‘Het onbehagen’ is af!

OnbehagenDaar zat ik dan, de afgelopen maanden met mijn MacBookje tussen een immense stapel boeken koortsachtig te typen. In de dagen dat ik vrij was van mijn werk bij de NPO (ik werk vier dagen) sloot ik me op in mijn Amsterdam-Noordse appartement om te werken aan mijn boek Het onbehagen van de man. Een flinke bevalling, maar ik ben trots op het eindresultaat dat dit najaar bij Uitgeverij Augustus zal verschijnen.

Het is een boek geworden over verschillende vormen van – verondersteld – onbehagen bij de moderne man. De eerste komt van een groeiende groep publicisten en filosofen en mannelijkheidsgoeroe’s die gelooft dat de Nederlandse samenleving de laatste decennia ‘gefeminiseerd’ is geraakt. ‘Vrouwelijke’ normen en waarden zouden prevaleren boven de ‘mannelijke’. ‘Echte mannen’ zouden daar het slachtoffer van zijn. Die mogen geen schuine moppen meer tappen, worden verplicht om voor hun kinderen te zorgen en minder te werken en moeten zich plotseling sensitief gaan opstellen.

‘Ach gut’ dacht ik.

In mijn ogen zijn moderne mannen namelijk vrijer dan ooit. Het klassieke keurslijf van mannelijkheid – alle gevoel behalve agressie onderdrukken, voortdurend de bikkel, het haantje moeten uithangen, de obsessie met status – is veel minder knellend geworden. Dat betekent niet dat mannen van nu zachte eitjes zijn. Integendeel, ze zijn krachtiger, onafhankelijker, zelfbewuster dan hun vaders en grootvaders.

Maar er is een tweede vorm van onbehagen dat wel degelijk relevant is. Dat is dat veel mannen vrijer in hun hoofd zijn dan de maatschappelijke instituties. Die instituties zijn namelijk nog vormgegeven op basis van een volkomen gedateerd kostwinnersmodel. Volkomen belachelijk dat vrouwen zestien weken zwangerschapsverlof hebben en mannen veelal maar twee dagen vaderschapsverlof. Dat mannen na een scheiding vaak een secundaire rol krijgen toebedeeld in de opvang van hun kinderen. Dat veel mannen nog worden uitgelachen als ze minder willen werken om voor hun kinderen te zorgen.

Het is ongelooflijk dat critici zich druk maken over de ‘feminisering’, terwijl mannen nog steeds worden beperkt in de meest basale keuzes in hun leven. Emancipatie wordt met de mond beleden, maar in de politieke praktijk zien we daar armzalig weinig van terug.

En er is nog meer. In mijn boek ga ik in op het denkbeeld dat er ergens een essentiële mannelijke kern is, die voor alle mannen hetzelfde is. In mijn ogen een idiote, niet serieus te nemen gedachte, die geen recht doet aan de individualiteit van afzonderlijke mannen. Toch wordt dit denkbeeld breed uitgedragen. Boeken als Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus geven een armzalig beeld van mannen. Toch gaan ze als warme broodjes over de toonbank. In mijn boek geef ik een verklaring voor de immense populariteit van dit soort lectuur.

Daar was ik dus de afgelopen maanden mee bezig. Intussen heb ik mijn manuscript ingeleverd en heb ik eindelijk weer tijd om te bloggen. Ook wel weer eens lekker.

Advertenties

Een punt achter seksualisering

Het boekje Slow Sex. Een erotisch beschavingsoffensief –een pamflet over seksualisering- is maandag officieel uitgekomen en gepresenteerd tijdens Pinched in Paradiso. Ik kijk terug op een week van veel publiciteit. Zoals verwacht zowel veel positieve reacties als ook negatieve. Soms moesten mensen even zoeken wat het pamflet nu eigenlijk zei: een kritiek op preutsheid of de zoveelste feministische anti-porno canonnade? Ik heb het gevoel dat de kritiek tegen de preutsheid van christelijke en islamitische huize goed geland is. De problematisering van de seksuele beeldcultuur wat minder goed: dat blijft een ingewikkeld en genuanceerd onderwerp.

Meermalen is mij gevraagd hoe ik er nu zelf in zit, in dit onderwerp. Waarom heb ik nu juist hierover geschreven? Om heel eerlijk te zijn: niet uit een gevoel van diepe verontwaardiging. Als ik door de stad loop voel ik me niet beledigd door de overvloed aan naakt. Dat zijn voornamelijk vrouwen en daar kijk ik graag naar. Natuurlijk is de verbeelding vaak wat clichématig en seksistisch, maar als man irriteer ik me daar persoonlijk niet heel erg aan, al kan ik me goed voorstellen dat vrouwen het vervelend vinden om daar elke dag mee geconfronteerd te worden. Muziekzenders kijk ik zelden en dan al helemaal geen vervelende hip hop of arrenbie, dus al die pimps en ho’s waren volledig aan me voorbijgegaan als ik me niet met het onderwerp was gaan bezighouden.

Maar bepaalde ontwikkelingen in de maatschappij waar ik me al langer mee bezig houd, komen terug in het seksualiseringdebat. Het gaat dan om zaken als de commercialisering en verdinglijking van bijna alles, de neoconservatieve golf die ‘links’ Nederland de schuld geeft van allerlei moderne misstanden, de positieve en negatieve gevolgen van de emancipatie van het individu sinds de jaren zeventig. Allemaal uitdagingen voor het progressieve denken en waar het seksualiseringdebat een van de vele voorbeelden van is. Wat ik altijd leuk heb gevonden aan meewerken met een denktank als Waterland is de behoefte om tot een genuanceerd standpunt te komen over al die kwesties. Niet te verzanden in linkse dogma’s, maar luisteren naar de kritiek van rechts (en van anderen) en deze vervolgens te zien als een uitdaging om het eigen gedachtegoed te verbeteren. Voorzitter van Waterland Dick Pels deed dat al door het gedachtegoed van Pim Fortuyn serieus te nemen en niet gemakkelijk af te serveren zoals een groot deel van links Nederland deed. Ik ben dan ook erg blij met de nieuwe neoconservatieve intellectuelen. Ze vormen een voortdurende uitdaging en een prikkel voor zelfreflectie voor de progressieven.

Naast een zekere irritatie met de verpreutsing de laatste tijd vanuit de hoek van CDA en christenunie is dat dus mijn motivatie geweest om te schrijven over seksualisering. Ik vond het leuk om dat samen met Brechtje Paardekooper te doen: zij is psychologe en ik ben een historicus met een voorkeur voor culturele ontwikkelingen. In dat opzicht vulden we elkaar goed aan. Ondanks dat bleef het echter een moeilijk onderwerp. De kritiek op preutsheid viel nog wel mee: er is een overmaat aan onderzoeken waarin wordt bewezen dat het niet goed is voor de seksuele en psychologische ontwikkeling van jongeren om hen tot uitstel van seksualiteit te proberen te dwingen. Pornoficatie en porno zijn echter veel glibberiger (ahum!) onderwerpen. Als mensen nou eenmaal geil worden van machtsverschillen tussen mannen en vrouwen, als mensen dat seksuele fast food nu lekker vinden, wat kan je er dan over zeggen?

Niet veel eigenlijk. Dat de arbeidsomstandigheden bij het maken van porno goed moeten zijn. En dat je voor bepaalde extreme vormen van longtailporno (gewelddadige sekssites, verkrachtingssites, sites waarop vrouwen vermoord worden) wel een flinke waarschuwing mag hangen dat het allemaal gefingeerd is (dat bedoelden we met een keurmerk). Voor meer details over dit onderwerp verwijs ik naar Ralf Bodelier. En dan de mainstream-porno? De sites die je meteen op de eerste pagina tegenkomt als je het zoekwoord ‘porno’ intikt bij Google? Stel je voor dat je een puber bent en nieuwsgierig naar spannende plaatjes, dan is dit dus het eerste waar je mee geconfronteerd wordt. Wat voor effect heeft dat op je? Op je latere relaties? Op je kijk op seksualiteit? Dit is een moeilijke. Ik geloof dat we pas echt gaan merken wat het effect is geweest van al die makkelijk bereikbare internetporno als we een jaartje of tien verder zijn en al die jongeren van nu zich verder hebben ontwikkeld. Er rest nu slechts een gevoel van onbehagen bij het zien van al die stereotype beelden.

Een onbehagen dat ook te voelen is op andere terreinen. Een voorbeeld is de documentaire Our daily bread over de wijze waarop ons voedsel wordt geproduceerd. De beelden laten zien wat het effect is van schaalvergroting, automatisering en een efficiënte arbeidsverdeling op de voedselindustrie. Toen ik de film zag bekroop me voorzichtig een gevoel van vervreemding. Zo ver zijn we langzamerhand van de natuur afgegroeid dat alles -het slachten van dieren en het oogsten van bijvoorbeeld zonnebloempitten- gegroeid is in een kil, mechanisch proces. Aan de ene kant is dat prachtig: want juist door al die techniek en die schaalvergroting kunnen heel veel monden goed gevoed worden. De mensheid is er enorm op vooruitgegaan sinds de tijd dat we nog oogsten met een zeis en de koeien zelf slachtten. Tegelijkertijd is er dat vreemde onbehagen dat we afhankelijk zijn geworden van techniek en dat we steeds meer in een kunstmatige wereld zijn komen te leven. De kunstmatigheid van de porno-industrie, die vermarkting van mensenvlees, is een ander voorbeeld van die vervreemding en dat onbehagen. Niet iets dat je met politieke middelen moet gaan bestrijden, zeker niet, maar wel een ontwikkeling die tot denken aanzet.

En zo zijn er dus veel meer processen in de maatschappij die het waard zijn om besproken te worden. Dat ga ik de komende tijd dan ook doen. De seksualisering laat ik voorlopig aan anderen om te bespreken. Ik ben er het laatste halfjaar, eigenlijk sinds mijn ‘Vagina achter designtas’-stuk in Trouw (en ook daarvoor, zoals de lezers van mijn weblog weten) zo veel mee bezig geweest dat ik het eerlijk gezegd. volledig gehad heb met het onderwerp. Er zijn zoveel andere boeiende zaken waar ik mijn schaarse tijd aan kan wijden. Het pamflet is uit en ik zet hierbij dan ook  een punt achter het onderwerp.

Even een update…

Ik heb al geruime tijd niet meer geschreven op dit blog. Niet omdat ik genoeg van het bloggen heb, maar omdat ik al mijn tijd nodig had voor iets anders. Samen met Waterland-collega Brechtje Paardekooper heb ik namelijk een pamflet geschreven over de seksualisering van de samenleving, getiteld: Slow sex. Een erotisch beschavingsoffensief. In dit manifest geven wij een alternatief ideaal voor een sekspositieve samenleving dat noch preuts, noch libertijns is. Dit pamflet komt 7 april officieel uit en we zullen het die dag presenteren in Paradiso tijdens het eerste programma van de serie Pinched, over ‘sex, love and countercultures’.

Ik vermoed dat ik tot die tijd druk bezig ben met de organisatie en alle publiciteit rond het pamflet, maar wellicht vind ik tussendoor nog tijd en inspiratie om nog eens wat te bloggen.

Voorgevoelens

De discussie over liefde en waarheid zal ik later nog vervolgen. Aan de reis naar Venezuela, waar ik in ‘Veni, vidi, fugi (??)’ over geschreven heb, bleek nog een staartje te zitten. Gisteren ontving ik een mail van een reisgenote van de groep waarmee ik had gereisd, de groep die dus gewoon zonder mij is doorgegaan. Wat bleek nu: na anderhalve week vakantie is hun busje op de weg ingehaald en zijn ze bedreigd en beschoten met pistolen. Vervolgens is de chauffeur achter in de bus geschopt en zijn ze onder bedreiging van de wapens en met gebruik van geweld van al hun waardevolle spullen ontdaan. Het busje is naar een afgelegen plek gereden waar ze ieder individueel meermalen met de dood bedreigd zijn, voordat de criminelen door hun maatjes zijn opgehaald. Alles bij elkaar een heel erg naar verhaal. Het soort verhalen waar mensen levenslange trauma’s aan overhouden en dat was te merken aan de mail van mijn reisgenote.

De reisgenote liet (schertsend) iets vallen over mijn eventuele ‘helderziendheid’: had ik een voorgevoel gehad? Het is inderdaad frappant dat ik juist bij deze reis rechtsomkeert maakte, dat ik die beslissing nam uit een diep gevoel van zekerheid en overtuigdheid, ondanks het feit dat het hier om een hele dure reis ging. Het was een irrationeel gevoel dat ik had… teruglezend zie ik dat ik mijn berichtje twee keer het woord ‘vijandig’ gebruikte. Dat was inderdaad de meest duidelijke omschrijving van wat ik voelde: een intens vijandige omgeving.

Zelf ben ik absoluut niet zweverig aangelegd. Sterker nog, in mijn ogen is elke vorm van spiritualisme een concessie aan de bestaande machtsverhoudingen, is het iets dat mensen beperkt, opium van het volk. Terugdenkend zijn er natuurlijk veel verklaringen aan te voeren waarom ik ben teruggegaan, ik heb ze allemaal genoemd in mijn vorige berichtje. En in hoeverre zou een meer etherische verklaring niet gewoon het resultaat zijn van mijn eigen cognitieve dissonantie, een gevoel van ‘zie je wel, ik heb toch de juiste beslissing gemaakt!’. Achteraf zijn dat soort dingen eigenlijk niet vast te stellen. Wat ik wel kan zeggen is dat ik ongelooflijk veel geluk heb gehad.

Wat me duidelijk is geworden – ik weet niet of dat zweverig is – is dat ik goed moet luisteren naar mijn eigen gevoel, mijn eigen intuitie. Het onbewuste gedeelte van de hersenen pikt soms dingen op, die het meer dagelijkse, bewuste gedeelte niet direct kan verklaren of bevatten. Het is dus af en toe goed om gewoon dingen te doen omdat ze goed voelen, ook al lijken ze irrationeel en zegt iedereen om me heen dat ik geen verstandige beslissing maak. Dat besef geeft ook een bepaald soort zekerheid.

…bah, wat klinkt dat antroposofisch 😉

Veni, vidi, fugi…(??)

P1000167_3

Eindelijk was het moment dan gekomen waar ik zo lang op had gewacht. Ik had het me allemaal zo duidelijk voorgesteld. Ik zou de vakantieperiode doorwerken, mijn scriptie inleveren en vervolgens zou ik op reis gaan… het liefst ver en heftig. Samen hadden we besloten een paar hotels in Brazilie te bezoeken en ik had me daarop verheugd. Totdat er plotseling geen ‘samen’ meer was..

Ik liet me natuurlijk niet kennen… In mijn eentje kon ik namelijk nog veel heftiger en intenser op reis. Drie weken op groepsreis naar Venezuela… natuur, Indianen, Hugo Chavez… Wat een avonturen zou ik beleven! Hoe louterend!

En intussen ploeterde ik door terwijl ik het werk met lood in mijn schoenen moest verrichten. Ik stortte mezelf in een intens sociaal leven… Je moet toch wat met die lege avonden en weekenden? De trein denderde door. Eindstation: Venezuela. En na Venezuela zou mijn leven veranderen, zou ik eindelijk toekomen aan al die dingen die ik echt wil. Me volledig ontplooiien. Een belofte die ik mijzelf lang geleden heb gedaan: als je die studie afmaakt, kun je doen wat je wilt. Maar eerst naar Venezuela.

Venezuela, Venezuela, Venezuela, drie hele weken lang rondtrekken. Wat ging ik allemaal zien, beleven?

Dan kom je aan met zo’n groep op het vliegveld van Caracas. Je gaat een busje in en rijdt rond en denkt: ‘aha, zo was het alweer: de derde wereld’. Een bepaald gevoel… slechte voorzieningen, een overweldigend gevoel van ‘andersheid’, een zweem van dreiging, criminaliteit. Het pension was krakkemikkig. Er was nauwelijks iemand die Engels sprak en ik, ik spreek geen Spaans.

Onze gids gelukkig wel. En die vertelde ons nog veel meer. Dat dit een van de zwaarste reizen van zijn reisorganisatie was, wat inspanning betreft. Over de slechte faciliteiten, veel afgelegen plaatsen, geen internet of mobiele telefoonbedekking. En gedurende de periode dat hij zijn verhaal hield, kwam steeds sterker bij mij het gevoel naar boven of ik dit eigenlijk wel wil. 7 uur lang met een groep in een bus zitten, in een compleet vreemde omgeving die zo nu en dan vijandig voelde. Afhankelijk zijn, want hoe verder ik reisde, hoe moeilijker het nog zou zijn voor me om de reis af te breken en naar huis terug te vliegen.

Dus die eerste nacht zweette ik in bed: alles leek vijandig en griezelig en ik voelde aan heel mijn lichaam dat ik dit niet wilde… Die hele reis was veel te gemakkelijk geboekt, ik was te snel over mijn eigen emotionele toestand heengestapt die toch niet zo stabiel was als ik mezelf had voorgehouden. En ik hou eigenlijk helemaal niet van survival-achtige reizen. Ik nam mijn besluit.

De volgende dag vertelde ik mijn reisleider en een aantal groepsgenoten dat ik meteen terug wilde vliegen. Ze hebben het allemaal geprobeerd uit mijn hoofd te praten. Zonder succes, ik was vastbesloten en weet nu nog dat het het juiste besluit was. Ik ben nog een dag alleen bij de posada blijven hangen, heb zelfs nog even kort een bewaakt privé strand bezocht (en me daar lelijk verbrand). Die middag kon ik meteen weer op hetzelfde vliegtuig terug. Gisteren kwam ik weer in Nederland aan.

Voor een bewijs voor mijn verzekering ging ik vanmorgen nog even naar de dokter. Die was niet verbaasd over mijn ervaringen. Het kwam vaker voor dat mensen juist op vakantie met allemaal stress uit hun leven worden geconfronteerd. Wanneer ze dan toch stug doorgaan, eindigt dat meestal in een psychose.