Nemo’s akelige dromen

Dit weblog heet ‘Nemo droomt en denkt’ maar ik heb nog nooit gesproken over wie Nemo nu eigenlijk is. Little Nemo was een stripfiguurtje van de Amerikaan Winsor McCay. Vanaf 15 oktober 1905 tekende deze begaafde illustrator elke zondag voor de New York Herald de stripverhalen van Little Nemo in Slumberland. In mijn ogen zijn dit de mooiste strips ooit gemaakt. Ze geven een prachtig beeld van deze tijd: de interesse voor de modernste techniek (zappelins, stoomboten) in combinatie met een fascinatie met het exotische (Afrikanen, Aziaten) en het fantastische (reuzen, draken en andere fantasiewezens) zijn onderwerpen die je ook in de literatuur en de schilderkunst van die periode tegenkomt. Het is ook verleidelijk voor een historicus om de strip, met zijn nadruk op het onderbewuste (Freud!) en de griezelige sfeer te koppelen aan een andere interpretatie van die periode, het fin de siècle. In die interpretatie is deze periode vooral een van neergang en decadentie, van uitbloei van de burgerlijke cultuur. Aangezien een dergelijk tijdsgevoel vaag te duiden is en van land tot land kan verschillen, moet je voorzichtig zijn met die vergelijking. Nemo lijkt echter wel heel goed in een decadent discours te passen.

De verhaaltjes verlopen allemaal volgens ongeveer eenzelfde patroon. Nemo gaat slapen en komt in een vreemde wereld terecht. In die wereld moet iets gebeuren en datgene wat moet gebeuren gaat meestal (vooral in het begin) mis. Omdat Nemo iets stoms doet of dat er ergens een spelbreker verschijnt. Dan eindigt het met Nemo die angstig of schreeuwend wakker wordt en meestal een bezorgde of geïrriteerde ouder aan zijn bed. De dromen zijn meestal heel herkenbaar, McCay heeft het voor elkaar gekregen om de meest diepgewortelde angsten op een fantastische manier uit te beelden.

Een voorbeeldje is een strip ter ere van Valentijnsdag 1906. Nemo wordt opgehaald door Cupido die van hogerhand de opdracht heeft gekregen Nemo naar Slumberland te krijgen. Cupido heeft een lokkertje bedacht: een hele rij mooie dames uit wie Nemo zijn Valentijn kan kiezen. Nemo is enthousiast.

Choosevalentine_1

Hij kiest uiteindelijk een heel lief meisje met een roze jurkje uit. Vraagt haar mee naar Slumberland. Echter: dan komt het griezelige gedeelte. Als hij haar aan de hand neemt, blijkt de dame niet echt te zijn. Ze is van bordkarton.  Nemo wordt totaal ontdaan wakker.

Nemohaschosen

Is dit niet een van de diepste angsten van veel mensen? Dat je iets prachtigs in de schoot geworpen krijgt, iets dat verpletterend mooi is en dat het uiteindelijk niets blijkt te zijn, een foutje, een grap en dat je het weer kwijt bent?

Voor de Lacan-kenners: ooit een mooiere illustratie gezien van de uitspraak ‘de vrouw bestaat niet’? Het bordkarton is het fantasiescherm van Nemo, het masculiene subject. Als hij vanuit een bepaalde hoek naar haar kijkt (zijn blik, ‘gaze’) is hij verliefd op haar, schijnt ze hem aantrekkelijk en betoverend mooi toe. Maar als hij schuin kijkt (‘looking awry’ naar het boek van Zizek) verpulvert de fantasie. Er blijkt niets achter het bordkarton te zitten. Denk ook aan Lacans voorbeeld van het schilderij ‘De Ambassadeurs’ waarbij de vreemde ‘vlek’ uiteindelijk een schedel blijkt te zijn zodat de gehele betekenis van het schilderij verandert, nadat je het ‘schuin’ hebt bekeken. 

Tenslotte: voor iedereen die wel eens via internet gedate heeft is de ervaring van kleine Nemo misschien ook wel heel herkenbaar. Prachtige profielen, mooie woorden op je scherm en in realiteit blijkt het dan soms toch niet te klikken. Winsor McCay: een man met een vooruitziende blik.

Advertenties

De canon

De discussie over de nieuwe canon van de Nederlandse geschiedenis woedt nog steeds in de dagbladen. In het NRC van dit weekend stond een lang stuk van Hans Goedkoop. Hij behandelt de diverse houdingen die ten opzichte van het vak geschiedenis hebben bestaan in de afgelopen 25 jaar. Werd in de jaren ’80 de beoefening van de historische wetenschap als volstrekt nutteloos gezien, gedurende de jaren ’90 werd de geschiedenis vooral gebruikt om de identiteit van allerlei minderheidsgroepen, van allochtonen tot vrouwen, te versterken.

Het nadeel van die benadering is volgens Goedkoop dat de geschiedenis geen samenbrengende werking meer heeft. Zij valt uiteen in deelverhalen, waarbij elke sociale groep zich een eigen gedeelte toeeigent. Sinds de opkomst van Fortuyn is ook die benadering van de baan. Nu wil men weer een geschiedenis die juist boven al die groepen uitstijgt, die de Nederlanders een gemeenschappelijke identiteit geeft, in plaats van te vervallen in gefragmenteerde deelidentiteiten. Hiertoe werd een commissie in leven geroepen van vakhistorici die de canon hebben samengesteld.

Goedkoop is enthousiast over deze canon, omdat deze als eerste doel het verwerven van kennis heeft. In zijn ogen is dit veel belangrijker dan de meer emotionele functie die een canon heeft in het geven van een identiteit aan bepaalde groepen of aan de Nederlanders als geheel. Niet de emotie staat bij hem centraal, maar de intrinsieke waarde van de kennisverwerving. Hij vraagt zich echter wel af of daar in deze tijd nog plaats voor is, voor een houding ten opzichte van het verleden die niet gestuurd is door een sterk instrumentalisme vanuit de tegenwoordige tijd.

Laat dit nu juist het punt zijn waar ik met Goedkoop divergeer. Ik mis bij het verhaal van Goedkoop over het nut van kennis de beschouwing dat deze kennis –zeker bij geschiedenis- niet een vaststaand objectief feit is, maar altijd het resultaat van bemiddeling van de groepen die onderzoek doen, selecteren en waarderen. Een canon is altijd het resultaat van een ingewikkeld proces, beïnvloed door factoren als de stand van het onderzoek, de preoccupaties van het moment (waar wordt onderzoek naar gedaan, waar krijg je subsidie voor) en niet in het minst de sociale staat van de groepen en individuen die uiteindelijk de canon hebben samengesteld. Die canon is dus nooit alleen een vorm van kennis-an-sich, maar altijd het product van een elite, beperkt door de context van de eigen periode en sociale afkomst.

De vraag is dan of dat erg is. Alle producten van een cultuur, of het nu om kunst gaat, om architectuur, om wetenschap of staatsinrichting, worden altijd gemaakt door elites. Geschiedenis hoort daar ook bij. Elke tijd en elke sociale groep in een bepaalde periode kent zijn eigen verbeelding van het verleden. Tijdens de Verzuiling vertelde elke zuil, geregeerd door zijn eigen elite, zijn eigen versie van de ‘vaderlandse’ geschiedenis. Die geschiedenissen overlapten sterk, maar werden op verschillende wijzen geïnterpreteerd. En kunstenaars kleurden dat verleden op een bepaalde manier in zodat het verleden tot leven kwam in de verbeelding en fantasie van vele schoolkinderen, denk maar aan de schoolplaten van J.H. Isings. Een onderwerp dat in mijn ogen vaak onderschat wordt, dat geschiedenis naast kennis ook vooral verbeelding is, kunst is en dat de verbindende werking ook een esthetische waarde heeft, zoals een gezamenlijke taal niet alleen ‘nuttig’ is voor communicatie of een nationaal gevoel, maar ook een eigen schoonheid bezit.

Is dat dan wel democratisch zo’n canon? Er is de laatste weken veel gemopperd. Bepaalde groepen zagen zich niet vertegenwoordigd, of men miste de ‘lagere’ cultuur. Als je ervan uitgaat dat de canon nationaal moet zijn en dat het alle daarbinnen levende groepen moet verbinden, dan is die discussie inderdaad gerechtvaardigd. De canon wordt dan een soort Tweede Kamer, waarin allerlei groepen vertegenwoordigd moeten zijn, zelfs de Gonnie van Oudenallens van deze wereld. Wat dit soort gezamenlijke acties betreft ben ik echter fel tegen democratie. Net zoals kunst moet de canon in mijn ogen eenzijdig opgelegd worden door een elite. Natuurlijk, deze elite zal door de tijd van samenstelling veranderen, zoals in elke gezonde maatschappij elites voortdurend van plek wisselen. Over 10 jaar krijgen we dan wellicht weer een andere canon. Het verleden is namelijk niet statisch, zoals we vaak plegen te denken, maar beweegt dynamisch mee met het heden. Mijn punt is dat je sommige dingen niet uit den treure moet bespreken, want dan levert een prachtige canon slechts lelijkheid, oppervlakkigheid en middelmatigheid op in de wens om iedereen betrokken te houden in het eindresultaat.

Vorige week besprak Ronald Plasterk de historische canon in het programma Buitenhof. Zijn frustratie was dat de canon uitsluitend opgelegd werd door historici, alfa’s dus. De bèta’s moesten ook vertegenwoordigd zijn, want die waren immers verantwoordelijk voor zo ongeveer alles in de moderne samenleving. Los van het feit dat dit een nogal eenzijdige interpretatie van de geschiedenis is, sprak vooral één voorbeeld voor mij boekdelen. Plasterk kwam aan met een grafiek (jawel, een grafiek!) waarin stond afgebeeld hoeveel langer de mensen de laatste honderd jaar gemiddeld zijn gaan leven door de verbeterde omstandigheden met betrekking tot hygiëne en gezondheidszorg. Ik moest even nadenken wat voor mooie plaat Isings daarvan zou maken, van deze grafiek. Laten we in vredesnaam dit soort kurkdroge bèta’s weren uit de canon-commissie en een geschiedenis leren die bestaat uit mooie of nare verhalen, die we kunnen navertellen, natekenen, opvoeren, bekijken. Die tot onze verbeelding spreken en ons inspireren. En laten we eindelijk eens ophouden met die krampachtige drang om alle groepen vertegenwoordigd te hebben.

Albert Verwey

Over Albert Verwey schreef ik mijn scriptie. De zo goed als vergeten dichter had bij mij genoeg interesse gewekt om een kijkje te nemen in de plaats waar hij van 1890 tot zijn dood in 1937 gewoond heeft: Noordwijk aan Zee.

Aangekomen in het plaatsje was de kust het eerste wat me trok. Bij Noordwijk is het strand nog vrij ongerept, het ziet er nog net zo uit als dat het er 100 jaar geleden uit moet hebben gezien. Het was koud weer en het motte. Precies het weer zoals Verwey dat ooit beschreef toen hij per boot terugkwam uit New York en de Hollandse kust naderde:

‘ik deed mijn jas open en ademde met volle longen de vochtigheid die mij toewaaide van de kust die ik nog niet kon zien. Dat was de liefde tot mijn vaderland, die in mijn kosmopolitische hart sluimerde en wakker werd: het gevoel van bij elkaar te hooren, ik en deze aardestreek, het gevoel van één te zijn, onverwoestbaar één, door onherroepelijke wording en onvergankelijke gemeenschap, met dit ééne kleine deel van het heelal.’ (Albert Verwey, Luide toernooien (Amsterdam 1903) 7,8).

Nu moet ik eerlijk zijn dat ik mijn jas niet opende maar dichtknoopte en dat ik na een niet al te lange wandeling langs de mistige kust gauw rechtsomkeerd maakte, drijfnat geworden. Verweys bijna mystieke nationale gevoel kon ik mij echter inbeelden: er is iets overweldigends en tegelijk zeer bekends aan die grijze Noordzee.

Het huis van Verwey, dat huis waar hijn al die honderden gedichten, al dat proza schreef, dat huis waar hij zijn eigen persoonlijke literatuurfilosofie ontwikkelde, heette Villa Nova. Inmiddels heeft de gemeente Noordwijk het nodig geacht dit huis af te breken om daar spuuglelijke bungalows neer te zetten. Het enige dat nog rest is een buste van Verwey. Gemaakt toen hij bijna zeventig was, een oude kop met angstaanjagende borstelige wenkbrauwen. De Prins Hendrikweg, waar Villa Nova aan stond, is nu een van die vele, ontstellend saaie weggetjes waar Nederland toch al mee bezaaid is. Was de dichter van de Idee nog aanwezig in die treurigheid? Het leek alsof ik hem even voelde daar, vluchtig, alsof hij van achter een boom de vergankelijkheid van zijn eigen filosofie van eeuwigheid beweende.

Zee bij Noordwijk

Beeld van Albert Verwey

Prins Hendrikweg, Noordwijk