Mogelijkheid van een eiland (2)

Houellebecq houdt van de rede, van het verstand, van apparaten, techniek, machines. Tegelijk neemt het irrationele, in de zin van seksualiteit en ook liefde een belangrijke plaats in in zijn boeken. Maar hij waardeert deze vooral negatief. Net als vele heiligen en kerkvaders, die gezeten op hun zoutpilaar ongetwijfeld grote gevechten hebben gevoerd met hun eigen dierlijke inborst, is hij geobsedeerd door seks: voor hem een allesbepalende structuur die de kern van het leed van de mensheid uitmaakt. Alle subtiliteiten in de wereld van erotiek en intermenselijke aantrekking, tot zelfs grootschalige sublimaties van het libido worden door hem genegeerd. Goed, het is onderdeel van zijn stijl om alles tot in het extreme uit te vergroten. Maar dat is geen excuus voor de boodschap die zijn boeken wel degelijk hebben.

Het is ergens aan het einde van ‘Mogelijkheid van een eiland’ dat de verre, genetisch gemanipuleerde en daardoor zeer rationeel geworden nakomeling van de hoofdpersoon Daniel, Daniel25, de strijd aanbindt met Plato. Mikpunt van de kritiek is Symposium, de beroemde beschrijving van een Grieks drinkgelag, waarbij de liefde ter sprake komt. Daarin vertelt de Griekse tragedieschrijver Aristofanes, dat de liefde is ontstaan doordat de mens ooit twee mensen was, die van elkaar gescheiden zijn. Liefde is het verlangen naar een oorspronkelijke heelheid. Daniel25 merkt hierover op:

‘Dit was het boek dat eerst de westerse mensheid en vervolgens de gehele mensheid had vergiftigd, dat de mens zijn weerzin had ingeblazen tegen zijn lot van met rede begaafd dier, dat hem een droom had ingegeven waarvan hij zich twee millennia had proberen te ontdoen, zonder daar ooit volledig in te slagen.’

Liever dan het verlangen, de hoop, staat Houellebecq uiteindelijk een soort van rustige, rationele aanvaarding van het leven voor. Denkbeelden zoals je die terugvindt in de Boeddhistische filosofie of in de schrijfsels van Schopenhauer. Deze aanvaarding houdt zelfs in, als je de laatste bladzijden goed leest, dat hewt verloste subject niet meer naar het leven zelf verlangt. Daniel25 interesseert het uiteindelijk niet meer of hij nog leeft of sterft. Dat is de mogelijkheid van een eiland die Houellebecq ons voorspiegelt.

Of Plato’s gedachten over de liefde gezond zijn laat ik open voor een andere discussie. Blijft voor mij dat leven, echt leven, verlangen is. Dat verlangen is zowel ondraaglijk als dat het noodzakelijk is. Het verlangen verlost telkens weer, zonder ooit een definitieve Verlossing te bieden. Maar alleen door dat nooit helemaal bevredigende gevoel woelt de maatschappij, ontstaat kunst, schoonheid, geluk, passie. Geen technische oplossing, geen systeem of religie kan geluk afdwingen, want elke machine onderdrukt uiteindelijk, of het nu de genetische manipulatie van Houellebecq is, of de meditatietechnieken van de Boeddhist. De pijn die neveneffect is van al dat onstuimige verlangen moeten we daarbij als een soort van theodicee accepteren, er is geen ‘oplossing’ voor.

Wat wel belangrijk blijft, is het bestrijden van ontwikkelingen zoals Houellebecq die beschrijft. Technieken die de werkelijke vrijheid van de mens, namelijk de vrijheid om te verlangen, beperken. Ook als deze zich op religieuze, scientistische of economistische argumenten beroepen.

Advertenties

Mogelijkheid van een eiland

Het voelde gisteren als een opluchting, toen ik Michel Houellebecqs laatste boek ‘Mogelijkheid van een eiland’ eindelijk naast me neer kon leggen. De naargeestige en desolate denkwereld van de schrijver begon me steeds meer tegen te staan en zelfs te vervelen. Toen ik jaren geleden ‘Elementaire deeltjes’ las vond ik dat een confronterend boek. ‘Mogelijkheid’ gaf me echter een heel ander inzicht in het denken van Houellebecq… zelfs als je de groteske en overdreven stijl van de Franse schrijver negeert valt op hoezeer de man een simpele filosofie voortdurend weer opnieuw probeert over te brengen.

Deze filosofie, de idee dat de (moderne) samenleving een seksuele markt is geworden die uiteindelijk alleen verliezers kent (we worden immers allen oud en lelijk) is natuurlijk een vrij voor de hand liggende, enigszins puberale constatering, die ook niets anders doet dan bevestigen wat we allemaal altijd al dachten en niet wilden toegeven. Maar juist die zucht van herkenning, die de lezer slaakt wanneer hij Houellebecq leest en de huiver die diezelfde lezer voelt bij de in het extreme doorgedachte boeken van de schrijver, zijn in mijn ogen een dwaalweg. Want ondanks zijn kritiek op de moderne samenleving schetst Houellebecq geen uitweg, geen radicale verandering die het doorgedraaide individualisme doet opheffen. Leek hij dat in ‘Elementaire deeltjes’ nog wel te doen, met zijn verwijzing naar de mogelijkheid van genetische manipulatie van de menselijke soort, in ‘Mogelijkheid’ werkt hij deze ‘verlossing’ zodanig uit, dat er op het laatst alleen een meditatieve, hopeloze leegte overblijft.

In dat opzicht is de poel van ‘gezonken cultuurgoed’ waaruit de schrijver put een vrij klassieke ideologie, namelijk het christendom en, misschien in nog iets sterkere mate, Oosterse filosofieen. Houellebecqs boeken zijn niets anders dan de uitwerking op een meer modern, literair niveau van de doctrine van erfzonde en verlossing. De schrijver is absoluut geen ‘Marx van de eenzamen’, zoals hij wel eens genoemd is, eerder een Augustinus. En zoals al dit soort ideologische gedachtenspinsels stimuleert het boek niet tot verzet en verandering, maar tot een lege, stoicijnse aanvaarding van de status quo. Het boek bevrijdt niet, maar bevestigt, affirmeert de repressieve wereld van het nu.