een klein bedrijfje. Je offert wanneer je ouder wordt een heel leven en een groot deel van je vrijheid en nachtrust op, maar gelukkig genereert deze transactie een hoog dividend aan gelukkige ‘quality time’ met de kinderen. Op zo’n moment is kinderen krijgen een transactie in de markt en zijn de kosten van kinderopvang ieders eigen verantwoordelijkheid, zoals de samenleving ook niet de garage subsidieert waar je je auto in parkeert.

Het probleem van deze zienswijze, is dat het economisch nutsdenken volstrekt waardeloos is om het besluit van het krijgen van kinderen in uit te drukken. De investering in kinderen is zo gigantisch groot, en dan heb ik het niet alleen over geld maar vooral over tijd, vrijheid en zeker die eerste jaren in bijvoorbeeld slaap, dat het bijna niet te plaatsen is tegenover het geluk dat het oplevert. Want hoe meet je geluk? En hoe meet je de investering? Hoe trek je het ene van het andere af? En is het echt zo dat geluk gelijk staat aan een slinger van gelukkige momenten? Is dat waarom we het doen?

Anders dan veel van de momenteel populaire ‘gelukseconomen’ beloven, is geluk niet meetbaar en niet af te zetten tegen verdriet. Je kunt momenten van geluk niet ‘optellen’ en daar het ongeluk van ‘aftrekken’. Dat  is simpelweg niet de manier waarop wij het leven beleven. Geluk is iets anders dan een tijdelijk gevoel, een sentiment. Geluk is een tevreden visie op het leven die voorbij het moment ligt. Geluk is bijvoorbeeld het voortdurende bewustzijn dat je deel uitmaakt van een gezin waarin iedereen zijn plek heeft. Ook de identiteit en maatschappelijke activiteit die een betaalde baan biedt zijn belangrijke drijvers van geluk. Maar niemand wordt gelukkig van het kopen van een nieuwe iPad (ook al kan je er heel blij van worden en er veel plezier aan beleven). De iPad verandert namelijk niets wezenlijks aan je blik op het leven, het gaat hier niet om een existentiële keuze.

Waar de speurtocht naar plezier en genot vaak een individueel project is (de een wordt blij van een iPad, de ander van het rennen van de Dam tot Damloop), steekt het verlangen naar een gelukkig leven boven de mens als individu uit. Geluk heeft te maken met identiteit, met deel uitmaken van grotere verbanden, met een gevoel van zingeving. Het is iets heel wezenlijks in een mensenleven. Een progressieve politiek zou een scherp onderscheid moeten maken tussen keuzevrijheid in nutsbevrediging (waar feitelijk de meeste linksliberale politiek mee geobsedeerd is) en het scheppen van gelijke kansen om een gelukkig en goed leven te leiden. De staat is geen geluksmachine, maar kan wel voorkomen dat sommige mensen moeilijker toegang hebben tot dat geluk, dan anderen.

Voor de meeste mensen is het nemen van kinderen nog altijd onderdeel van het goede leven. Maar dat geldt ook voor het hebben van een baan en een toekomstperspectief op de arbeidsmarkt. Die arbeid is bovendien maatschappelijk hard nodig. Kinderopvang is echter verschrikkelijk duur. Voor drie dagen kinderopvang van een kind betaal je al gauw tussen 800 en 900 Euro per maand. Iedereen kan uitrekenen dat dit voor gezinnen met een modaal inkomen vrijwel onbetaalbaar is (en met twee kinderen al helemaal). Wanneer de overheid geen toeslag meer betaalt dan worden deze gezinnen gedwongen om of minder te werken of hun opvang via via te regelen, de zogenaamde ‘rommelopvang’. Dan weer bij de een, dan weer bij de ander, wat de zo noodzakelijke stabiliteit voor kinderen niet ten goede komt. Het enige alternatief is geen of minder kinderen te krijgen. Een erg wrange optie, omdat op die manier mensen de toegang tot een bepaald geluk onthouden wordt simpelweg omdat ze minder verdienen.

Kinderen krijgen is geen luxe, maar behoort tot datgene wat de meeste mensen definiëren als het goede leven. Dat doet niet af aan andere keuzen die in het leven gemaakt kunnen worden, maar het blijft dat het ouderschap een andere categorie is dan veel meer consumptieve keuzes in het leven. Dat 40% van de Nederlanders blijkbaar vindt dat ouders met kinderen het zelf maar moeten uitzoeken, is een teken aan de wand in deze tijd. Het bevestigt maar weer eens hoe mensen zichzelf zijn gaan definiëren als atomaire individuen. Elke gezamenlijke visie op het goede leven wordt ontkend en tot een individueel – en daarom voor sommigen onbetaalbaar – project gemaakt. Een uitholling van de meest wezenlijke solidariteit.

Want laten we eerlijk zijn: kinderen krijgen is geen luxegoed, net zo min als het hebben van betaald werk een luxe zou moeten zijn. Die kinderopvang is daarom een redelijke en vooral hele menselijke vorm van solidariteit. Het zou een van de laatste zaken moeten zijn, waar een regering op bezuinigt.

Geschreven: januari 2013