PvdA: houd je rug recht tegen de ontslagrechtfetisjisten!

Kortgeleden werdik plotseling gebeld door een kamerlid van de PvdA. Waarom ik mijnlidmaatschap heb opgezegd. Ik was even verbouwereerd. Waar moest ikbeginnen? Vlak na de populistische uitbarsting rond Fortuyn was ik lidgeworden. Vond dat die partij, die toch uiteindelijk een sympathieke,vrijzinnige en linkse club heette te zijn, wel een steuntje in de rugverdiende. Bovendien leek de figuur van Wouter Bos me een verfrissendewind in het bestaande politieke bolwerk.

Vervolgens werd ik teleurgesteld. Ik heb niet alle oude koeien uitde sloot gehaald voor de dappere mevrouw die mij belde. Maar kan me noghelder een partijbijeenkomst van een paar jaar terug in De Rode Hoedvoor de geest halen. Bos legde daar vol vuur uit, dat de PvdA tegen deoorlog in Irak was, maar nu de oorlog was uitgebroken, de missie dantoch maar steunde (immers, ‘ze’ waren begonnen, niets meer aan tedoen). Bos mag dan gereformeerd zijn, dit was de redenering van eenJezuïet. Ik had eigenlijk meteen op moeten zeggen, maar gaf ze nog eenkans.

Naast dit soort openlijk gedraai bleek de partij ook van binnen eengedrocht te zijn. Toen recentelijk Pronk de verkiezingen voor hetpartijleiderschap verloor, terwijl hij toch de meeste stemmen hadgehad, had ik er echt genoeg van. De PvdA bleef een partij van demiddelmatigheid, van de slapheid en van het gebrek aan daadkracht. Enwaar ik me het meeste zorgen over maak, is hoe ze nu omgaan met de doorhet CDA gewilde versoepeling van het ontslagrecht. Hoewel de dame diemij belde mij verzekerde dat de PvdA op dit gebied zijn poot stijf zouhouden, vrees ik het ergste. Tot nu toe lijkt de partij dit wel te doen,maar houdt ze dat vol? Onder Pronk had ik dat vertrouwen zonder meergehad. Maar zal deze alleraardigste mevrouw Ploumen, die zo graag departij bij elkaar wil houden, dat ook blijven volhouden?

De versoepeling van het ontslagrecht is een fetisj van neoliberaleeconomen. Een flexibeler arbeidsmarkt zou volgens hen tot minderwerkloosheid leiden. Ook zijn er links-liberalen (bijvoorbeeld binnen Groen Links)die geloven dat door een gemakkelijker ontslag de zogenaamde‘outsiders’ (vrouwen, allochtonen) gemakkelijker aan een baan kunnenkomen. Beide uitgangspunten stroken niet met empirischeonderzoeksgegevens, zoals Alfred Kleinknecht gisteren in NRC Handelsbladnog maar eens aantoonde. Er is geen bewijs voor een correlatie tusseneen soepeler ontslagrecht en minder werkloosheid of het opnemen vanmeer ‘outsiders’. Versoepeling van het ontslagrecht werkt dus niet, het is pure ideologie. Een natte droom van economen in een ivoren toren.

En werkgevers natuurlijk. Wanneer je mensen gemakkelijker kanontslaan dan maakt dat de taak voor managers eenvoudiger. Je hoeftweinig mensenkennis te hebben en hebt geen uitgebreidesollicitatieprocedures meer nodig. Je neemt iemand aan en als die nietbevalt dan mieter je hem of haar er gewoon weer uit. Een buitenkansjevoor slechte, autoritaire en asociale managers. Ze hoeven nooit meernaar kritiek te luisteren en zijn nu in staat om een afdeling vol methielenlikkers om zich heen te verzamelen. Tsja, bepaalde groepen zullenzeker baat hebben bij ontslagrechtversoepeling.

Het is mij ook een raadsel hoe Groen Links ooit de wanstaltigeontslagrechtplannen in ‘vrijheid eerlijk delen’ naar voren heeft kunnenbrengen. Je moet toch wel een dromerig bloemenkind zijn om te gelovendat die autoritaire managers nu allemaal ‘outsiders’ gaan aannemen?Geloven dat deze versoepeling de emancipatie vooruit helpt is netzoiets als jarenlang blijven verkondigen, tegen alle feiten in, dat hetcommunisme, met al zijn goede bedoelingen, ook daadwerkelijk de besteuitkomsten blijft genereren. Het is lang geleden dat de CPN in GroenLinks opging, maar blijkbaar is de naïviteit gebleven.

En dan hebben we het nog niet gehad over de economie van het geluk,waar Femke Halsema recentelijk nog over sprak. Helpt een economie dieveranderd is in een grote flipperkast, waarbinnen je dan weer hier, danweer daar werkt, geheel en al overgeleverd aan de krachten van de markten de wispelturigheid van managers, in het bereiken van een groterAlgemeen Geluk? Nu ja, overwegingen voor mij om me toch maar niet bijGroen Links aan te melden.

Goed, terug naar de mevrouw van de PvdA. Ze kon me er niet van afpraten mijn lidmaatschap op te geven. Wel heeft ze me zover dat ikvoorlopig ‘belangstellende’ van de sociaaldemocraten blijf. Lijkt meeen prima positie om in de gaten te houden wat ze met het ontslagrechtgaan doen. Of ze in staat zijn nog wat vertrouwen bij me terug tewinnen. Ik wacht nog een halfjaartje en als ze dan hun leven nietgebeterd hebben, is het ook met mijn belangstelling gedaan. Tsjongejonge, geef ik ze wéér een kans!

Paddo’s en betutteling

Hallucinerende paddestoelen worden sinds de jaren Paddo’s’90in Nederland openlijk via smartshops verkocht. In al die tijd hebben zeweinig slachtoffers gemaakt aangezien iedereen weet dat eenpaddestoelentrip best heftig kan zijn en je je daar goed op moetvoorbereiden. Niet combineren met andere drugs, zeker niet met alcohol.Rustige omgeving. Dat alles wordt door de meeste goede smartshopsomstandig medegedeeld. En de Nederlanders hebben zich daar altijd aangehouden. Tot er recentelijk veel ophef over die paddestoelen ontstonden de conservatieve betuttelaars zich weer eens ‘zorgen’ zijn gaanmaken.More...

Het is heel opvallend hoe dat gaat. De Nazi-propaganda ministerGoebbels gaf ooit aan dat als je iets als waarheid wil inpeperen, jehet vooral vaak moet herhalen. Elk incident (meestal dramatischetaferelen met buitenlandse toeristen) wordt voortdurend opnieuw genoemdzodat het lijkt alsof we in een neerwaartse spiraal zijn beland. Hetbegon met de 17-jarige Franse toeriste die van het dak van Nemo sprong(kwam het door de paddo’s of was het meisje gewoon een depressievetiener? Tsja, als je een van haar ouders bent geef je natuurlijk graagde schuld aan de paddo’s). Toen die Fransman die een hond aan stukkensneed (bleek later niet om paddo’s te gaan: resultaat is echter wel dathet woord ‘paddo’s’ in de hoofden van de mensen blijft hangen). Derecente statistieken van oplopende paddo incidenten (met buitenlanders)in de hoofdstad. De VVD roept om een verbod (daar zijn het tenslotte‘liberalen’ voor). Minister Ab Klink onderzoekt het fenomeen.

Wonderlijk dat het met al die ‘incidenten’ altijd om buitenlandersgaat. Waarom komen Nederlanders niet in die problemen? Dat iseenvoudig. Omdat Nederlanders van de jongere generaties in hunpuberteit naast dat blowtje ook wel eens een paddestoel hebbengebruikt. Netjes volgens de voorschriften: want is best eng namelijk.Wij Nederlanders groeien er mee op. En geen Nederlander haalt het inzijn hoofd om na een avondje goed zuipen paddestoelen naar binnen tegaan werken. Een lijntje na het zuipen, ok. Een pilletje, mwa, waaromniet. Maar paddo’s? Om zoiets te bedenken moet je echt afkomstig zijnuit een of ander achterlijk land waar men nog steeds denkt via verbodenen politieoptreden mensen in een gewenste pasvorm te kunnen gieten.

Nu is het ook wel zo dat -vooral in Amsterdam- een aantal smartshopszich wel expliciet op die toeristen richten. Die ruiken het grote geld.Veel toeristen gaan naar Amsterdam om high te worden en naar de hoerente gaan. Nu, zij krijgen hun high. En dat soort snelle smartshopsverdienen er een lieve duit aan. Zoals zo vaak, leidt eenongecontroleerd kapitalisme tot een samenleving, waarbij de mensslechts als consument wordt gezien, een ‘ding’ waardoor je snel rijkkan worden. Regels moeten dan inderdaad van de overheid komen.Kapitalisme zonder regulering is ondenkbaar, wat alle vrijemarktliberalen ook beweren.

Maar alsjeblieft geen verboden! Los van het feit dat een verbod nietwerkt (kijk naar de VS bijvoorbeeld) zou de overheid ook geen oordeelmogen uitspreken over het gebruik van paddo’s. Hallucinerende middelenkunnen mensen wel degelijk helpen de wereld en hun persoonlijke levenop een andere manier te gaan zien. Mits verstandig gebruikt, zijntripmiddelen voor velen een manier om zich te bezinnen over het leven.Enkel en alleen de nadruk leggen op de risico’s is dan ook eenzijdig.Stel je eens voor dat we alleen nog maar de negatieve effecten vanauto’s gingen benadrukken (vervuilend, potentieel moordwapen, labielemensen kunnen zichzelf en anderen ermee beschadigen, geluidsoverlast,stankoverlast enz.) en niet de positieve (het brengt je snel van a naarb, niet afhankelijk van openbaar vervoer, handig voor boodschappenenz). Zouden we dan ook auto’s niet moeten gaan verbieden? De meestemensen zullen het met me eens zijn dat dat een belachelijk plan is. Welis het belangrijk, dat iedereen een rijbewijs heeft voordat hij of zijplaatsneemt achter het stuur.

Vandaar ook dat ik goed kan leven met de plannen van burgemeesterCohen in Amsterdam. De idee om het gebruik van paddo’s aan eenvergunning te onderwerpen en een driedagentermijn af te spreken zodatmensen zich kunnen bezinnen over het gebruik van de drugs remt het alte spontane en ondoordachte gebruik, zoals het kopen van paddo’stijdens een alcoholroes. Ik vermoed dat de plannen tot gevolg zullenhebben dat het aantal incidenten met (buitenlanders en) paddo’s forszal dalen terwijl de serieuze gebruikers de vrijheid houden om de doorhen gekozen middelen te nemen. Het remt ook het al te gemakkelijkevermarkten van paddo’s aan toeristen door snelle profiteurs. Natuurlijkzal er altijd een zwarte markt blijven bestaan waar je wel snel aan dedrugs kan komen. Maar goed, als je dan toch moeilijk moet gaan doen viahet illegale circuit, waarom dan in vredesnaam paddo’s kopen met je bezopen hoofd?

Bergmans gelijk

Beperkt_houdbaarAfgelopen donderdag werd het tweede deel uitgezonden van Sunny Bergmans Beperkt houdbaar,de documentaire over de invloed die schoonheidsidealen die uitgedragenworden via de media op vrouwen hebben. Doordat vrouwen dag-in dag-uitbestookt worden met beelden van perfecte modellen die in de meestegevallen producten zijn van photoshop en plastische chirurgie, krijgenvelen van hen het idee dat ze niet aan de norm voldoen. Ze wordenkritisch over hun eigen lichaam, voelen zich ongelukkig en gaannadenken over mogelijke chirurgische ingrepen.

De gangbare kritiek op de klacht van Bergman is de wedervraag waarze zich eigenlijk druk over maakt. Je kunt toch zelf ook wel bedenkendat al die modellen niet ‘echt’ zijn? Waarom je onzeker voelen over jeuiterlijk? Als jij niet aan perfecte normen voldoet, dan maakt dat tochniet uit, er zijn miljoenen vrouwen die niet aan het schoonheidsideaalvoldoen. Waarom je druk maken over de pornoficatie van de samenleving?Als je al die porno niet wil zien, dan kijk je toch gewoon de anderekant uit? Dring je op deze wijze niet jouw normen, over wat goed ensmaakvol is, op aan anderen? Laat mevrouw Bergman niet zo moeilijkdoen, ze stelt zich aan, ze overdrijft, het loopt allemaal zo’n vaartniet, vrouwen zijn toch sterk en autonoom genoeg om hun eigenbeslissingen te maken? Als iemand een plastische chirurgische ingreepdoet, dan is dat toch prima en iemands eigen keuze?

Het probleem met dit soort laissez-faire liberalisme is een gebrekaan zelfreflectie. Het gaat immers uit van een aantal niet nadergenoemde uitgangspunten die zeer twijfelachtig zijn. In de eersteplaats de idee dat vrouwen (mensen in het algemeen) volstrekt autonoomzijn en hun eigen beslissingen kunnen nemen onafhankelijk van de wereldom hen heen. Dit is een volstrekt utopische gedachte. Mensen wordenvanaf hun geboorte gevormd door beelden, gedachten en verhalen uit hunomgeving. Wie je bent, wat goed en wat kwaad is, wat waarheid is, watje zou moeten bereiken in je leven is grotendeels een product van onzeomgeving. Omdat we niet alles wat we horen empirisch enwetenschappelijk kunnen testen nemen we heel veel aan, vanautoriteitsfiguren bijvoorbeeld, of gewoon omdat iedereen het zegt ofomdat je het overal ziet. Dat je je aan vuur kan branden kun jeempirisch uitvinden, maar wat mooi en lelijk is, is veel vloeibaarderen moeilijker vast te stellen. In die laatste gevallen zoek je dan ookvaak houvast in je omgeving. In de eerste documentaire van Beperkt houdbaarkan Bergmans vriend praten als Brugman, zijn waarheid over haarschoonheid kan haar niet overtuigen. Dokter Mattlock in zijn witte jasheeft meer autoriteit, evenals de overdosis aan schoonheidsbeelden dieze elke dag toegediend krijgt.

Een tweede aanname van de liberale ‘vrije keuze’ gedachte is dat devraag het aanbod bepaalt. Stelt u zich even voor: een grote groepgeheel onafhankelijke, vrije geesten bedenkt uit het niets dat zebehoefte hebben aan een bepaald soort porno en schoonheidsbeelden. Deindustrie komt ze onmiddellijk tegemoet met alles wat hun hartjebegeert. Wat een prachtige gedachte, maar hoe onrealistisch ook. Ikdenk eerder dat mensen nog meer perfecte vrouwen en harde porno willenomdat ze geleerd hebben dat dat lekker is. Het is net als mode: weleren van de industrie wat hip is en we gaan vanzelf oudere modebeeldenlelijk vinden (of mooi, in een tijdperk van retromode). Daar komt geenvrije beslissing aan te pas. Ja natuurlijk, op detailgebied is er vrijekeuze. Je kan aan een bepaalde trend wel en aan een andere nietmeedoen. Zoals je kan kiezen tussen de ene pornosite en de andere. Maarnetto heeft dat op de industrie weinig invloed. Uiteindelijk bepalenzij hoe wij eruit zien en wat we lekker (horen) te vinden.

Nu heb ik weinig problemen met mode. Deze stimuleert een zekereafwisseling in kleding door de tijd heen en beperkt voor de gewonekoper de keuzestress, omdat je slechts hoeft te kiezen uit datgene watop een bepaald moment ‘in’ is. Bovendien is het bijzonder handig om opbasis van de kleding oude foto’s gemakkelijk te kunnen dateren.Geïdealiseerde vrouwbeelden echter maken dat vrouwen zich ongelukkigergaan voelen, de pornoficatie van de samenleving stimuleert de gedachtedat de vrouw onderdanig zou moeten zijn aan de man, lustobject zoumoeten zijn, en staat daarmee de emancipatie in de weg. Wat dan ooknoodzakelijk is, is meer dan de individuele keuze van zogenaamd‘autonome’ vrouwen om hier niet aan mee te doen. Zelfbewustzijn moetzich dan juist vertalen in collectieve actie.

Wat Bergmans actie uitwijst is dat autonomie niet een gegeven is,maar iets is dat telkens weer opnieuw bevochten moet worden. Juist doorde acties van Bergman, waarbij bijvoorbeeld foto’s in glossy’s wordenvoorzien van het ‘gephotoshopt’ logo, kunnen vrouwen zich losmaken vanhet door de industrie bepaalde beeld van de vrouw en daarmee een beetjeindividualiteit terugveroveren. Het is juist door actie, door dadendus, waarmee je –in samenwerking met anderen- ingrijpt in de omgevingom je heen, dat je wordt wie je bent. Niet door passief de wereld aanje voorbij te laten gaan. En zo is het niet alleen met devrouwenemancipatie, zo is het met veel politieke onderwerpen.Rechts-liberalen hebben het naïeve idee dat werkelijke keuzevrijheid,gelijke kansen en autonomie reeds gerealiseerd zijn. Links-liberalendelen deze idealen, maar zien ze als mogelijkheden in de toekomst,waarvoor voortdurend opnieuw gestreden moeten worden. Het verschiltussen ideologie en doorleefde werkelijkheid, tussen gewilde illusie enondervonden realiteit.

Ook deze bijdrage verscheen in het kader van het Waterlog Seksdebat.

Oud en nieuw links

Gisteren was er in Het Elfde Uur een kandidaat lijsttrekker voor de PvdA (Lilianne Ploumen) te gast. Natuurlijk kwam de herrijzende Jan Pronk ter sprake. Knevel kon het even niet laten. Jan Pronk was ‘oud links’ en ging dus over ‘het toedekken van allerlei problemen’. Toen Ploumen aangaf dat ze zich ook aan de linkerkant van de PvdA positioneerde, associeerde Knevel dat onmiddellijk met ‘oud links’. Het leek of ‘links’ synoniem was voor ‘oud’ bij de EO-presentator. Nu is het natuurlijk enigszins lachwekkend een calvinist als Knevel, die zo via een tijdmachine uit de periode van de reformatie naar het nu gebeamed lijkt te zijn, te horen praten over ‘links’ als oud. Eveneens is het grappig om zo iemand te horen spreken over het ‘toedekken van problemen’ terwijl we weten dat het christendom daarvoor is uitgevonden. Maar het onderwerp is boeiend: wat betekent eigenlijk dat woordje ‘oud’ in politieke context?

‘Oud’ als ideologische kwalificatie
Natuurlijk wordt dat woordje vooral in polemische zin gebruikt, om mensen te diskwalificeren. Als je gelooft in de ‘Vooruitgang’ (wat wij in Nederland nog altijd schijnen te doen) dan is alles van vroeger versleten, alles van nu beter en alles van morgen het best. Dat is een soort redenering die boven alle discussie verheven staat. Toen in 1989 de Berlijnse muur viel was dat niet alleen een dreun voor specifiek dictatoriale vormen van socialisme, maar werd deze historische gebeurtenis ook ‘gelezen’ als de overwinning van het neoliberale marktdenken op andere vormen van maatschappelijke ordening. Niet alleen communisten, maar ook sociaal-democraten en andere vormen van gematigd links kregen het zwaar te verduren. Ineens waren ze niet ‘progressief’ meer, maar ‘oud’: ‘oud links’. Als antwoord liet ‘links’ zijn ‘ideologische veren’ vallen: Kok in Nederland, Blair in Engeland. Kok maakte Lubbers’ karwei af en Blair dat van Thatcher. Het is cynisch om te zien hoe datgene wat de rechtse hervormers niet gelukt was juist door hun ‘linkse’ opvolgers met veel bezieling tot stand werd gebracht. ‘Nieuw links’ was eigenlijk rechts in vermomming.

Leeftijd en diskwalificatie
Het woordje ‘oud’ kleeft natuurlijk ook aan de leeftijd van iemand als Pronk. In Nederland geloven wij bijvoorbeeld dat ‘jonge’ mensen (Bos, Balkenende) per definitie ‘fris’ zijn en ideologisch de Nieuwe Tijd belichamen. Partijvernieuwing is beslist niet iets voor senioren, aan wie altijd een walm van conservatisme kleeft, die omwille van hun belegen aard al onherroepelijk afkoersen op de grijs-grauwe, warme en veilige sferen van het bejaardentehuis. Maar schijn kan bedriegen. Was het niet een ‘oudere’ babyboomer als Pim Fortuyn die Nederland een paar jaar geleden op zijn grondvesten deed schudden? Was het niet in de jaren ’70 Joop den Uyl, die toen al in de vijftig was, die het boegbeeld werd van de progressieve veranderingen in Nederland? Het is daarom onzinnig om iemand te diskwalificeren op basis van zijn leeftijd: het woordje ‘oud’ is –in die zin gebruikt- goedkoop en waardeloos.

Oud links
Is het dan überhaupt zinvol om te spreken van ‘nieuw’ en ‘oud’ links? Ik geloof toch van wel. Wat links of progressief is op een bepaald moment is echter niet afhankelijk van de ideologische mode, maar van een grondige analyse van de economische onderbouw. Het kapitalisme verandert voortdurend en de strijd van gisteren is niet meer dezelfde als die van vandaag. Om een beeld te krijgen van die ontwikkeling is het goed om even kort de laatste drie fasen van het kapitalisme door te lopen en te zien hoe ‘links’ zich destijds positioneerde.

In de 19de en het begin van de 20e eeuw bestond er een klassieke tegenstelling tussen bourgeoisie en proletariaat. Ondernemingen waren veelal in privé bezit en arbeiders werden uitgebuit. De linkse strijd was die voor kiesrecht, politieke invloed en verbeteringen van de leefomstandigheden voor alle mensen. Langzamerhand is dat kapitalisme overgegaan in die van de grote bedrijven, de grote vakbonden en de verzuiling. In deze periode was er meer veiligheid en zekerheid voor veel mensen: je begon bij een bedrijf en bleef loyaal en werkte je gedurende je leven stap-voor-stap op. Autoriteit was belangrijk in die tijd, evenals je maatschappelijke positie als onderdeel van een zuil. Je volledige identiteit en dagbesteding werd door instituties als bedrijf, kerk, familie en gezin bepaald. Veel vrijheid was er niet en van een werkelijke democratie was ook niet echt sprake, aangezien je gewoon stemde op de partij die min of meer bij je zuil hoorde. In dat opzicht verschilde het kapitalisme in ons land niet veel van de communistische dictaturen in bijvoorbeeld het Oostblok. De linkse strijd in deze tijd was die voor meer individualisering, meer vrijheid en democratie, tegen autoriteit, vaak ook tegen de kerk en voor meer gelijkheid.

Nieuw kapitalisme
Sinds de jaren ’70 en ’80 is de economische structuur waarin we leven weer veranderd en dat had omvangrijke consequenties. De economie werd flexibel, alles wat vast werd, werd vloeibaar. Het zogenaamde Bretton Woods systeem werd verlaten zodat de Amerikaanse dollar niet meer aan de goudstandaard gekoppeld was. Als gevolg daarvan werden de meeste geldkoersen ‘zwevend’. Door de steeds populairder wordende neoliberale ideologie privatiseerden veel landen hun ‘vaste’ staatsbedrijven en lieten deze over aan de markt. Globalisering en internationale concurrentie werden scherper doordat steeds meer ‘concurrentievervalsende’ beleidsmaatregelen op voorspraak van organisaties als het IMF werden afgeschaft. De tijd van de grote bedrijven waar je je leven lang in dienst was, waren voorbij. De maatschappij raakte in een stroomversnelling: bedrijven konden zo failliet gaan, reorganisaties waren aan de orde van de dag. De ideale werknemer werd flexibel: hij of zij was niet gebonden aan huis of haard, had geen loyaliteit voor een bepaald bedrijf, maar was iemand die vrijelijk de wereld kon doorkruisen op zoek naar steeds weer nieuwe ‘uitdagingen’, iemand die inspeelde op de ‘kansen’ van het moment. Het effect op onze cultuur van deze veranderingen is enorm en zet nog steeds door en de sociale ontwikkelingen zullen de komende jaren ook steeds extremere invloed uitoefenen.

Flexibele economie en nieuwe linkse idealen
Wat opvalt is dat elke nieuwe fase van het kapitalisme een overwinning van de linkse idealen van de vorige fase lijkt te zijn. De ‘middenfase’ bevatte alle zekerheid waarvoor links in de vroege fase gestreden had. De makke aan dit systeem was echter het gebrek aan individuele vrijheid. De ‘late’ fase lijkt alle vrijheid te geven waarvoor de progressieven in de middenfase gevochten hebben: er was geen gebondenheid meer aan zuil of organisatie en individuele ontplooiing lijkt nu voor iedereen open te liggen. De eenzijdige nadruk op flexibiliteit en bewustzijn van kansen heeft echter geleid tot een algemene oppervlakkigheid gecombineerd met existentiële eenzaamheid. Er komen steeds meer singles, maar ‘happy’ zijn ze allang niet meer. Mensen lijden onder werkdruk en vanuit de overheid krijgen we alleen maar te horen dat we nog meer moeten werken. Tegelijk worden we er niet gelukkiger op. Depressie wordt volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) volksziekte nummer één en één op de vier Nederlanders schijnt jaarlijks een depressie te ontwikkelen. Met al onze vrijheid, welvaart en onbegrensde mogelijkheden wordt de mens steeds leger, platter en ongelukkiger. We zijn meer met onszelf bezig en ongevoeliger voor de wereld om ons heen. En nog een vreemde ontwikkeling: we zijn helemaal niet zo individualistisch geworden, maar zijn steeds meer op elkaar gaan lijken. Dat moet ook wel, want in een flexibele economie moet je je kansen grijpen en dat betekent dat je de kunst moet verstaan om in ieder geval ‘voor te wenden’ dat je uitblinkt, maar niet teveel afwijkt, want dan ‘pas je niet in het team’ en dat betekent in een tijd dat het ontslagrecht steeds meer versoepeld wordt dat je alvast je spullen kan gaan pakken. Dat geldt voor de werknemer, maar nog sterker voor de flexwerker of freelancer die overal immers dezelfde goede indruk moet maken om zijn ‘product’ te verkopen.

Oud en nieuw links nu
Terug naar het onderscheid tussen ‘oud’ en ‘nieuw’ links. ‘Oud’ links betekent dat je simpelweg de vorige oorlog aan het voeren bent. Je politieke idealen zijn afgestemd op een vorige fase van het kapitalisme. D’66 is bijvoorbeeld oud links, met zijn grote nadruk op democratisering. In een tijd van grote politieke desinteresse is dat volledig de verkeerde weg. Dit geldt ook voor een deel van GroenLinks, dat met behulp van een versoepeling van het ontslagrecht denkt de vrijheid van minderheden te vergroten maar daardoor de rat-race versterkt en mensen nog meer dwingt om zich voortdurend aan het keurslijf van elke nieuwe werkgever aan te passen. Zogenaamde politieke vernieuwingsbewegingen als Luxvoor die denken via een vooral economische gedefinieerde ‘ontplooiingsstaat’ mensen vrijer te kunnen maken slaan om dezelfde reden de plank geheel mis. ‘Nieuw Links’ betekent volgens mij het centraal stellen van geluk in het politieke en economische beleid. Het betekent dat je je verzet tegen de alsmaar sterker wordende prestatiedruk en de maatschappelijke gelijkmakingsmachine. Mensen zouden niet alleen de mogelijkheden moeten krijgen maar ook gestimuleerd moeten worden om zich niet-economisch te ontwikkelen, om na te denken over de werkelijke inhoud van hun leven, over datgene wat je niet kan kopen. Het betekent dat de nadruk komt te liggen op authenticiteit, op een werkelijk individualisme dat echter nooit zonder de steun van de gemeenschap kan ontstaan. Er moet een halt toegeroepen worden aan de overspannen productiegekte van de economie en vrijheid dient niet als kansen, maar als tijd te worden gedefinieerd.

Pronk en ontslagrecht
Of iemand als Jan Pronk of Lilianne Ploumen die tijdgeest goed begrijpen is moeilijk te zeggen. Wel vind ik het standpunt tegen versoepeling van het ontslagrecht van Pronk uitgesproken ‘nieuw links’ in mijn definitie, al vraag ik me af of hij dat vanuit de juiste motivatie doet. Dat ik vind dat het ontslagrecht niet versoepeld mag worden heeft er niet mee te maken dat ik graag terugwil naar een vorige fase van het kapitalisme waarin mensen hun leven lang bij dezelfde baas blijven, maar dat ik vind dat de beslissing om weg te gaan eerst en vooral bij het individu zelf moet liggen en niet bij de werkgever. Deze wordt bij problemen gedwongen om op een open en eerlijke manier met een medewerker die moeilijk ligt in gesprek te gaan om gezamenlijk tot een plan te komen. Dat is veel ‘menselijker’ dan je te verschuilen achter de gezichtsloze procedure van het ontslagrecht. Het stimuleert daarnaast ook een kritische houding bij medewerkers, wat leidt tot een meer individualistische cultuur dan wanneer je je moet aanpassen omdat je er ieder moment kan uitvliegen.

Pronk lijkt me verder een exponent van het emotionele links waar ik eerder wel kritisch over geschreven heb. Toch geloof ik dat een stevige linkse koers in de PvdA niet verkeerd zou zijn, wellicht zou het de discussie kunnen stimuleren en de partij zo naar een meer afgewogen ideologisch politiek beleid kunnen leiden, in plaats van de vlees-noch-vissige middenkoers van Wouter Bos. Misschien is er wel een oude man nodig om de partij weer een broedplaats te maken voor nieuwe ideeën.

Spirituele politiek (2)

In mijn vorige stuk opperde ik dat er een enorm potentieel voor de linkse partijen zou kunnen liggen bij de zogenaamde ‘nieuwe spirituelen’, de toenemende groep mensen op zoek naar authentieke, verlichtende ervaringen. De vraag is natuurlijk: biedt die spiritualiteit werkelijk een mogelijkheid tot maatschappelijke revolte, of doet deze niets anders dan de bestaande rat-race, het doorgedraaide neoliberale kapitalisme te ondersteunen? Is dagelijkse meditatie bijvoorbeeld niet iets dat ons juist klaarstoomt om nóg meer te werken, nóg meer te produceren? Is de herhaalde roep om te ‘leven in het nu’ juist niet de perfecte manier om elke werkelijke kennis over de maatschappelijke omstandigheden te ontlopen, om rondjes te draaien als een goudvis in zijn kom en dat nog prettig te vinden ook omdat we telkens weer vergeten dat we steeds hetzelfde rondje zwemmen?

Yoga en opium
Een blik op het laatste nummer van Happinez voorspelt niet veel goeds. Het in vrolijke kleurtjes vormgegeven magazine behandelt bijvoorbeeld de yoga-filosofie van swami Umesh Yogi ‘Als je om je heen kijkt, dan zie je dat de natuur zonder moeite is gecreëerd. De natuur doet geen moeite er zo mooi uit te zien. Zij is zo.’ Vervolgens vertelt de  swami dat de mens een en al strijd is en dat dat komt omdat onze ‘perceptie’ incompleet is. De oplossing hiervoor is meditatie. Nu is de redenering van deze Yoga-adept behoorlijk aanvechtbaar. De natuur is immers niet ‘zonder moeite gecreëerd’ maar uit strijd ontstaan en nog steeds vol van strijd. De natuur heeft een wrede en meedogenloze kant, dieren vreten elkaar op, vermoorden soms hun eigen jongen, planten en bomen vechten om een paar zonnestralen. De swami laat zich verblinden door de schijnbaar harmonische uitstraling van de natuur op een mooie lentedag en probeert dat gevoel over te brengen op zijn studenten. Als je maar afstand neemt van de werkelijkheid, als het ware een perspectief vanaf een berg neemt, dan ziet alles er vredig uit en vergeet je het gewelddadig krioelen. De ‘perceptie’ van Umesh Yogi is in wezen opium. Opium voor de gespiritualiseerde middenklasse, die na meditatie weer fijn aan het werk kan.

Is het alleen maar verdoving waar deze middenklasse naar op zoek is? Is de ‘spiritualiteit’ die ze trachten te vinden niets anders dan een moment van rust tussen de hectische arbeid door? Of het creëren van een geïdealiseerd zelfbeeld waarin alles in je leven ‘zin’ heeft, mooier is dan de dagelijkse gang naar het werk, de kantoren met hun flikkerende beeldschermen? Ik vond de column van Susan Smit in dezelfde Happinez zeer interessant, omdat deze wat zegt over de zelf-perceptie van de nieuwe spirituelen.

Flexibel spiritualisme
In deze column doet Smit een tweetal belangrijke dingen. Zo rekent ze zichzelf expliciet tot de groep ‘nieuwe spirituelen’, maar wijst ze het label van een ‘gelovige’ af: ‘Iets aannemen omdat het toevallig in een heilig boek staat, of omdat het zo prachtig en verheven klinkt, lukt mij niet. Ik onderzoek, avonturier, experimenteer en de inzichten die ik daarbij opdoe, integreer ik in mijn levensbeschouwing. Dat heeft weinig met geloven te maken.’. Verderop zegt ze: ‘ik wil flexibel zijn, mijn overtuigingen steeds opnieuw aanpassen aan nieuwe inzichten’. Het is grappig te zien hoe Smit het jargon van het moderne flexibele kapitalisme moeiteloos toepast op haar spirituele leven. Zoals de moderne flexwerker van baan naar baan hopt, zich overal aanpast en voortdurend openstaat voor nieuwe ondernemingen, zo zijn de nieuwe spirituelen in staat om te hoppen van regressietherapie naar yoga, en van daar naar tarotkaarten leggen en Indiaanse zweethutten. Ze binden zich niet meer aan één geloofsovertuiging (zoals in het oude kapitalisme de werknemer loyaal was tegenover een werkgever waar je soms je hele leven carrière maakte) maar trekken rond als spirituele nomaden en gebruiken wat hen van pas komt.

Ik wil deze houding niet bij voorbaat veroordelen. Mijn eigen verhouding tot filosofie is vergelijkbaar, ook ik gebruik wat mij van pas komt. En dezelfde vormen vind je terug bij het leven van de zogenaamde ‘happy single’. Uiteindelijk is dit zwervende bestaan tegenwoordig onontkoombaar, omdat economische verhoudingen voor een groot deel onze culturele uitingen determineren. Werk is zo belangrijk, je bent er zo’n groot deel van je leven mee bezig, het kan niet anders dan dat de structuur van je werk ook invloed heeft op je uitingen en ook op je denken zelf. Maar wat nu als je in dit nomadische bestaan inzichten opdoet, die niet zo prettig zijn? Je bewust wordt van ‘waarheden’ die keihard zijn en zich niet op de pastelkleuren van Happinez laten afdrukken? Wat dan? Incorporeer je die ook in je levensbeschouwing en doe je er iets mee, of ga je ze uit de weg, door bijvoorbeeld nog maar even in meditatie te gaan bij swami Umesh Yogi?

Werkelijke spiritualiteit
De vrolijke flexwerker, de happy single, de zoekende spiritueel, allen worden ze geconfronteerd met de donkere kant van het leven. De flexwerker wordt ontslagen en ontdekt in een periode van recessie dat hij of zij geen baan meer kan vinden. Of wordt uitgebuit met een laag salaris en slechte secundaire arbeidsvoorwaarden. De flexwerker is monddood, want heeft totaal geen invloed op besluitvorming. Als je het er niet mee eens bent, dan zoek je toch een andere werkgever? De happy single is meestal niet zo happy en ondervindt de nadelen van een bestaan waarin niemand zich meer durft te binden. En de zoekende spiritueel wordt geconfronteerd met de leegte van sommige therapieën, de harde, commerciële kant maar eveneens met haar eigen onvrede, omdat zij maar blijft zoeken.  Het is de bewustwording van dat onvervulde dat toegang geeft tot werkelijke spiritualiteit. Het universele besef dat je als mens altijd iets zal blijven missen, dat er altijd strijd is en dat elke schijnbare harmonie verstoord wordt door iets dat niet klopt, iets wat het totaalbeeld ontwricht. Juist het bewustzijn van die onevenwichtigheid geeft een werkelijk perspectief op het zelf.

Spiritualiteit en politiek
Dat is allemaal prachtig, zal de oplettende lezer denken, maar in wat voor opzicht leidt deze universele waarheid nu nog tot politiek verzet? Het besef van de gespletenheid van het zelf is van alle tijden, dat vind je al terug in de mythe van de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs. Mijn redenering is dat de gefragmenteerde leefsituatie in de periode van het flexibele kapitalisme meer dan ooit de mens prijsgeeft aan de onvolledigheid van zijn natuur. Als we niet vluchten in holle ideologieën en verdovende therapieën dan blijft alleen de ontstellende eenzaamheid en onzekerheid van de moderne tijd over. De onvolledigheid van alle new age inzichten en de lange tocht langs alle nep-verlossers drukt ons met de neus op het gebrek aan structuur en vastigheid in deze van economische groei bezeten wereld.

Ik bepleit geen terugkeer naar de tijden van weleer, maar geloof wel dat wil er enige rust komen op de andere vlakken van ons leven, ook het spirituele vlak, er eerst aan de bodem, in de ‘onderbouw’, veranderingen moeten worden doorgevoerd. Het economisch systeem zou zo moeten functioneren, dat het mensen in staat stelt om werkelijk de confrontatie met het bestaan aan te gaan, zonder voortdurend te worden aangetast in hun bestaanszekerheid en zonder zich altijd maar ‘flexibel’ te moeten opstellen, met andere woorden, zich voortdurend hoeven te conformeren aan de wensen van een werkgever, de markt of de krampachtig activerende overheid. Dit zal de tragische kant van de menselijke conditie vrees ik niet oplossen. Maar geeft ons wel de kans om de confrontatie ermee aan te gaan en zo werkelijk spiritueel te leren leven.

 

Spirituele politiek

Een van de maatschappelijke ontwikkelingen die door ‘links’ nog teveel over het hoofd wordt gezien is de opkomst van de zogenaamde ‘nieuwe spirituelen’. De steeds groter wordende groep van Happinez lezende, op-zoek-naar-zichzelf-zijnde, milieubewuste levenskunstenaars. De onderliggende behoefte van deze mensen, de zoektocht naar authenticiteit in een steeds artificiëler wordende en op hol gedraaide kapitalistische wereld ligt veel dieper dan een oppervlakkige modetrend: het is niet de zoveelste nieuwe lifestyle. Er is iets meer aan de hand en linkse partijen zouden daarop moeten inhaken.

Waarom verkoopt een boek als Tijd van onbehagen van filosoof Ad Verbrugge zo goed? Waarom zie ik meerdere mensen in mijn omgeving, die anders nooit filosofie zouden lezen dit boek aanschaffen en zich door zijn moeizame Hegeliaanse en Heideggeriaanse jargon heenploegen? Dat heeft natuurlijk te maken met de fenomenale marketing van Verbrugge zelf en de diep-doorvoelde boodschap die er in zijn optreden bij Tegenlicht en Zomergasten naar boven kwam. Namelijk een fundamentele kritiek op de moderne tijd, het snelle kapitalisme en de oppervlakkige individualisering. Verbrugge is in staat dit zo perfect en zo doorleefd te verwoorden dat velen het direct herkennen. Wat je ook van hem vindt: de VU-filosoof is authentiek, hij is echt en hij meent elk woord van wat hij zegt. Dat zijn oplossingen voor de problematiek vaak hopeloos conservatief zijn en getuigen van een griezelig gemeenschapsdenken dat juist tegengesteld is aan een individuele levenskunst, nemen de meesten voor lief. Zo profiteert een rechtse filosoof van de hang naar authenticiteit en de onderliggende maatschappijkritiek bij de nieuwe spirituelen.

Zeker partijen als Groen Links en de PvdA zouden volgens mij kunnen winnen door zich serieuzer bezig te houden met het onderwerp spiritualiteit, bijvoorbeeld door debatten te wijden aan de relatie tussen spiritualiteit en politiek. Vanwaar die angst van de politiek om zich hiermee bezig te houden? De relatie tussen politiek, idealisme en persoonlijke overtuigingen heeft in Nederland immers een lange traditie. De dichter Albert Verwey gaf van 1905 tot 1919 een tijdschrift uit, genaamd De Beweging, waarin al deze onderwerpen samenkwamen. In dit blad, de Happinez van het fin de siècle, was de socialist Troelstra naast anderen een vaste contribuant.

Een van de oorzaken van de linkse angst voor spiritualiteit, maar ook voor idealisme in het algemeen, heeft te maken met een aantal hardnekkige mythen. In de eerste plaats is dat de na de val van de muur ontstane overtuiging dat grote idealen eigenlijk heel gevaarlijk zijn. Kijk maar naar het communisme, zei men. Die communisten hadden ook goede bedoelingen, zie wat ervan komt: een handvol dorre dictaturen die uiteindelijk van ellende uiteenvallen. Voor het gemak werd het communisme nog even gelijk gesteld met het fascisme. Dat was immers ook een vorm van ‘idealisme’ met verschrikkelijke gevolgen. Dit soort banaliteiten en gemakkelijke redeneringen vonden een vruchtbare voedingsbodem bij teleurgestelde linkse mensen na het falen van het reëel bestaande socialisme in een tijd van opkomend neoliberalisme. In de jaren ’90 groeide de interesse voor een pragmatische benadering van politieke vraagstukken. Geen grootse vergezichten, stapje voor stapje, niet te hard van stapel. ‘Zorgen dat mensen het een beetje beter krijgen’ drukte Wouter Bos het uit in één van de meest ontluisterende televisiemomenten.

Intussen werden bedrijven geprivatiseerd en werd de samenleving almaar sneller en anoniemer. Het loslaten van grote idealen maakte dat alleen de oppervlakte overbleef. Gedurende de jaren ’90 bleef er een geloof bestaan in de technocraten van Paars, die probeerden het neoliberalisme een menselijk gezicht te geven. In plaats daarvan bereikten ze het tegendeel. Juist door het menselijke gezicht van de neoliberalen werd het verstandelijke, rationele, oppervlakkige van hun missie zichtbaar. Ad Melkert was de vleesgeworden verstandige rationaliteit en zijn beroemde confrontatie met Fortuyn was het moment waarop voor het eerst de fundamentele stroom van onbehagen zich publiekelijk manifesteerde. Melkert wist het allemaal zoveel beter en zat er daarom zover naast. Hij bleef op zijn oppervlakteniveau debatteren en ontmaskerde zich zo genadeloos als iemand die de greep op de veranderde tijdgeest volledig kwijt is,

Fortuyn maakte in zijn populisme een diep ongenoegen duidelijk. Maar tegelijk was hij een idealist met een gedeeltelijke neoconservatieve agenda. Het neoconservatisme nam het idealisme van links over en dat was een gebeurtenis op wereldschaal. Heel de aarde leek te beven toen Bush met zijn troepen Irak binnenviel met het grote ideaal om deze dictatuur om te vormen tot een moderne democratie. Het falen van de Irak-missie sterkte vele voorheen linkse intellectuelen in een gematigd conservatisme (dat dus tegengesteld is aan het rabiaat idealistische neoconservatisme dat geloofde in de maakbaarheid van een democratie). Had het pragmatisme in de jaren ’90 nog een progressieve en idealistische uitstraling gehad: ‘we gaan met verstandig beleid alle problemen oplossen’, dit nieuwe conservatisme ging uit van de slechtheid van de mens. Problemen kunnen we niet oplossen, we kunnen slechts de schade beperken. Een conservatief als John Gray wordt tegenwoordig veel gelezen en geprezen in intellectuele kringen. Een voorheen links blad als De groene Amsterdammer is zo langzamerhand een orgaan geworden voor dit soort gematigd behoudende tendensen.

Het grappige is nu dat de nieuwe spirituelen zowel tegenover het technocratische pragmatisme, het nieuwe gematigde conservatisme als het neoconservatisme staan. Deze mensen willen weer geloven. In zichzelf, in authenticiteit, in een betere wereld. Zij voelen zich niet aangetrokken door het sombere mensbeeld van pragmatici en conservatieven of door overdreven idealistisch spierballenvertoon. Dit zijn eerder mensen die behoefte hebben aan inspiratie, aan nieuwe leiders in de stijl van Martin Luther King, Mahatma Gandhi en Nelson Mandela. Of de figuur Joe Speedboot uit de gelijknamige roman van Tommy Wieringa. Want deze dromers leren dat niet elk idealisme eindigt in sombere dictaturen. Er is wel degelijk ruimte om de wereld te veranderen en te denken vanuit grootse vergezichten (‘I have a dream!’). En er is een grote groep mensen die hier voor open staat, mits ze aangesproken worden vanuit hun eigen individuele hang naar echtheid, authenticiteit en spirituele verbondenheid. Zoals de filosoof Zizek voortdurend blijft uitleggen: wat er nodig is voor werkelijke verandering is geloof. Niet het perverse geloof van de fundamentalisten, maar het vertrouwen in een betere wereld en de mogelijkheid om daar als persoon iets aan te doen.

Een prachtige exponent van dit nieuwe idealisme is iemand als Remko van Broekhoven, die dit jaar zijn boek Staat van tederheid publiceerde. Dit boek, dat juist liefde en tederheid als uitgangspunt neemt voor werkelijk idealisme vormt in mijn ogen een begin voor een linkse stroming die vele mensen zou kunnen inspireren en stimuleren. Het boek heeft onverdiend te weinig aandacht gekregen in de media, gedeeltelijk doordat die media vooral bezet worden door gematigd conservatieve intellectuelen. Daarnaast kan het boek nog veel beter en concreter worden uitgewerkt. Maar zoals gezegd: het is een begin. Het wordt eens tijd dat men hier in links politieke kringen meer oog voor krijgt, voordat nog meer rechtse denkers (en politici) ermee vandoor gaan.

Verbied Dick Bos!

Boeken verbieden is ‘in’ tegenwoordig. Neem nu Geertje Wilders. Die wil helemaal in zijn eentje, met zijn partijtje, de Koran gaan verbieden. Geertje vindt de Koran namelijk net zo’n naar boek als Mein Kampf. Die is ook verboden, dus waarom de Koran niet. Zo denkt ons Geertje.

In België wil een studentje, Mbutu Mondondo Bienvenu, nu het stripboek Kuifje in Afrika uit de handel laten nemen. Dit omdat er discriminerende teksten en plaatjes over Congolezen in dit uit 1931 stammende stripboek voorkomen. Volgens Mubututje is het boek ‘een belediging voor alle Congolezen’.

In het kader daarvan zou ik willen voorstellen om ook onze eigen Dick Bos maar te verbieden. Wie was Dick Bos? Dat was een Nederlandse stripheld uit het midden van de 20ste eeuw, getekend door Alfred Mazure. Het geval wil, dat Dick Bos een schandalige seksist is. Ik kan dat illustreren met enig beeldmateriaal uit No. 22 uit de Dick Bos serie, getiteld: Handen omhoog. Bos ontmoet ene Nelly. Een nogal bazige vrouw. Gelukkig blijft Dick koel en laat hij zich niet door haar commanderen:

Dick_bos1
Wat een bikkel, die Dick Bos! Maar hij heeft gelijk en hij krijgt gelijk, deze uiterste masculiene macho man. Kijk maar:
Dick_bos_2
Ze zegt letterlijk: ‘Ik was een eigenwijs kind’. Zo kruipt de eens zo bazige vrouw voor het schuimige testosteron van onze stoere held die het nog voor elkaar krijgt om een soort van grap te maken, waarvoor je tegenwoordig bij de SGP moet zitten wil je er om kunnen lachen. Dick Bos is een belediging voor alle vrouwen! Dick Bos is een fascistisch schrijfsel, waarin mannen worden opgeroepen om vrouwen te vernederen en als kinderen te behandelen!

Met andere woorden, na Mein Kampf, de Koran en Kuifje in Afrika zullen we alle boeken moeten gaan verbieden die ook maar op de een of andere manier kwetsend kunnen zijn. Wat doen we met al die boeken? Wellicht moeten we ze gaan verbranden.

Serieus: ik kan me kwaad maken over dit soort politieke correctheid van links en van rechts (ja Geertje, ook jij bent politiek correct, je hebt alleen het discours omgedraaid. Voor de rest ben je net zo zuur en intolerant als al die PvdA’ers waar je zo tegen ageert). Het is ook om triest van te worden dat een boek als Mein Kampf in Nederland nog verboden is. Alsof mensen niet zelf slim genoeg zijn om zo’n boek kritisch te kunnen lezen. En al zouden ze dat niet kunnen, dan zegt dat meer over de kwaliteit van de geschiedenisles die ze hebben gehad en die dus danig moet worden verbeterd. Alle besproken boeken dienen gelezen te worden in de context van de tijd en cultuur dat ze geschreven zijn. Het is geschiedvervalsing om daarin wijzigingen aan te brengen, zoals kennelijk al met Kuifje in Afrika is gebeurd. En het is helemaal een schande als we ze gaan verbieden.

Vrijheid van meningsuiting: ieder lijkt dit grote democratische goed op zijn eigen manier te interpreteren. Het komt er in de kern op neer dat mensen vrij van staatspaternalisme en inmenging van de gemeenschap hun oordeel moeten kunnen vellen over allerlei soorten opvattingen. Het enige dat mensen daarvoor nodig hebben is een goede basis, daarvoor kan goed openbaar onderwijs zorgen. Als de staat gaat bepalen wat we mogen lezen of niet dan gedragen we ons als Nelly, die zichzelf beschouwt als een ‘eigenwijs kind’ en aan het handje van haar onderdrukker de wereld verder ingeleid moet worden.

Linkse zelfbeheersing

Nederland, zo las ik laatst, heeft binnen Europa na Groot-Brittannië op dit moment het grootste aantal mensen achter de tralies zitten. Dat is nog eens een record! Waren we ooit het progressieve gidsland van Europa, nu zijn we kampioen opsluiten. Een twijfelachtige eer. Er zijn twee verklaringen om deze ontwikkeling te duiden, één van conservatieve aard en een linkse.

De meest voor de hand liggende verklaring is natuurlijk om de twee te koppelen: het Nederlandse progressieve beleid en de toenemende opsluiting. Door jarenlang te gedogen, een teveel aan tolerantie, nee: zelfs een geloof dat de menselijke natuur per definitie goed is, is Nederland geconfronteerd geraakt met de gevolgen. We zijn allemaal criminelen en hufters geworden. We hebben afgeleerd wat het is om onszelf te beheersen. Geen wonder daarom dat al het slechte in de mens juist hier in Nederland naar boven is gekomen. Hier is een reactie opgekomen: vooral na de komst van Fortuyn pikten de mensen het niet langer. Waarden en normen moesten terug en daarvoor was strenge handhaving nodig (Balkenende I t/m III). En als ouders hun kinderen niet meer kunnen opvoeden, dan grijpt de overheid wel in. En met die laatste preventieve ingreep zijn we beland bij het moderne staatspaternalisme van PvdA, CDA en Christenunie.

Deze verklaring is sterk politiek-ideologisch van aard en riekt naar een provinciale benadering. Nederland mag dan al jaren een gedoogbeleid hebben: van Groot-Brittannië en de Verenigde Staten kun je dat moeilijk zeggen. Toch zijn dit ook landen die sinds de jaren ’80 eenzelfde ontwikkeling kennen als Nederland: steeds meer opsluiting, een steeds grotere nadruk op handhaving. Dat is dezelfde periode als die waarin deze ontwikkeling in Nederland doorzette. De toenemende incarceratie liep dus niet gelijk op met de politiek-ideologische omslag van de Fortuyn-revolte, maar is al veel ouder. Wat hebben Nederland, de VS en GB dan gemeen? En waarin onderscheidt Nederland zich de laatste kwart eeuw van de rest van Europa?

John Gray heeft in zijn boek False dawn al erop gewezen dat de implementatie van neoliberaal economisch beleid altijd gelijk opgaat met een toenemende opsluiting van een groot aantal mensen. De zogenaamde economische vrijheid van de neoliberale dogma’s kan blijkbaar alleen gerealiseerd worden door middel van de vrijheidsberoving van grote groepen meer kwetsbare mensen. Iedereen die niet in de flexibele productiemachine past, verdwijnt in het cachot. Is er nog ruimte voor minderheden, voor onaangepasten binnen het nieuwe kapitalisme? Alleen als je produceert, je conformeert is er nog enige ruimte voor individuele expressie. De overige individuele keuzes worden vermalen binnen een uitgebreid systeem van handhaving en steeds brutaler wordende hulpverlening. En daarin is Nederland dus een voorloper op de rest van continentaal Europa. Nederland was er onder Lubbers destijds vroeg bij om met neoliberale maatregelen en privatiseringen te beginnen.

Typerend is dat juist in het neoliberale Engeland een boek moest verschijnen als Life at the bottom, van de psychiater Theodore Dalrymple. Dalrymple geeft de schuld van alle problematiek van de witte onderklasse in Engeland aan linkse intellectuelen. Die zouden met hun ideeën deze mensen van hun zelfbeheersing hebben beroofd. Dalrymple zou je de vader van het moderne staatspaternalisme kunnen noemen. Wat hij in de praktijk doet is een vorm van blaming the victim, mensen die kansloos zijn in de neoliberale productiemachine en buiten de boot vallen, worden bespot en bestraft juist vanwege die kansloosheid. Ze hebben het volgens Dalrymple allemaal aan zichzelf te danken. Alleen de portie burgerlijke zelfbeheersing en hoge cultuur kan deze verlorenen nog redden (en productief maken natuurlijk, want dat is de kern van ‘gered’ worden in dit van nuttigheid bezeten tijdperk).

Natuurlijk zijn bepaalde ideeën van progressieve intellectuelen wel degelijk schadelijk geweest. Het overbrengen van de levensstijl van de bohémien naar een klasse die aan de onderkant van de samenleving bungelt heeft deze mensen weinig goeds gebracht. Op het moment dat je hard moet werken voor weinig loon, als je baanzekerheid precair is of je aangewezen bent op een uitkering, dan kan een hedonistische levensstijl desastreus zijn. Belangrijk is eerst dat deze mensen zich sterker maken, zich verenigen in verzet tegen de instituties waardoor ze onderdrukt worden en zelf zorg gaan dragen voor een sociaal netwerk. Er dient bewustwording te ontstaan over hun maatschappelijke positie en over de toenemende macht van het neoliberalisme, dat slechts voordelig is voor de ‘vrijheid’ van diegenen die toch al het meest kansrijk waren.

Er is daarom niets mis met de door de conservatieven opnieuw opgevoerde deugd van de zelfbeheersing. Links moet zich echter voortdurend bewust blijven van waar deze zelfbeheersing toe dient. Is het slechts om mensen weer aan het werk te krijgen, mee te laten draaien in de kapitalistische machine? Of dient deze zelfbeheersing ook om werkelijke verandering in de maatschappij na te streven? Een strijdbare, slimme zelfbeheersing, gesteund door het geloof dat een betere en minder neoliberaal verziekte wereld mogelijk is. Dat is de deugd die we moeten nastreven en een links paternalisme is niet meer dan het geven van dat voorbeeld vergezeld van de reden voor die zelfbeheersing. Want ook weer: ook deugden zijn slechts middelen en het is de perversiteit van de conservatieven om ze te beschouwen als doel op zich.

Vrije tijd

Mannen werken meer in deeltijd. Dat schreef NRC handelsblad in een eerste deel van een artikelserie over ‘moeders, vaders en deeltijdarbeid’. Het aantal vaders dat in deeltijd werkte steeg van 30.000 in 1995 naar 64.000 in 2005. Nog steeds is dat natuurlijk niets in vergelijking met het aantal vrouwen dat in deeltijd werkt (420.000 in 2005) maar het is een vooruitgang. Wat vooral interessant was in dit artikel, was dat mannen dit deeltijdwerk anders blijken te organiseren. Mannen zijn veel stelliger over hun vrije dag. Ze zetten eerder hun telefoon uit en behandelen hun mail in een uur per dag. Vrouwen zijn de hele dag bereikbaar en doen de dingen tussendoor. Volgens de in het artikel geïnterviewde directeur van internetprovider xs4all zijn vrouwen zo dankbaar dat ze deeltijd mogen werken dat ze vervolgens niet al te moeilijk willen doen. Het lijkt alsof mannen hun vrije dag meer als een recht zien. En daar hebben ze gelijk in.

Als er één ontwikkeling is die naar mijn mening kenmerkend is voor de laatste jaren en zeker voor mijn generatie, dan is het wel dat betaald werk maar één deel van je leven is. Was het voorheen zo dat je je identificeerde met je beroep, je werkgever en de daarbij horende status: tegenwoordig is het steeds meer van belang om ook daarbuiten een identiteit te creëren. Dat kan op veel verschillende manieren: door vrijwilligerswerk, als zorgzame vader of moeder of door meerdere, parallelle carrières. Recent stond er in HP/De Tijd een uitgebreid artikel over mensen die naast hun reguliere arbeid een andere baan beoefenen, bijvoorbeeld als house-DJ in een club, als acteur in een grote musical of als popmuzikant. Dit onderscheidt zich dan van het ouderwetse idee van een ‘hobby’ in dat de arbeid serieus beoefend wordt.

De filosoof Adorno schreef ooit dat het begrip ‘vrije tijd’ (Freizeit) in een kapitalistische maatschappij eigenlijk neerkwam op een uitbreiding van de werktijd. In je vrije tijd kom je tot rust, zodat je des te productiever kan zijn in de momenten dat je dient te produceren voor je werkgever. Vandaar het rigide onderscheid tussen vrije tijd en arbeidstijd, waarbij je geacht wordt te ‘ontspannen’ in je vrije tijd en geen inspannende werkzaamheden uit zou moeten voeren. Dat betekent dat mensen oppervlakkig amusement verteren (zoals bijvoorbeeld de lege verpozing van de televisie) en zich werpen op hobby’s. Volgens Adorno zijn mensen niet meer productief in hun vrije tijd omdat alle productiviteit uit hen gezogen wordt, het beste wat ze nog kunnen produceren is een hobby, een inferieure bezigheid waaruit producten als slechte gedichten of slecht geacteerd amateurtoneel voortkomen. Dingen die andere mensen over het algemeen veel beter kunnen. Het hele idee van hobby’s heeft iets overbodigs, iets inferieurs over zich. Adorno gebruikt er ook wel de term ‘pseudo-activiteit’ voor.

Natuurlijk stelt Adorno hier de zaken op scherp, zoekt doelbewust de confrontatie. Ontspanning is niet altijd slecht en als het uitvoeren van een hobby mensen ontspant, dan is daar helemaal niets mis mee. Toch heeft hij in de kern gelijk: nog steeds is het niet algemeen geaccepteerd dat mensen er meerdere carrières op nahouden en dat betaalde arbeid maar één gedeelte van het leven, misschien niet eens het belangrijkste kan vormen. Het artikel in NRC heeft het vooral over mensen die in deeltijd gaan werken om voor hun kinderen te zorgen. Typisch eigenlijk, voor kinderen zorgen is een taak die je serieus uitvoert en die niemand als ‘hobby’ zal omschrijven. Een marxist als Adorno zou zeggen dat dat logisch is: de kapitalistische productiemachine heeft nieuwe arbeiders nodig. Maar naast betaald werk en het opvoeden van kinderen zijn er vele andere dingen in een mensenleven, en in de zelfontplooiing van een individu, die met evenveel ernst en overtuiging uitgevoerd zouden moeten worden. Vaak gaat dat dan om het ontplooien van talenten die door de zogenaamde vrije markt niet gewaardeerd worden, bijvoorbeeld musiceren in specifieke genres, het schrijven van serieuze poëzie en literatuur, het maken van beeldende kunst of het doen van allerlei vrijwilligerswerk dat de gemeenschap ten goede komt maar dat niet of slecht betaald wordt. Het gaat dan vaak om bezigheden die een bepaald kwaliteitsniveau bezitten, zodanig dat iemand daar een besef van eigen identiteit uit kan halen.

In mijn ogen zijn Adorno’s ideeën over ‘Freizeit’ nog heel actueel. Hoewel het aantal uren aan vrije tijd de laatste decennia is toegenomen worden we nog steeds geregeerd door de dictatuur van de economische productiviteit. Een activiteit is pas relevant als deze (op korte of op lange termijn) geld oplevert. Tevens probeert het bedrijfsleven stapje voor stapje meer invloed te krijgen op het leven van een individu. Het is niet ongewoon om tegenwoordig op je cv melding te maken van je hobby’s of ‘overige activiteiten’. Het bedrijfsleven wil steeds meer weten over je hele persoon in plaats van alleen je capaciteiten binnen een bepaald vakgebied. Er is een hele industrie ontstaan rond assessments, waarbij mensen psychologisch volledig gescreend worden (niet alleen hun kennis, ervaring of relevante vaardigheden). Dit is ook de zelfkant van de zogenaamde ‘soft skills’ in management waarbij werknemers veel meer als persoon worden behandeld. De interesse in mensen is dan namelijk niet authentiek, maar slechts een afgeleide van de behoefte aan grotere productiviteit. Het is een vorm van zachte disciplinering.

Intussen ervaren mensen steeds meer druk van buitenaf. Er is niets stressvoller dan de druk die mensen ervaren als ze in een bepaald patroon moeten passen. Soms neemt de benutting van de vrije tijd dan zelfs extreme vormen aan, vormen waarbij de maatschappelijke prestatiemachine zichzelf langzamerhand in de vingers gaat snijden. Een voorbeeld is de toename van alcohol en drugsexcessen bij jongeren. In mijn ogen een teken aan de wand, een onderdrukt protest, een roep om hulp in een maatschappij die langzamerhand niet alleen de arbeidskracht maar ook de ziel van mensen wil overheersen. Daarom is een doorgaande ontwikkeling naar deeltijdwerk een goede zaak. Niet alleen voor de emancipatie van vrouwen maar ook van mannen. Economische productieve arbeid is niet alleen zaligmakend. Maar, om eerlijk te zijn geloof ik dat het huidige systeem van vrije keuze voor deeltijdwerk (in overleg met de werkgever) nog iets te idealistisch is opgezet. Bedrijven zullen ook in de vrije tijd van mensen, al of niet gebruikmakend van moderne communicatiemiddelen, steeds meer aandacht blijven vragen. Tevens is er een belangrijke cultuur waarin de overtuiging bestaat dat de economie alleen met 40 uur werk – of meer- te redden valt. Wat we nodig hebben is een verplichte 32 urige werkweek en een cultuur van werkelijke privacy. Het gaat je werkgever niets aan wat je in je vrije tijd doet, wie je bent en welke carrières je er nog meer op nahoudt. Pas als we zover zijn, zal autonomie misschien een haalbaar ideaal worden.

Moraliseer niet te vroeg..

We moraliseren te vroeg in Nederland. Dat was mijn conclusie de afgelopen week na twee debatten over uiteenlopende onderwerpen. Afgelopen donderdag organiseerde Stichting Waterland met GroenLinks Amsterdam een discussie over de tegenstelling ‘Individualisme versus Gemeenschapsdenken’. Een interessante discussie, maar wat me opviel was dat de discussianten op het podium, individualistisch of communitaristisch, over elkaar heen duikelden om hun afkeur over van alles en nog wat uit te spreken. Over het liberale prostitutiebeleid bijvoorbeeld werden harde noten gekraakt. Over een ander onderwerp, de verwerpelijkheid van de campagne voor orgaandonatie met erotische ondertoon was Groen Linkser Jos van der Lans het helemaal eens met Joop Atsma. En Van der Lans gruwelde helemaal van de orgaandonatieshow van BNN (dat was dus nog voor bekend werd dat die hele show één grote stunt was). Van der Lans riep de zaal zelfs nog op om vooral geen lid van die verderfelijke omroep te worden. Op de een of andere manier moest ik denken aan de confessionele zuil in de jaren ’60 die het haar leden nog verbood om lid van de VARA of de VPRO te worden. In het ‘panel’ van de discussie bevond zich Evelien Tonkens, bekend van het moraliseren met ‘zelfspot’ waar ik al eerder over geschreven heb. Ik had echter niet het gevoel dat er in deze hele discussie, bij Tonkens en bij niemand, er sprake was van enige zelfspot. Prostitutie is abnormaal, porno werd in een negatieve context genoemd, eigenlijk was de afbeelding van seks in de media in het algemeen slecht. Lekker vrijzinnig daar, bij GroenLinks.

In dat opzicht was het debat over internetporno waar ik gisteren in Paradiso bij aanwezig was verfrissend. Hier waren verschillende deskundigen aanwezig die daadwerkelijk onderzoek hadden gedaan naar seksculturen op internet. Het ging eigenlijk maar weinig over de commerciële mainstream porno. Aandacht was er vooral voor de ‘realcore’ porno op internet, de praktijk van ‘sexblogging’ waarin gewone mensen erotische foto’s van zichzelf op internet publiceren voorzien van persoonlijke informatie (niets geen ‘lege’ blik of siliconen, maar een persoon: het seksobject is subject geworden), voor alternatieve pornografie, gratis pornografie en voor het feit dat voor elke ‘afwijking’ van de mainstream wel een site te vinden is: voor liefhebbers van veel schaamhaar bijvoorbeeld, of van pret met menstruatiebloed. Tegenwoordig schijn je dat als intellectueel allemaal verwerpelijk te moeten vinden (seks zou immers weer haute couture moeten worden!), maar ik vind het eigenlijk prachtig dat internet het mogelijk maakt om aan de mainstream te ontsnappen. Wat is er mis met seksueel non-conformisme? Waarom staat iedereen toch in vredesnaam zo snel met zijn oordeel klaar?

Wat ik bepleit is geenszins een terugkeer naar een jaren negentig-achtig liberaal beleid van ‘tolerantie’. Dat liberalisme ademde vooral onverschilligheid. Gewoon wegkijken van wat anderen aan het doen zijn. Die onverschilligheid is niet eens zoveel veranderd. Nog steeds interesseert het ons niet wat de ander doet. Alleen nu hebben we er wel meteen een oordeel over. Zouden al die anti-porno feministen weten welke variëteit aan seksbelevingen (ook niet commercieel) er op het internet te vinden zijn? Enig veldonderzoek is nuttig, dunkt me. Laat ze praten met de mensen die verschillende soorten pornografie maken en consumeren. Al die mooie woorden over zelfspot en zelfrelativering storen mij nu: men is vooral bezig met de eigen houding, in plaats van met het onderzoek naar wat er in werkelijkheid met de ander gebeurt, naar normen en waarden die misschien veranderen en die door verschillende mensen verschillend beleefd worden. Wat nodig is, is simpelweg een uitstel van het eigen oordeel en een open mind voor de ander. Dat betekent niet dat je niet mag oordelen. Maar een oordeel zonder dat daaraan een gedegen onderzoek en een oprechte interesse is voorafgegaan, is waardeloos.

In de prostitutie-discussie is eigenlijk alleen Karina Schaapman een serieuze ervaringsdeskundige. Maar een relatief nieuw fenomeen als vrijwillige sekswerkers via internet (niet via een pooier of escortbureau) behandelt zij niet. Vrijwillige prostitutie via internet is een van de dingen die gisteren door Audacia Ray (zelf een professioneel sekswerker) tijdens de netporn conferentie werd besproken. Hoewel de onvrijwilligheid van veel prostituees op dit moment zeker een groot probleem is vraag ik me af of dit niet een voorbijgaande zaak is in de netwerksamenleving die aan het ontstaan is. Het is daarom onnodig om een oordeel uit te spreken of prostitutie ‘normaal’ is of niet. Het gaat om het bestrijden van dwangpraktijken. En dat geldt ook voor porno.

Tenslotte moeten we ook durven om naar de positieve, emancipatoire kant van internetseksualiteit te kijken. De niet-commerciele pornografie op internet is juist een manier om aan de dwingende, object-makende mainstream porno te ontkomen en je daar tegen te verzetten. Feministen en linksliberalen zouden zich dat moeten realiseren.