Een vadervriendelijker Nederland

Dit is de tekst van een lezing die ik 18 juni 2011 gaf bij een bijeenkomst van FEMNET van GroenLinks.

Drie weken terug ben ik vader geworden van een gezonde dochter. Ik heb dan ook een bijzondere periode achter de rug. Van de kraamhulp leerde ik hoe ik het meisje moet voeden, hoe ik luiers moet verschonen, hoe ik haar in bad moet doen, af moet drogen en insmeren met babyolie. Ik heb door schade en schande geleerd hoe ik haar spartelende lichaampje in de kleertjes moet hijsen. Bovenal heb ik kunnen ervaren hoe ze ruikt, hoe ze voelt in mijn armen, hoe ze zich beweegt. Ik heb ontdekt hoe ik haar moet troosten als ze om de een of andere reden verdrietig is, wat haar kirrende, pruttelende geluidjes en scherpe huiltjes betekenen: wanneer ze wil eten, een poepluier heeft of gewoon getroost wil worden. De afgelopen weken ben ik verliefd geworden op mijn kleine Juno en zij voelt zich veilig en geborgen bij mij.

Dat heb ik allemaal kunnen doen omdat ik de afgelopen tijd vrij kon krijgen. Niet van overheidswege, helaas, maar omdat ik in overleg met mijn werkgever vakantiedagen kon opnemen op het moment dat mijn vrouw beviel. Ik prijs mijzelf daarin gelukkig: niet alle mannen hebben die mogelijkheid. Het Nederlandse vaderverlof duurt slechts twee dagen, exclusief één dag calamiteitenverlof tijdens de bevalling en is daarmee een van de laagste van Europa. Dat is niet alleen onrechtvaardig: omdat vrouwen die toch al een voorsprong hebben in het opbouwen van een band met hun kind in het bevallingsverlof van minimaal tien weken veel meer tijd hebben om aan hun kind te besteden. Wettelijke regelingen binnen de verzorgingsstaat hebben niet alleen een praktische functie, het zijn ook signalen,  versteende waarden. Het Nederlandse vaderschapsverlof symboliseert hoe wij over mannen en hun relatie tot kinderen denken. Het lijkt alsof de wetgever met de armzalige twee dagen vaderschapsverlof tegen de Nederlandse mannen wil zeggen: blijven jullie maar weg bij kleine kinderen. Daar hebben jullie niets te zoeken.

Het idee dat een man een zorgende rol niet past, maar dat hij slechts een ondersteunende functie heeft binnen het gezin is hier wijdverbreid. Toen ik een collega vertelde over de drie weken verlof die ik nam voor mijn dochter, keek zij mij verbaasd aan. De eerste week was er immers een kraamhulp in huis, dus hoefde ik niets te doen? Alsof mijn rol alleen praktisch is, de emotionele band die ik op wil bouwen met mijn dochter er totaal niet toe doet. Op dat soort momenten merk je dat je op diepliggende overtuigingen van mensen stuit.

Bij de intake voor de kraamzorg kregen mijn vrouw en ik ook een ietwat wonderlijke vraag. Er was namelijk een mannelijke kraamverzorger in dienst bij het door ons gekozen bureau. Of wij daar eventueel bezwaren tegen zouden hebben? Bezwaren? Zouden ze bij een islamitisch gezin ook vragen of er bezwaren zijn tegen een joodse kraamhulp? Bij een streng-christelijk gezin of ze problemen hebben met een lesbische? Een discriminerende vraag, die ik als man als beledigend ervoer. Volgens de mevrouw van de kraamzorg zei echter 60 procent van de mensen ‘nee’ tegen een mannelijke kraamverzorger. Wat maar weer aangeeft dat een zorgende man nog altijd not done is.

Toegegeven: de recente schandalen rond pedofielen in de kinderopvang in Amsterdam hebben mannen die zorgen verdacht gemaakt. Als ouder wil je dit soort gevaren nu eenmaal helemaal uitsluiten voor je kind. Maar alle ophef rond de ontuchtzaak in Amsterdam bevestigde vooral dieperliggende vooroordelen over mannen en kinderopvang. Een man die voor kinderen wil zorgen: diens intenties kúnnen gewoon niet goed zijn.

In het boek Veilig door de kraamtijd van zwangerschap- en borstvoedingsgoeroe Beatrijs Smulders staat een hoofdstuk over de rol van de man. Daarin wordt beschreven dat de hechting tussen moeder en kind het allerbelangrijkst is en dat de vader zuiver een faciliterende taak heeft. ‘Jij houdt de zaak draaiende en brengt structuur aan in die woelige tijd, zodat moeder en kind zoveel mogelijk in harmonie samen kunnen zijn.’ Het is dit soort teksten die mannen al meteen een bepaalde richting uitduwen. De traditionele, afstandelijke rol van provider.

Dit terwijl uit de pedagogiek bekend is dat een kind zich niet alleen aan de moeder, maaraan twee tot drie stabiele personen in de omgeving kan hechten, ongeacht sekse of zelfs familieband. Hiermee heeft de natuur zich voorbereid op het wegvallen van de moeder. Moeders hebben natuurlijk wel een voorsprong op vaders: zij hebben immers het kind negen maanden in zich gedragen en geven vaak ook borstvoeding. Dat maakt het des te belangrijker dat vaders al erg vroeg veel aandacht aan hun kinderen kunnen besteden. Ze hebben immers een achterstand in te halen. Toch is ons het Nederlandse systeem ingericht om de natuurlijke verschillen tussen man en vrouw op het gebied van zorg alleen maar uit te vergroten.

Conservatieven werpen in dit soort discussies vaak tegen dat, los van de bekende voor de hand liggende verschillen tussen man en vrouw, ook hun hersenen sterk verschillen. Man en vrouw zijn in essentie verschillend: vrouwen zijn gebouwd om te zorgen, mannen om te jagen. Mannen zijn van nature niet goed met kinderen en dat zal ook altijd zo blijven. Qua bewijs wordt vaak gewezen op een stroom van onderzoek, vooral binnen de evolutiebiologie, over de essentiële verschillen tussen man en vrouw. Onderzoeken die oude vooroordelen bevestigen, doen het inderdaad goed in de media en leveren de wetenschappers die publiceren veel aandacht en credits op.

Veel van dit soort onderzoek – dat het goed doet op de ‘Vrouw-‘ pagina van de Telegraaf – wordt echter op een slechte en onbetrouwbare wijze uitgevoerd. Publiciste Cordelia Fine toont aan hoe maar al te vaak seksevoordelen door verkeerde onderzoeksmethoden in wetenschappelijke conclusies terecht komen. Het is het soort van kritiek dat veel minder vaak de populaire pers haalt: het bevestigen van vooroordelen verkoopt over het algemeen beter dan het op losse schroeven zetten van de eigen aannames. Intussen hebben al die ideeën over mannen als ruwe, lompe, vrouwenverslindende jagers wel degelijk invloed op het beeld dat mannen over zichzelf hebben met betrekking tot de vaardigheden benodigd om te zorgen.

Terwijl er veel bewijs is dat de mate waarin mannen zich bezighouden met zorg cultureel bepaald is. Anders dan veel van het evolutiebiologisch onderzoek doet vermoeden, zijn het juist samenlevingen van jagers en verzamelaars waarin mannen veel actiever zijn in de zorg voor kinderen. Bij een jagende pygmeeënstam in Afrika, de Aka, die genetisch verwant zijn aan de oudste soort mensen, houden mannen hun kleine kinderen bijvoorbeeld  bijna de helft van de tijd vast of vlak in de buurt. Een en ander zet de gangbare theorieën over de evolutionaire oorsprong van de genders op hun kop.

De huidige beeldvorming maakt mannen onzeker en verlegen in het opbouwen van een duurzame relatie met hun kinderen. Persoonlijk geloof ik niet dat het bij veel mannen daadwerkelijk onwil is dat ze na drie dagen weer op kantoor rondlopen, of een huilend kind in paniek aan hun vrouw overhandigen omdat ze niet weten wat ze ermee aan moeten. Het probleem is dat in Nederland de algemeen aanvaarde ideeën over zorg en mannen nog steeds oerconservatief zijn. Dat terwijl intensief vaderschap goed is voor zowel kinderen als de mannen zelf.

Een gezonde hechting met de vader heeft voor kinderen op lange termijn veel voordelen. Naast de voordelen van veilige hechting op zichzelf, dat helpt bij een gezond zelfbeeld, heeft hechting met de vader nog specifieke effecten. Uit onderzoek van de Britse ontwikkelingspsycholoog Michael Lamb blijkt dat dit invloed heeft op de wijze waarop een kind in het latere leven relaties met het andere geslacht aangaat en hoe het in de adolescentie met leeftijdgenoten omgaat. Vaders zijn dus niet alleen de beschermers van de band tussen moeder en kind, ze kunnen ook zelf een specifieke toegevoegde waarde leveren aan gezonde relaties in het leven van kinderen.

Discovery channel ondervroeg drieduizend Europese mannen over wat zij van belang achten in hun leven, waarbij negentig procent aangaf dat de zorg voor kinderen hen gelukkiger maakte. Het Zweedse Karolinska instituut deed onderzoek onder 72.000 mannen en ontdekte dat vaderschapsverlof (dat in Zweden al dertig jaar bestaat) een positief effect heeft op hun levensverwachting. Zorgende mannen worden ouder en zitten beter in hun vel.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over de emancipatoire voordelen van een intensievere band tussen man en kind. Als vaders meer zorgen geeft dat moeders de ruimte om dat iets minder te doen zonder dat kinderen daaronder lijden. Deze vaders maken het mogelijk dat minder druk en stress bij enkel de moeder terecht komt en geven haar meer vrijheid en flexibiliteit. Kinderen zijn minder een last en meer een bron van geluk. Dat blijkt ook uit het geboortecijfer in de kindvriendelijke Scandinavische landen, dat tot de hoogste in Europa behoort. Een groeiend geboortecijfer zal ook voor Nederland cruciaal zijn in de bekostiging van de verzorgingsstaat in de toekomst.

Het wordt dus tijd dat Nederland vadervriendelijker wordt. Vadervriendelijker maak je Nederland door vaders zowel praktisch als emotioneel in staat te stellen om een zorgende rol te vervullen. Dat kan door institutionele veranderingen door te voeren, bijvoorbeeld door het betaalde vaderverlof te verlengen tot minimaal een maand.

Door voordelige regelingen of subsidies zouden mannen extra gestimuleerd moeten worden om bijvoorbeeld ouderschapsverlof op te nemen. Het is nu nog te vaak zo dat gezinnen, omdat mannen nog altijd gemiddeld meer verdienen dan vrouwen,  vanuit financiële redenen ervoor kiezen om enkel de vrouw ouderschapsverlof te laten opnemen.

Vadervriendelijkheid betekent ook de beeldvorming rond mannen en zorg zou moeten worden aangepakt. Zorgvaderen zou geen voorrecht moeten zijn voor hoogopgeleide bakfietsvaders, het zou gezien moeten worden als een natuurlijke consequentie van de keuze voor kinderen. Steeds meer zullen we eraan moeten wennen dat ook mannen een bepaalde periode van hun leven minder zullen werken en meer zullen zorgen. Dat kan door van overheidswege actief een visie te promoten waarin vaders een grotere rol in de opvoeding van hun kinderen spelen. Ik zie dat meer in gerichte voorlichting naar aanstaande ouders en brede publiekscampagnes rond beeldvorming dan in het zo nu en dan uitreiken van een prijs aan een ‘moderne vader’.

De tijd is voorbij dat mannen slechts toeschouwers konden zijn bij de opvoeding van hun eigen kinderen. Het zorgvaderschap is een verrijkende ervaring. Het is onrechtvaardig dat dit de Nederlandse mannen door een mengsel van institutionele en sociale belemmeringen wordt onthouden. Tijd voor vadervriendelijke revolutie. Mijn dochter en ik, bevoorrechte mensen dat we zijn, nemen alvast een voorschot.

Like this on Facebook

Advertenties

Boys will be boys? Over mannen en hun slechte prestaties

Jongens houden niet van stilzitten en luisteren’ kopte Nrc.next vorige week. Jongens presteren slechter op de middelbare school dan meisjes, en volgens hoogleraar Tavecchio en anderen heeft dat te maken met de ‘feminisering’ van het onderwijs. Niet alleen op het middelbaar onderwijs blijven de mannen achter op de vrouwen: ook op het hoger onderwijs presteren zij aanmerkelijk slechter. Volgens de Landelijke jeugdmonitor (CBS) studeerden in het schooljaar 2008-2009 in het hoger onderwijs bijna 20 procent meer vrouwen dan mannen. De vereniging van universiteiten (VSNU) meldde in  2007 dat 57 procent van de vrouwelijke universitaire studenten na vier jaar haar bachelor haalde, tegen 33 procent van de mannen. Wat is er met die jongens aan de hand? Eeuwenlang was het hoger onderwijs een mannenbolwerk. Zalen vol jonge kerels die ‘stilzitten en luisteren’ naar de hoogleraar. Hoe is het mogelijk dat de mannen het nu zo laten afweten?

            Dat kan hem toch niet in ‘feminisering’ zitten, aangezien nog geen derde van de universitair docenten vrouw is. Er is iets anders aan de hand met de studerende jongeman en dat heeft te maken met de veranderende rol van de man in de moderne samenleving.

Mannen waren ooit kostwinners. Een grote verantwoordelijkheid lag op hun schouders: het verzorgen van inkomen voor een gezin. Hun omgeving rekende hen daarop af: de sociale controle van kerk en gemeenschap was groot. Mannen waren zich ervan bewust dat ze hard moesten werken om ooit wat te kunnen betekenen. Mannelijke identiteit haalde je uit je volwassen zelfstandigheid en die verkreeg je door hard te studeren en te werken. Man-zijn betekende dat je geen afhankelijk jongetje meer was.

Sinds vrouwen zich zijn gaan emanciperen is die mannelijke identiteit als kostwinner minder vanzelfsprekend: het is niet langer het alleenrecht van de man om de kost te verdienen. Vrouwen kunnen dat net zo goed. Dat levert mannen een identiteitsvacuüm op. Hoe kun je nog een man zijn als vrouwen en mannen op het gebied van werk gelijkwaardig zijn geworden? Een trieste reactie op die ontwikkeling, onder meer gesignaleerd in de Verenigde Staten door de socioloog Michael Kimmel, is dat jongemannen heel lang blijven hangen in wat hij ‘Guyland’ noemt: een fase tussen puberteit en volwassenheid met zijn eigen codes, waarin jongens vooral bezig zijn tegenover elkaar te bewijzen dat ze geen homo zijn. Mannelijkheid stond niet langer tegenover jongensachtigheid, maar tegenover vrouwelijkheid.

Mannen zijn in alle opzichten speelser geworden. Grote beslissingen, zoals een huis kopen, samenwonen en kinderen krijgen worden steeds langer uitgesteld. Jongensachtig gedrag blijft daarnaast ook voor volwassen mannen heel lang ‘done’: computerspelletjes, excessief bingedrinken, naar popfestivals gaan, rücksichtslos vrouwen versieren: mannen houden het tot diep in hun thirties vol. Geen wonder dat mannen het bij de studie laten afweten. Schoolprestaties zijn minder belangrijk voor hun identiteit: je bewijst jezelf vooral in guyland.Die perceptie van de mannelijke identiteit zou moeten veranderen. het werkt averechts haar alleen maar te benadrukken met verhalen over sneue jongetjes die slachtoffers zijn van een feminiene arbeidscultuur. Mannen zouden weer uitgedaagd moeten worden om hun identiteit te ontlenen aan verantwoordelijk, volwassen gedrag.

Dit is niet gemakkelijk te stimuleren binnen het onderwijs zelf, omdat het hier om maatschappelijke problematiek gaat. Echter, steeds vaker zullen de stoere binken, de ‘Peter Pans’ die niet serieus worden en maar blijven spelen het slachtoffer worden van hun eigen gedrag. De regels rond studiefinanciering zijn steeds strenger geworden en deze mannen zullen een groot deel van hun leven met een studieschuld opgescheept zitten. Guyland kent zijn grenzen en vroeg of laat loopt elke vrolijke gesjeesde drinkebroer daar tegenaan. Wellicht wordt het dan tijd om eens te beseffen dat die vrouwen het helemaal zo gek nog niet doen.

Eerder gepubliceerd in Nrc.next van donderdag 1 juli 2010

De fantasieloosheid aan de macht: het kraakverbod

Wat is het toch dat me zo irriteert aan het kraakverbod dat woensdag door de Eerste Kamer heen werd getild? Ik ben zelf nooit kraker geweest, heb noch de noodzaak gehad noch de behoefte gevoeld om mij een leegstaand pand toe te eigenen. Ik weet ook niet of kraken politiek gezien het beste antwoord is op problemen als de woningnood, al is het natuurlijk schrijnend dat er soms hele panden jarenlang leegstaan terwijl een straat verderop mensen geen huis kunnen vinden. Nee, het was iets anders. Het kraakverbod is een symptoom van een Nederland dat steeds verder overwoekerd wordt door een fantasieloze vermarkting van het sociale leven.

Een voorbeeld. De enige momenten dat ik ooit in kraakpanden kwam was tijdens uitgaan. In dat soort panden had je namelijk de leukste technofeestjes. De entree, de garderobe en het drinken waren spotgoedkoop, de zalen waren vaak gedecoreerd met gezellige creatieve knutselwerkjes van de krakers zelf, de muziek pompte en vaak heerste er een gemoedelijke, open sfeer. In de jaren negentig waren dat prettige plekken om te vertoeven, ook voor niet heel kapitaalkrachtige studenten. Ze ademden een vrijheid en ontspannenheid die je tegenwoordig maar zelden tijdens openbare feesten ziet.

Kijk eens naar de grote dancefestivals van tegenwoordig. Bijna allemaal zijn ze commercieel van aard. De entreeprijzen zijn astronomisch, Grolsch, Red Bull en Bacardi sponsoren de drankjes, eten en drinken zijn ontzettend duur, de individuele danstenten worden ook zelf weer gesponsord door weet ik wat voor merken, je wordt voortdurend op je vingers gekeken door ingehuurde kleerkasten van een beveiligingsbedrijf: achter werkelijk alles lijkt een businessmodel te zitten. Er is nauwelijks nog een feestje te vinden dat opgezet wordt door mensen die simpel plezier willen maken en een passie hebben voor muziek, zonder winstoogmerk. De hele festivalscene is zo geprofessionaliseerd dat de verschillende festivals ook nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Overal kun je diezelfde melige pannenkoeken eten, de Thai curry of het verschrikkelijke broodje beenham.

Kraakpanden zorgden jarenlang voor een omgeving in de Nederlandse cultuur waar mensen samen met iets bezig konden zijn zonder dat er geld aan verdiend moet worden. Een kleine liberated territory waar iedereen naartoe kon gaan om te ontspannen en te genieten van creativiteit en diversiteit, niet om als een kudde afgematte hamsters door een commerciële tredmolen heen gedreven te worden. Dat gold niet alleen voor dancefeesten, vooral ook theater en andere kunstvormen bloeien in het kraakmilieu. Door het kraakverbod wordt mij dat allemaal afgenomen. En dat is een enorm gemis. Het is niet alleen het kraken dat op deze manier verloren gaat, het is een sfeer van openheid en experiment, van echte innovatie, die gesmoord wordt in een overgecontroleerd Nederland dat blijkbaar alleen nog kan recreëren en pleziermaken in een volledig voorgekauwde commercieel gebrande omgeving.

De lakeien van Heleen Mees

Heleenmees_1
Met feminisme is niets mis. In tijden dat we nog steeds zitten meteen glazen plafond, vrouwen in Nederland nog steeds vaker deeltijdwerken dan mannen en veel jonge gescheiden moeders hun kinderen inarmoede moeten opvoeden is het nodig dat af en toe een sterke vrouwopstaat die kritisch het gebrek aan emancipatie aan de kaak stelt. Zoiemand is jurist, econoom en NRC columnist Heleen Mees.

Ik vind het daarom ongelooflijk jammer dat Mees in haar artikeleneen kille vorm van neoliberalisme het emancipatiedebat binnensmokkelt.‘De verzorgingsstaat verstikt migranten. Bouw hem om tot eenkansenmaatschappij’ kopte haar stuk in de opiniebijlage van NRC Handelsbladdit weekend. Het artikel was een lofzang op New York ‘het ultieme modelvoor een samenleving zonder grenzen. Het is de stad van de toekomst’.Mees woont zelf in New York en beschrijft een toestand die voor haarblijkbaar paradijselijk is ‘De winkels zijn de hele week tot negen uur’s avonds open en de deli zelfs dag en nacht. Nannies zorgen voor de kinderen in de buurt en dogwalkerslaten de honden uit.’ Daarnaast blijkt er in New York ook nog een grote gemeenschapszin te bestaan en is er een ‘sterke onderlingebetrokkenheid’.

De lezer vermoedt het al: dit is een aanleiding tot de gebruikelijkeneoconservatieve riedel over de verzorgingsstaat, die mensen passiefzou houden en zou segregeren en vernietigend zou werken voor‘gemeenschappen’. En inderdaad. Het langdurig afhankelijk zijn van eenuitkering werkt ‘vervreemding en apathie in de hand’. In Nederland is–alweer vanwege de verzorgingsstaat natuurlijk- een ‘overschot aanlaagopgeleiden gedwongen tot inactiviteit’. Maar nog meer, Mees moetook nog iets zeggen over een ander geliefd onderwerp van rechts:‘Bovendien dwingt de hoge belastingdruk, die zo kenmerkend is voor deverzorgingsmaatschappij, mensen die wel een baan hebben ertoe omallerlei laagwaardig werk zelf te doen’. Want nanny’s, werksters enhondenuitlaters zijn schandalig duur in Nederland. Schande! Mees moetzelfs twee weken wachten tot er eindelijk plaats is bij haar manicure!Een ramp voor de emancipatie van de hoogopgeleide vrouw.

Want dat is de makke van de ideologie van Heleen Mees. Haar idealemaatschappij is die van de goedverdienende carrièrevrouw met eenstevige opleiding. Het ‘feminisme’ van Mees is de hartenkreet van eenverwende klasse van vrouwen met een hoog inkomen, die vinden dat zebuiten hun drukke baan om moeten kunnen leven als prinsesjes, omgevendoor hofdames en lakeien.

Er is echter ook een andere kant aan het goudgerande verhaal van Mees. Dan hebben we het over de klasse van de working poor in New York. Meer dan een kwart vande inwoners van de staat New York valt onder deze categorie. En dat ineen stad waar de kosten van de noodzakelijke basisbenodigdheden om televen de pan uitrijzen. Laat het nu net deze groep zijn die de hofhouding van de NRC columniste bevolken.

De nanny waar Heleen Mees zo prijzend over schrijft, zorgt misschienvoor de kinderen van haar rijke klanten, maar heeft geen tijd om voorhaar eigen kinderen te zorgen, omdat ze geen crèche kan betalen. Dehondenuitlater moet niet ziek worden, want in de keiharde competitievesamenleving van New York krijgt ze niet doorbetaald en verliest met eenbeetje pech zelfs haar baan. Die dame die Mees’ kopje koffie zet bij deStarbucks op de hoek is onverzekerd en kan de medicijnen niet betalendie ze voor haar depressie nodig heeft. De schoonmaakster in denagelstudio die de schrijfster frequenteert leeft in een huis waarvanhet gas is afgesloten omdat ze haar rekening niet kon betalen.

Mees noemt New York een kansenmaatschappij, maar het probleem isjuist dat er in de VS heel weinig ruimte is voor de onderklasse om door te groeien   naar de middenklasse. De lagere inkomens zitten disproportioneel geconcentreerdin een paar wijken (upper Manhattan, de south Bronx en centralBrooklyn) en bestaat voor een derde uit zwarten en voor een derde uitHispanics: over segregatie gesproken. Mensen zitten vastgeklonken inbaantjes zonder enige zekerheid en met weinig kansen om te groeien.Naomi Klein noemde deze baantjes McJobs:geen serieuze banen, maar slechtbetaalde net-niet banen die werknemersaan de onderkant van de samenleving gevangen houden. New York is hetvoorbeeld van een kille, harde competitiemaatschappij met ongelijkestartkansen waarbinnen een grote groep mensen (vooral migranten)stelselmatig uitgesloten wordt. Een situatie waarbij het Nederlandse‘multiculturele drama’ helemaal niets voorstelt.

Het is daarom onbegrijpelijk om Heleen Mees te horen vertellen datNew York zo geweldig is vanwege de laagbetaalde banen (ze noemtschoenpoetsers, ‘waterschenkers in restaurants’ en liftbedienden!). Hetis domweg cynisch als ze schrijft dat ze ‘in New York voortdurend inaanraking komt met mensen in allerlei soorten kleuren en maten’. Isprinses Mees werkelijk blind? Begrijpt ze dan niet dat die geweldige‘gemeenschapszin’ het gevolg is van het feit dat al die mensen ininkomen afhankelijk zijn van rijke dames zoals zij, wanneer ze debehoefte voelt om haar dure merkschoenen te laten poetsen?

En de grap is nu juist dat ze er in New York achter aan het komenzijn dat er geïnvesteerd moet worden in al die mensen onder dearmoedegrens en dat dat betekent dat er meer belasting betaald moetworden. Zo bleek een meerderheid van de New Yorkersvoorstander te zijn van hogere belasting als dat betekende dat er meerwerd geïnvesteerd in openbaar onderwijs en een ziektekostenverzekeringvoor alle onverzekerde inwoners van de staat. Voordelen dus vandiezelfde verzorgingsstaat die Heleen Mees zo bestrijdt.

Feminisme hoort van alle vrouwen te zijn. Niet alleen van een kleinegroep vrouwen met een hoog inkomen. In New York bestaat de klasse vanwerkende armen voor 60% uit vrouwen. Waar blijven die in het paradijsvan het powerfeminisme? Ik vraag me af of het ideeëngoed van Mees de omschrijving ‘feministisch’überhaupt wel verdient. Wat zij doet, is niets anders dan hetverdedigen van een amoreel neoliberalisme dat Nederland vreemd is. Dannog liever een ‘multicultureel drama’.