Waar gaat het heen met die crisis? David Harveys analyse

Dit weekend schreef het nrc dat de crisis alweer vijf jaar aan de gang is en er is nog steeds geen duidelijkheid of enige hoop op herstel. Geen enkel stuk dat ik over dit onderwerp lees in de kranten geeft een bevredigend antwoord op wat er nu aan de hand is. Ik lees over doorgeschoten deregulering bij de banken, waar een immorele macho-cultuur is ontstaan gevoed door bonussen aan de ene kant maar een even gemakkelijk ontslag aan de andere kant. Maar zo gemakkelijk zit het allemaal vast niet in elkaar, dan was er eenvoudig iets aan de te doen geweest. De crisis is systemisch, er is iets ongelooflijk mis met de economische lapmiddelen die destijds bedacht zijn om de vorige crisis van de jaren zeventig op te lossen. En de problemen kunnen niet met pleisters worden opgelost.

Kapitaaloverschot

In The enigma of capital geeft David Harvey, een Amerikaanse professor in de antropologie, een overkoepelende visie op de crisis en de economische ontwikkeling van de laatste decennia. De essentie van zijn denken is eigenlijk simpel: het kapitalistische systeem is verslaafd aan groei, gemiddeld 3% per jaar. Zonder groei stort het hele kaartenhuis ineen. Die groei levert namelijk een permanent overschot aan kapitaal op dat weer opnieuw geïnvesteerd moet worden: ‘ a capital surplus absorpion problem’. Gemiddeld 3% per jaar kan hoog oplopen, reken maar uit. Dus er moeten steeds weer nieuwe plekken gevonden worden om dat kapitaal te investeren zodat het weer verder kan groeien. Wanneer het ergens niet rendeert, wordt een andere plek gekozen waar het dat wel doet.

Na de tweede wereldoorlog bloeiden de economieën van de westerse wereld als nooit tevoren. Dit had aanvankelijk te maken met de wederopbouw: vanuit het niets van de vernietiging van de oorlog kan je hard groeien. De groei bracht vooral in West-Europa de mogelijkheid om ook flinke welvaartsstaten op te tuigen. Die economische groei kwam begin jaren zeventig piepend tot stilstand en dat leidde tot een enorme crisis. Die crisis ging niet alleen om olie, maar om veel meer: de productie in West-Europa en de VS was te duur geworden en de rendementen op het geinvesteerde kapitaal werden te laag. Deze crisis van de jaren zeventig werd vooral in de VS ‘opgelost’ door middel van financialisering: het werd banken door middel van deregulering mogelijk gemaakt om steeds grotere bedragen uit te lenen. Met andere woorden: het opgepotte kapitaal uit het westen werd vooral buiten de landsgrenzen ingezet om verder te kunnen groeien. Was de economie van voor de jaren zeventig vooral nationaal gericht, sinds die periode is het kapitaal geglobaliseerd.

Dat is een ontwikkeling die sinds de jaren zeventig heeft doorgezet. Verzorgingsstaten werden  steeds verder  afgebroken. De politiek maakte daarbij gebruik  van allerlei argumenten, sommige van praktische aard, sommige met een bepaalde moralistische inslag (de calvinistische nadruk op hard werken waar ik het in een eerdere blog over had). De essentie is echter dat kapitaal voortdurend moet groeien. Hele nieuwe arbeidsmarkten werden opengebroken, zowel hier (vrouwen gingen steeds meer deelnemen aan het economisch verkeer) als in het buitenland (denk aan outsourcing). De vrouwemancipatie was natuurlijk een autonome ontwikkeling, maar de weg die de emancipatie heeft genomen (die er in feite op neerkomt dat er per huishouden meer arbeid wordt geleverd) komt de groei van kapitaal wel verdomd goed uit.

Instabiliteit

Zoals Harvey het brengt is het kapitalisme dus een systeem dat zichzelf voortdurend reproduceert en daarbij in allerlei situaties, in wisselwerking met andere sferen van de samenleving, tot nieuwe variaties komt: dan weer een Rijnlands model, een Scandinavisch, Angelsaksisch of een Chinees model. Het kapitaal verplaatst zich steeds naar dat punt waar het meeste rendement gehaald kan worden. Het hecht zich niet aan een specifieke elite maar het creëert wel voortdurend elites en inkomensverschillen tussen arm en rijk. In zijn behoefte aan groei loopt het kapitalisme voortdurend tegen allerlei grenzen aan, dat zijn crises, die gepaard gaan met gigantische ellende, ‘creatieve destructie’, ontwaarding van kapitaal en verlies van banen en inkomens van miljoenen mensen. Kapitalisme is in essentie instabiel en gevaarlijk en kan met gemak de levens van velen verwoesten.

Dat financiële kapitalisme dat in de jaren zeventig ontstaan was liep in 2007 tegen zijn eigen beperkingen aan. Steeds verdergaande financiële producten hadden het steeds weer mogelijk gemaakt om nog meer te investeren op krediet, totdat er iets helemaal misging met de subprime hypotheken in de VS. De rest is geschiedenis.

Zal het Westen daar nu weer bovenop komen? Komen we met wen nieuwe truc, zoals dat gebeurde in de jaren zeventig, om onze rijkdom en hegemonie te behouden, of dendert het kapitalisme vrolijk door en verplaatst het domweg zijn hegemoniale zwaartepunt naar China en India en wellicht Brazilië, terwijl wij hier onze verzorgingsstaten krampachtig kapot bezuinigen om weer concurrerend te worden?

Marx

David Harvey is een marxist en gelooft dat uiteindelijk het hele kapitalistische systeem omvergeworpen zal moeten worden. Hij keert zich daarbij tegen de dictatoriale plan-economieen van de Sovjet-Unie of Communistisch China, maar gelooft niettemin in een revolutionaire omwenteling waarin alles helemaal anders moet. Belangrijk daarbij is dat we rekening moeten houden met 0-groei of zelfs eeen krimpende economie. Er moet minder nadruk komen op materiële welvaart en meer op andere vormen van ontwikkeling.

Recent las ik in nrc.next hoe ontzettend ongelijk de welvaart verdeeld is. Dat 91.000 mensen in de wereld een derde van de welvaart bezitten, terwijl de armste helft samen ongeveer 1% bezitten. Zulke verschillen zijn bijna absurd en kunnen op geen enkele wijze worden goedgepraat.

Het revolutionaire marxisme van Harvey is mij vreemd, ik heb altijd geloofd in vreedzame, democratische omwentelingen. Toch vind ik zijn analyse knap en na vijf jaar crisis veel vruchtbaarder dan alle verklaringen en oplossingen van de zogenaamde experts in de kranten. Die experts – die meestal redeneren vanuit conventionele, neoklassieke modellen, zagen de crisis immers ook allemaal niet aankomen. Wat het me leert is dat het helemaal niet verkeerd zou zijn als we in Nederland deze verkiezingen met ons allen maar eens goed links gaan stemmen. Ik vertrouw de verhalen van rechts over de economie niet, ik geloof ook niet dat rechts onze welvaart gaat redden. Als we allemaal naar de ratsmodee gaan, dan liever maar eerlijk en rechtvaardig naar de ratsmodee! Want zo erg kan het niet zijn om wat gas terug te nemen na jaren van overvloed, waarin iedereen zich voor al die rijkdom vooral massaal een burnout in gewerkt heeft. Er is toch echt meer onder de zon.

Advertenties

Macho-calvinisme

Wanneer de verkiezingen dichterbij komen zal ook de welbekende daverende retoriek weer eens de vaderlandse media doen trillen. In deze tijd van crisis, met het clichematige geschreeuw om ‘leiderschap’, valt te verwachten dat politici weer eens een wedstrijdje gaan doen wie de stoerste is. Een elan van machismo zal over de lijsttrekkersdebatten heendalen. Wat zo typerend is aan Nederland, is dat het machismo altijd een calvinistisch kantje heeft. Politici zullen gaan slaan op de trom van het macho-calvinisme: een oerhollandse boterham met ontevredenheid, gezet in de competitieve taal van het wereldomvattende testikeldom.

Onnederlands machismo
Machismo is geen Nederlands begrip. Het woord komt uit Zuid-Europa en het heeft veel te maken met de culturele wijze waarop mannelijkheid daar ge-uit wordt. Dat is: een man die vooral zichtbaar is buitenshuis, die openlijk veel vrouwen versiert, die de bloemetjes buiten zet en het breed laat hangen. Machismo staat voor uiterlijke status, voor het zorgvuldig onderhoud van de masculiene facade. Maar dan wel van het soort mannen dat tot in lengte van dagen bij hun moeder blijft wonen.

Dat soort machismo hoort niet bij Nederlanse mannen. Nederlandse mannen en vrouwen zijn er zelfs een beetje bang voor. Denk maar aan de angst voor het gesis op straat van het uit Marokko geimporteerde machismo. Dat neemt niet weg dat Nederlandse mannen hun manier hebben gevonden om een hierarchie te formeren. Dat doen ze echter niet door middel van zichtbare opschepperij en openbare uitingen van viriliteit, maar via het zuinige, zelfopofferende en zure calvinisme, dat hier al sinds de zestiende eeuw het levensplezier bederft.

Zure zelfopofferende hardwerkende Nederlanders
Calvinisten geloven werkelijk dat het ons nederige zondaars niet gegund is om plezier te hebben of een leven te leiden wat overeenkomt met onze innerlijke behoeftes. Nee, wij moeten werken in het zweet ons aanschijns. Veertig uur op zijn minst, en eigenlijk wel zestig. Langzamerhand is bij de ontkerkelijking de religieuze achtergrond van dit streven verdwenen en vervangen door zogenaamd economische motieven: denk aan de staatsschuld, de economische groei of de verschrikkelijke concurrentie uit India en China. De zelfopofferende calvinist is veranderd in een ‘hardwerkende Nederlander’.

Het machismo – in retorische zin – zit hem in de mate van zelfopoffering. Hoe harder je werkt, hoe meer je jezelf opoffert, hoe meer je bij de stoere jongens hoort. En als je minder werkt, werkloos bent, bij de overheid werkt, kunstenaar bent, ‘links’ stemt of via stakingen opkomt voor je recht, ben je eenafhankelijke parasiet, een profiteur, een inferieur persoon die plezier maakt met behulp van andermans zuurverdiende belastingcenten.

Vooral die zuurverdiende centen. De Nederlandse macho-calvinist moet natuurlijk heel veel leuke dingen opzij zetten om zich elke dag weer naar zijn vervelende baan te slepen. Die baan is blijkbaar niet leuk, want waarom zou hij anders een ‘hard’werkende Nederlander zijn? Dan zou hij een vrolijkwerkende Nederlander zijn en dat klinkt toch weer heel anders en is retorisch niet zo effectief. Feit is blijkbaar dat veel Nederlanders een onprettige loonwinning hebben anders waren ze niet zo gevoelig voor dat hardwerkende stijlfiguur. Die narigheid maakt dat ze op het einde van de dag zitten met een restfrustratie, een murkige opeenstapeling van ontevredenheid, gefnuikte dromen en een gevoel tekortgedaan te zijn. Wellicht hadden ze liever meer tijd doorgebracht met hun kinderen, iets creatiefs gedaan dat geen marktwaarde heeft, of gewoon eens de tijd te genomen om werkelijk over de dingen na te denken. Van die dingen die de meeste mensen zich pas vlak voor hun dood realiseren.

Restfrustratie
Om echter die restfrustratie te kanaliseren wordt die door rechtse retoriek naar buiten gericht. Dan komt machismo weer om de hoek kijken, want er zijn altijd anderen om op te spugen, om bovenop te gaan staan. Dat kunnen die luie Grieken uit Zuid-Europa zijn, gevaarlijke staatsondermijnende moslims, uitkeringstrekkers, De ‘linkse grachtengordel’, de overlastgevende Polen enzovoort. Zolang de hardwerkende Nederlander zijn frustraties buiten zichzelf plaatst, hoeft hij niet na te gaan denken waarom hij alweer zo hard werkte (en zulk vervelend werk deed).

Misschien wel het meest onuitstaanbare aan het calvinistische machismo is dat die zo ontzettend moralistisch is. Het is die nare protestantse werkethiek die voortdurend maar wordt aangehaald, met de dreinende boodschap dat ‘we’ weer harder moeten werken (40 uur!) en de broekriem aanhalen. Is het nou zo moeilijk om gewoon eens toe te geven dat het helemaal niet nodig is om steeds harder te werken en rijker te worden? Dat we ver genoeg zijn qua techniek en ontwikkeling om iedereen in dit land meer dan genoeg te laten hebben om gelukkig te zijn met 0-groei? Dat we alleen maar onze prioriteiten wat anders moeten leggen en de koek iets beter moeten verdelen?

Dat moraliserende rechtscalvinisme verziekt al veel te lang de sfeer in dit koude, natte landje. Laten we er dit keer gewoon eens niet in meegaan. Genoeg is genoeg. Ophouden. De zon schijnt. Tijd voor iets heel anders.

Zijn motieven liggen thuis

 Dit opiniestuk van mijn hand stond gisteren in nrc.next

„Mijn motieven liggen thuis. Als ik door zou gaan en premier zou worden na 9 juni, zie ik mijn eigen kinderen niet opgroeien. Dat is het me niet waard. De politiek eist een zware tol van je privéleven.” Aldus ex-PvdA-lijsttrekker Wouter Bos afgelopen vrijdag, toen hij zijn afscheid van de politiek aankondigde. Een dag eerder trad de gedroomde kroonprins van het CDA, Camiel Eurlings eveneens om privéredenen terug uit de Haagse burelen. Wellicht wil hij, zesendertig jaar jong, een gezin stichten. Mannen die (bijna) op de top van hun carrière zijn, kiezen anno 2010 ineens voor hun relatie en gezin: wat is er met hen aan de hand?

Inderdaad is er iets veranderd in de politiek en ook in de rest van de samenleving. Probeer je even voor te stellen dat een politicus als Ruud Lubbers zou terugtreden omdat hij zich meer wil wijden aan zijn ‘privéleven’. Of Wim Kok. Of Dries van Agt. Dat was een heel ander soort mannen. Ouderwetse, degelijke kostwinners die ongetwijfeld hun kinderen nooit zagen, maar dat accepteerden als onderdeel van hun roeping als carrièreman. Voor hen zelf lag slechts  één kurkdroge mogelijkheid van ontplooiing open: succes op het werk.

Deze beperkte keuzevrijheid werd in stand gehouden door een opgelegde mannelijkheidsnorm.  Een man die kiest voor zijn gezin werd door andere mannen (en vrouwen!) uitgemaakt voor een watje of een slappeling, een zacht eitje, een treurige, ruggegraatloze humptydumpty die onder de plak zit. Het betekende uitstoting van de apenrots.

Het hield ook min of meer een einde in van zijn professionele loopbaan, want op een later tijdstip het werk weer oppakken met dat stigma van ambitieloze softie was natuurlijk moeilijk. Mannen moesten kostwinners zijn en lineair carrière maken – zonder onderbrekingen. Een ‘gat’ in je cv was geen aanbeveling.

Moderne mannen als Wouter Bos en Camiel Eurlings, laten we ze mannen 3.0 noemen, willen echter meer keuzevrijheid in hun leven en durven daar ook voor uit te komen. Langzaam veranderen de maatschappelijke opvattingen over wat een zinvol en waardevol leven is voor een man. Dat wordt niet meer gedefinieerd door professioneel succes alleen, maar ook door succes op persoonlijk gebied: vriendschap, relaties en kinderen.

Het is goed dat Eurlings en Bos zo helder zijn over hun motieven om met het politieke werk te stoppen, omdat ze zo een voorbeeldfunctie vervullen voor andere mannen die graag een periode van hun leven aandacht willen geven aan hun geliefde en kinderen. Ze brengen het koor van conservatieve mannen die de keuzevrijheid van andere mannen uit rancune willen beperken, tot zwijgen.

Dat is hard nodig, want deze maatschappij is nog altijd ingericht op het klassieke lineaire kostwinnersmodel. Mannen worden nog maar al te vaak aangekeken op hun verlangen om deeltijd te werken – net zoals dat vrouwen erop worden aangekeken als ze fulltime willen blijven werken wanneer ze moeder worden. 

Hopelijk zullen nu ook werkgevers gaan beseffen dat moderne mannen en vrouwen zelf hun levensloop willen plannen en dat dat niets te maken heeft met ambitieloosheid of karakterzwakte. Integendeel, een keus voor het gezin getuigt van durf en zelfverzekerdheid in een tijd dat dit nog altijd niet algemeen geaccepteerd is.

Voorlichting of billenkoek?

Treurig, al die mensen die kapitalen hebben ondergebracht bij IJslandse banken en daar nu niet meer bij kunnen. Zeker als dat bedrag ligt boven het door de Nederlandse overheid gegarandeerde maximum van een ton. Hele pensioenen die door de pleeg gespoeld worden. Zo ook met al die risicovolle beleggingshypotheken. Er zullen genoeg huiseigenaren zijn die in deze roerige tijden hun adem inhouden.

Maar we weten allemaal: resultaten uit het verleden geven geen garanties voor de toekomst. Als ze nu toch voorzichtiger waren geweest. Iets conservatiever hadden belegd of een spaarhypotheek hadden afgesloten. Niet in zee waren gegaan met banken die enorme rentepercentages hadden aangeboden. Zich niet hadden laten verleiden door hun hebzucht. Eigen schuld, dikke bult zeggen we dan. Je had het kunnen weten, nu moet je op de blaren zitten.

De redenering deed me een beetje denken aan Het prentenboek van tante Pau. Dat is een soort verzamelalbum van 19de eeuwse moralistische prenten. Op een angstaanjagende manier werd kinderen destijds duidelijk gemaakt dat ze zich netjes moesten gedragen. Zo ging er een soort strip over een meisje dat op haar duimen zoog. Die kreeg voor straf een heel eng mannetje op bezoek die met een grote schaar haar duimen afknipte. Een huilend meisje bleef over zonder duimen. Een harde les was geleerd.

Het lijkt alsof het economisch systeem van de markt nu een beetje werkt zoals dat enge mannetje. De onzichtbare hand van de markt is vooral ook een bestraffende. Hij geeft billenkoek aan allen die onvoorzichtig zijn geweest. Daarom willen de echte neoconservatieven ook niet teveel overheidsingrijpen. Anders leren die stommelingen het nooit. Er dient gestraft te worden en de markt heeft weer eens laten zien excellent te kunnen straffen.

Vanuit die opvoedingsmetafoor kun je echter ook vragen stellen bij die denkwijze. Want een verantwoordelijke ouder zal zijn kind zeker niet overdreven beschermen, maar ook weer niet blootstellen aan de grootste gevaren. Je hebt liever niet dat je kind met een ijzerdraadje in het stopcontact gaat prutsen om erachter te komen dat dat niet verstandig was. Liever wil je een kind van tevoren bewust maken van dat soort gevaren. Daar heb je ook een klassiek verschil tussen links en rechts te pakken. Links wil voorkomen dat mensen in de criminaliteit geraken, rechts wil vooral harder straffen. Links wil met een verzorgingsstaat economische risico’s voor burgers minimaliseren. Rechts hamert eerder op ‘eigen verantwoordelijkheid’. Links werkt ex ante, rechts ex post. De zorgende moeder en de straffende vader, zoals het cliché luidt.

De laatste jaren kenden we in Nederland van overheidswege de ‘financiële bijsluiter’ om mensen te waarschuwen voor risico’s van bepaalde financiële producten. Een typische ex ante-gedachte. Proberen door middel van voorlichting het leed vóór te zijn. Tegelijkertijd zijn de mogelijkheden om grote risico’s te lopen voor burgers enorm toegenomen. En het financiële advies is zo geïndividualiseerd en gericht op de behoeften van klanten, dat van enige voorlichtende werking weinig sprake is. Dat heeft geleid tot een soort van ‘waardenrelativisme’ met betrekking tot sparen en beleggen.

Bij beleggingsadviseurs moet je vaak een test invullen om te zien wat voor soort ‘beleggingstype’ je bent. Of je van nature risico’s neemt of niet. In plaats van mensen te behoeden voor het risicovol gedrag dat blijkbaar in hun aard zit, worden ze daar door dit soort testen echter juist in gestimuleerd. Want als je risicovol belegt, krijg je  allerlei risicovolle producten voorgeschoteld. Je belegt op een wijze die bij je past, maar je krijgt nooit te horen of het nu verstandig of onverstandig is wat je doet. Ook hebben adviserende sites als Independer.nl banken als het IJslandse Landsbanki juist aangeraden aan de sparende consument. En zonder dat advies red je het als leek ook al niet in de wereld van ondoorzichtige en complexe financiële constructies. Best hoor, eigen verantwoordelijkheid, maar in een dergelijke omgeving wordt het de burger wel erg moeilijk gemaakt.

Matigheid, voorzichtigheid, prudentie zijn waarden die juist in een geïndividualiseerde maatschappij duidelijker van overheidswege moeten worden gecommuniceerd. Geen relativisme meer, maar een ondubbelzinnige keuze voor verstandige boven minder verstandige manieren van beleggen. Net zoals er een gezonde en een minder gezonde manier van leven is. De keuze voor het individu blijft vrij, maar als maatschappij geven we wel degelijk een voorkeur aan. Voorlichting over financiële producten zou alleen via een onafhankelijk, niet op winst gericht instituut gegeven moeten worden en niet worden overgeleverd aan de markt.

Tenslotte moeten we ook van mensen op hooggeplaatste posities enige verantwoordelijkheid kunnen verwachten. Niet alleen ambtenaren, ook de topmanagers van grote ondernemingen hebben een maatschappelijke verantwoordelijkheid. De schandalige salarissen en extreme bonussen geven geen andere boodschap dan dat hebzucht de norm is en dat je op korte termijn kan cashen en er nog mee wegkomt ook. Soms wilde je dat er toch nog ergens een eng mannetje was, zoals in het prentenboek van tante Pau, die de grote graaiers bij de kraag greep. Want waarschijnlijk gaat het straffende mannetje van de markt volledig aan hen voorbij.

Waarom ik graag voor andermans kinderen betaal

KinderenEen vriend van mij is recentelijk vader geworden. Eigenlijk is hij de eerste in de vriendengroep uit mijn studententijd die een kind op de wereld zet. Niemand van ons heeft tot nu toe die stap durven wagen. Want ook al wil het cliché dat je ‘er zoveel voor terug krijgt’, iedereen weet dat je voor kinderen ook heel veel moet laten. Zorg voor kinderen vreet tijd en energie. Voor mannen én vrouwen, al vergt het nog iets meer van vrouwen, zeker als ze borstvoeding geven. En dan is er nog de financiële investering. J/M magazine rekende ooit uit dat een kind tot zijn twaalfde jaar bijna een ton kost. Tussen twaalf en achttien kost een kind nog eens bijna een halve ton. Als een kind na zijn achttiende gaat studeren komt daar weer 22.000 Euro bovenop. Dat is veel geld.

Al die tijd en dat geld kun je ook in andere dingen stoppen. Mensen die bewust geen kinderen nemen zijn vrijer, ze kunnen vaker op vakantie, hebben veel meer tijd voor zichzelf om uit te gaan en plezier te maken. De keuze om kinderen te krijgen is daarom moeilijk. Je vraag je af: red ik het wel? Wil ik dat eigenlijk allemaal wel opgeven? Gelukkig investeert de overheid een beetje in ouders die kinderen willen. Je krijgt kinderbijslag, al is het een fooi op de totale kosten van een kind. Kinderen zijn tot hun tiende gratis verzekerd voor ziektekosten. De overheid draagt bij in de kosten van de kinderopvang. Vrouwen kunnen betaald verlof opnemen, al is het oneerlijk dat mannen dat niet kunnen. Eigenlijk zou de overheid veel meer moeten investeren, want de keuze voor een kind is zo existentieel, dat je er niet door financiële overwegingen van afgehouden zou moeten worden.

Volgens een persbericht dat J/M Magazine vandaag publiceerde vindt driekwart van de bewust kinderloze ouders dat mensen die kinderen krijgen, de lasten zelf maar moeten dragen. Ik begrijp niet waar deze mensen zich druk over maken. Waar die rancune vandaan komt.  En dat terwijl ik wel degelijk kinderloos ben, al is het dan niet uit principe. Kinderen krijgen mag een individuele keuze zijn, die kinderen zijn voor ons kinderlozen wel mooi meegenomen. Zij moeten namelijk over twintig jaar onze vergrijzende verzorgingsstaat betalen. Zij moeten straks onze billen wassen als we oud en hulpbehoevend zijn. Dus er valt best wel wat voor te zeggen om door financiële regelingen de keuze voor kinderen, voor mensen die toch wel kinderen willen, gemakkelijker te maken. Sterker nog, dat mag wel een tandje meer. In Zweden en Denemarken doen ze dat beter.

Die bewust kinderlozen doen zo vreselijk moeilijk. Ze blijven maar doorzeuren over die jankende en krijsende kinderen, die de supermarkt onveilig maken en die alle aandacht stelen op verjaardagsfeestjes. Wees blij dat je dat gekrijs niet de hele dag hoeft aan te horen! Die kinderen moeten er toch komen, one way or another, als deze maatschappij wil voortbestaan. Waarom dan niet blij zijn dat anderen dat voor je oplossen? En mogen ze daar dan alsjeblieft wat financieel voordeel van hebben?

Want er zijn ook nog meer argumenten te bedenken dat het krijgen van kinderen meer is dan een individuele keuze waarbij je ‘zelf dan maar voor de kosten moet opdraaien’. Als die kinderen er toch komen, dan willen we ook dat ze opgroeien in een veilige omgeving, dat ze goed onderwijs krijgen en de middelen krijgen om zich geestelijk én lichamelijk te ontwikkelen. Ouders die geen sportclubs kunnen betalen, geen computer om mee te leren omgaan kunnen aanschaffen of die door een gebrek aan middelen niet vaak buiten de deur komen maken het leven voor het opgroeiende kind er niet beter op. Om in de toekomst leerachterstanden maar ook criminaliteit te voorkomen is een bepaalde minimumlevensstandaard nodig. Bij de lagere inkomensklassen kun je daar voor zorgen door middel van allerlei maatregelen, van tegemoetkomingen voor kinderopvang (gratis crèches bijvoorbeeld, tot allerlei fiscale regelingen. Dat is dus niet alleen in het individuele belang van ouders, maar in de toekomst voor de samenleving als geheel. We moeten zoveel mogelijk streven naar gelijke startkansen: dat is in het belang van ieder individu. Omdat het eerste levensjaar van kinderen cruciaal is, is het daarom ook niet gek om in de ouders te investeren.

Keuzevrijheid en kansengelijkheid, daar gaat het dus om. Niemand mag vanuit financiële motieven afzien van zo’n belangrijke keuze in zijn of haar leven. En alle kinderen verdienen een jeugd vrij van armoede. Ook mag het nooit een voorrecht van de rijken worden, om kinderen te nemen. Als kinderloze gun ik het daarom ouders, dat een gedeelte van het inkomen dat ik via belastingafdracht afsta aan de overheid, bij hen terecht komt. Niet alleen maar uit altruïsme of vanuit principe, maar ook omdat ik er zelf uiteindelijk profijt van heb. Laat die vriend van mij maar lekker luiers verschonen.

Over dit onderwerp heb ik vanmorgen gedebatteerd met Sander Simons tijdens het programma De Frontlinie van BNR.

(Bron van de foto: tico_bassie op flickr.com)

Totalitarisme, ideologie en drugsbeleid

‘Ghb is belangrijker dan zon, zand en zee’. Zo luidde de suggestieve kop van een al even suggestieve reportage in de liberale krant NRC Handelsblad. Het stuk handelde over de partycultuur op de stranden van Bloemendaal aan Zee. Daar wordt –volgens het artikel- veel drugs gebruikt en is vooral het narcoticum ghb populair.  Aangezien je bij ghb snel overdoseringen krijgt en het middel slecht combineert met alcohol had Bloemendaal de afgelopen zomer te maken met 18 gevallen van comateuze bezoekers die per ziekenauto moesten worden afgevoerd. Daarom denkt de burgemeester van Bloemendaal over het invoeren van een zerotolerancebeleid.

Over zerotolerancebeleid had een paar dagen daarvoor ook al een ander artikel in NRC gestaan. Op een aantal dansfeesten is de politie sinds een paar jaar zo streng dat zelfs marihuana wordt afgepakt. Voorheen was het zo dat op dit soort feesten hasj en wiet werden gedoogd. Andersoortige drugs werden altijd al afgenomen, als ze tenminste gevonden werden bij het fouilleren bij de ingang. Het is een wonderlijke redenering: er zijn ongelukken met ghb en om die reden moeten hasj en wiet worden verboden op feesten.

Maar zerotolerance behelst meer. Al bij een aantal Amsterdamse housefeesten werd zelfs met drugshonden gewerkt. De toegang tot dit soort party’s begint dan een beetje te lijken op een Oost-Europese grensovergang uit de tijd van het ijzeren gordijn. De vraag is nu wat precies de reden is voor dit grimmige beleid. In het artikel over Bloemendaal worden de problemen rond ghb genoemd als aanleiding voor een strengere aanpak. Bij dancefestivals is er verder niet een echte aanleiding: de medische problematiek rond drugs is erg klein en alcohol is vaker een groter probleem. Terwijl drank opde feesten vrij verkrijgbaar is.

De reden die vaak wordt aangevoerd is dat men de bezoeker van feesten wil ‘beschermen’. Een klassiek paternalistische redenering dus: wij weten wat goed voor je is en daarom nemen we je alle illegale roesmiddelen af. De logische vraag die je dan kan stellen is: werkt het? Gaat de gezondheid van de partybezoeker erop vooruit bij een dergelijk strenger beleid? Het antwoord daarop is gemakkelijk te geven. Drugs zijn vrij gemakkelijk mee te smokkelen, iets dat bezoekers van feesten in landen waar al jaren een repressiever drugsbeleid heerst, zoals in het Verenigd Koninkrijk, al lang weten. Maar al zou het wel werken, dan kan het negatieve effecten hebben. Mensen die graag in een roes willen geraken op een feest zullen vanzelf op zoek gaan naar drugs op het feest zelf, met alle risico’s voor de kwaliteit van wat ze kopen. Of ze gaan juist heel veel drinken en alcohol is nu juist een middel dat –zoals de ervaring leert- veel problemen kan opleveren. Of ze nemen van tevoren alles in één keer in.

Jaren terug, in minder repressieve tijden, was het mogelijk om op housefeesten je pilletje te laten testen op kwaliteit. Ook was het mogelijk om informatie te krijgen over het minimaliseren van risico’s bij druggebruik. Dat zou je ook kunnen zien als een vorm van paternalisme, maar een libertaire vorm daarvan: we weten dat jullie die drugs toch gaan gebruiken, maar doe het dan alsjeblieft op een verstandige manier. Er was altijd een autoriteit aanwezig die je kon vertellen wat je beter wel en niet kon doen. Het maakte feesten minder grimmig, gezelliger en zorgde voor minder incidenten.

Maar de mogelijkheid om pillen te testen is al een paar jaar terug door de neoconservatieven van het CDA in de regering afgeschaft. Het idee daarachter was dat zo’n test een impliciete goedkeuring van druggebruik inhield en dat wilde men niet. Druggebruik mag niet, het is fout en wordt bestraft. Dat was de nieuwe boodschap. De stelligheid waarmee dit verkondigd wordt doet vermoeden dat er hier meer achter zit dan alleen medeleven met de problemen van jongeren met druggebruik. Waar rook is, is vuur en wanneer er niet geluisterd wordt naar rationele argumenten, dan weet je bijna altijd dat je tegen het koele, bikkelharde oppervlak van een in beton gegoten ideologie aanbotst.

De eerder genoemde suggestieve kop boven het artikel uit NRC zegt wat over die ideologie. Want waarom poneert de krant hier een tegenstelling tussen ghb en ‘zon, zand en zee’? De impliciete boodschap is: aan zon, zand en zee zou je genoeg moeten hebben. Waarom dan ook nog drugs nemen om je lekker te voelen? Het is de eeuwige litanie van de overtuigde niet-gebruiker: ‘je kunt toch ook plezier hebben zonder te gebruiken?’. En die boodschap veronderstelt weer een nog diepere overtuiging: het geluk is altijd voorhanden. Deze wereld is op zichzelf mooi genoeg om van te genieten, het zijn de simpele dingen die het hem doen, het ware geluk ligt in de eenvoud en meer van dat soort clichés.

De sceptische conservatief John Gray heeft deze overtuiging in zijn boek Strohonden (Eng: Straw dogs) haarscherp gekoppeld aan utopisme. Mensen die geloven dat de hemel op aarde maakbaar is kunnen moeilijk leven met het idee dat andere mensen roesmiddelen nemen om tijdelijk te ontsnappen aan de gewoonheid en dagelijksheid van het bestaan. Daarom is één van de grootste anti-drugscampagnes ooit uitgevoerd door een totalitair utopisch regime: China onder Mao. Maar ook neoliberalisme en neoconservatisme zijn ideologieën die geloven dat de wereld maakbaar is, dat overal een oplossing voor is. Daarom is de ‘War on drugs’ ook serieus begonnen onder Reagan (veel fanatieker dan Nixon, die officieel begonnen is met een repressiever beleid), diezelfde man die in de Verenigde Staten met neoliberale hervormingen begon is gestart.

In de woorden van John Gray: ‘Druggebruik is het stilzwijgend toegeven van een verboden waarheid. Voor de meeste mensen ligt het geluk buiten bereik. Vervulling wordt niet in het dagelijks leven gevonden, maar in het ontsnappen eruit. Aangezien geluk niet verkrijgbaar is, zoekt het merendeel der mensheid plezier.’ Die verboden waarheid willen de utopisten en ideologen van nu niet erkennen. Het is niet voor niets dat ik eerder de vergelijking maakte tussen de bewaakte ingang van dancefestivals, met honden en veel politie, met het ijzeren gordijn tijdens de Koude Oorlog. Ook het inzetten van agenten in burger, om druggebruik en handel tijdens housefeesten op te sporen (eveneens onderdeel van zerotolerance beleid)  doet denken aan de praktijken van de Stasi in de DDR. De oorlog tegen drugs levert een nieuw soort totalitarisme op, waarvan we de vormen al eerder in de geschiedenis hebben mogen aanschouwen.

Ik hoor te weinig geluiden uit linksliberale hoek die hier tegenin gaan. Waar is Groenlinks? D’66? Waarom horen we zo weinig van de vrijzinnige richting binnen de PvdA? Bestaat die nog? Er gebeurt op dit moment iets heel naars met onze maatschappij en het gebeurt recht voor onze neuzen. Nederland was ooit een tolerant land met een uitstekend functionerend drugsbeleid. Er zijn krachten bezig om al die vooruitstrevendheid, alles waar we trots op waren, kapot te maken en daar een sombere, repressieve machine overheen te leggen. Als er iets is dat vrijzinnig links zou moeten doen, dan is het wel het aan de kaak stellen van dit soort praktijken.

Spirituele politiek (3)

Yoga_2

Alweer een tijd terug schreef ik een aantal blogs (1, 2) over het onderwerp ‘spirituele politiek’. Volgens onderzoeksbureau Motivaction valt ruim een kwart van de Nederlanders onder de categorie van ‘ongebonden spirituelen’. Een samenraapsel van new agers, ‘ietsisten’, holisten, paganisten en yoga-beoefenaars, kortom mensen die geloven dat er ‘meer’ is maar dat niet bij een van de traditionele geloven zoeken. Wel geloven ze in ‘positief denken’ en vertrouwen ze op intuïtie. Een blad dat een mooi beeld geeft van datgene waar deze mensen zich mee bezighouden is het immens populaire Happinez

Ik vroeg me destijds af of deze groep, die kritisch lijkt te staan ten opzichte van veel misstanden in de moderne samenleving, politiek actief te maken is. Uiteindelijk was ik behoorlijk kritisch over het mogelijke politieke potentieel. De vele new age therapieën zijn juist een doekje voor het bloeden in een samenleving die steeds ‘flexibeler’ en neoliberaler wordt en in hun ‘shop-‘karakter spiegelen ze de structuur van diezelfde maatschappij. Zouden deze spirituelen nu werkelijk naar een betere wereld streven of gaat het er gewoon om dat ze zichzelf in hun eigen bewierookte wereldje gelukkig voelen?

11 Maart jl. werd de Partij voor Mens en Spirit opgericht. Al ruim daarvoor had Lea Manders, één van de oprichtsters, contact met me gezocht om te vragen of ze gebruik mocht maken van één van mijn blogjes. Dat verwonderde me, vanwege het kritische karakter van die stukjes. Maar –zo vertelde ze me- juist daarom wilde ze naar mijn schrijfsels verwijzen, om bewust te worden van de eigen valkuilen. Zoveel zelfreflectie had ik van nieuwe spirituelen niet verwacht en was dan ook blij verrast. Het is altijd fijn als datgene wat je schrijft enige impact heeft.

Ik heb eindelijk wat tijd gevonden om de website van de PMS (wel een beetje rare afkorting) eens goed te bekijken. Ik vond veel van de visie en uitgangspunten van de partij uitgesproken sympathiek, maar tegelijkertijd erg idealistisch. Bijvoorbeeld:

‘De economie wordt niet meer centraal gesteld, maar economie wordt gezien als de “dienende en verbindende bloedstroom van het totale systeem”. De mens is er niet voor de economie, maar economie staat in dienst van de mens.

1.    Praktisch: Instellingen en bedrijven maken de belangen van de werknemers nooit ondergeschikt aan eigenbelang of aan materialistische uitgangspunten.’

Bedrijven die hun belangen niet ondergeschikt maken aan eigenbelang en materialistische uitgangspunten? Dat is een uitgesproken radicale stelling. Wel heel sympathiek trouwens en netjes doorgeredeneerd vanuit hun spirituele uitgangspunten. In dit opzicht had ik ongelijk: spiritualisme heeft wel degelijk een maatschappijkritisch potentieel. Ze lopen dan echter wel weer tegen een ander gevaar aan. Dat is het gevaar van de veel te hoge idealen. Spirituelen zijn toch al wolkenridders: als ze hun uitgangspunten niet realistisch formuleren zullen ze mijn inziens al helemaal niet serieus worden genomen. Beter kunnen ze hier iets zeggen over het stimuleren van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, bijvoorbeeld via een subsidiestelsel. Dichter bij huis en haalbaarder.

Overigens zijn andere ideeën veel praktischer geformuleerd. Neem nou:

‘De mens en diens vrije geestelijke en persoonlijke ontwikkeling staan steeds centraal. De mens wordt gezien als integraal verbonden met de natuur. Alles maakt deel uit van één systeem.
    1. Praktisch: Mens en natuur horen bij elkaar. Elke mens dient in de buurt groen en ruimte te hebben om zich vrijelijk te kunnen ontwikkelen, evenals onderwijs en een leefomgeving die het individu aanvult en respecteert.’

Dat is nog eens een heel concrete uitwerking van een theoretisch uitgangspunt! Als de partij het voor elkaar krijgt om hun spirituele filosofie, die veel mensen in Nederland aan zal spreken, om te zetten in dit soort praktische standpunten in een verkiezingsprogramma, dan zouden ze volgens mij best nog wel eens op een aantal zetels kunnen rekenen.

De vraag is echter niet of een dergelijke partij niet ten onder gaat aan de individualistische overtuigingen van de verschillende leden. Oude religieuze partijen, zoals CDA of Christenunie gaan uit van geïnstitutionaliseerde religie. De uitgangspunten daarvan staan min of meer vast. Hoe moet dat met de enorme diversiteit aan spirituele filosofieën die ten grondslag liggen aan het wereldbeeld van ‘ongebonden spirituelen’? Gaat daar überhaupt enige samenbindende werking vanuit? Het zal een uitdaging zijn voor de spirituelen om hun uitgangspunten zodanig te formuleren dat al deze groepen zich er in kunnen vinden. Ik ben benieuwd hoe dat zich zal ontwikkelen.