Het begrip ‘slow sex’

Over iets meer dan een week komt het boekje Slow sex. Een erotisch beschavingsoffensief uit dat ik samen met Brechtje Paardekooper geschreven heb. Dit pamflet bevat een uitwerking van een aantal bevindingen die wij al op ons beider weblogs beschreven hebben. Het is een kritiek op de wijze waarop onze samenleving, de media en de reclame steeds meer worden doordrongen van de meest fantasieloze en respectloze beelden uit de pornowereld. Het is ook een kritiek op porno zelf, op de manier waarop het meest persoonlijke – onze seksualiteit – wordt geïnstrumentaliseerd door de industrie. Op de eenzijdigheid, de leegheid, de eenzaamheid en de neppigheid van de pornografische verbeelding, die zo’n karikatuur maakt van de volheid en schoonheid en de intimiteit van wat seksualiteit werkelijk kan zijn.

Voor dat laatste, seksualiteit die zich ontworsteld heeft aan de pornografische eenheidsworst, gebruiken we de term ‘slow sex’. We kenden de slow food beweging, en we wisten dat deze de standaardisering en massaproductie van het voedsel bekritiseert. Slow food: dat zijn levensgenieters die van lekker eten houden, maar het tegelijkertijd belangrijk vinden dat dit voedsel met aandacht bereid is, waarbij rekening wordt gehouden met het milieu en uitgegaan wordt van eerlijke handel. In diezelfde lijn geloven wij in Slow sex: eerlijke seksualiteit, uitgaande van de gelijkwaardigheid van de partners, met aandacht en respect voor elkaar en met de bedoeling om deze seksualiteit te verfijnen en te ontwikkelen.

Natuurlijk bestond het begrip ‘slow sex’ al langer. Carl Honoré heeft het erover in zijn boek In praise of slow. How a wereldwide movement is challenging the cult of speed. Een Italiaan, Alberto Vitale (what’s in a name!) heeft een eigen slow sex beweging opgezet (www.slowsex.it). De nadruk ligt daarin bijna letterlijk op ‘slow’, op langzame seksualiteit. Op de tijd nemen voor seks. Veel aandacht wordt daarbij geschonken aan Tantra, oosterse seksuele meditatie. Een dergelijke beweging vind je ook in Japan. Dr. Kitamura verwijst daar vooral naar de seksuele traditie in het oude Polynesië. Deze eilanden kenden een uiterst langzaam seksritueel dat tot een extreem hoog genot zou leiden.

Voor die bijna letterlijke interpretatie van slow sex -als langzame seks- valt wel wat te zeggen. In een drukke wereld waarin we steeds harder moeten werken, is het goed om de tijd te nemen voor iets zo belangrijks als seksualiteit. Maar het is ook een beetje een kale interpretatie van de term. Zoals slow food ook meer is dan alleen langdurige bereiding van eten maar tevens een ethische wereldvisie inhoudt: waarin je je afzet tegen de door commercie en schaalvergroting ingezette verpaupering van ons voedsel, tegen milieuonvriendelijke productie en de uitbuiting van werknemers in de voedselindustrie en de landbouw wereldwijd, zo is slow sex in onze definitie ook meer dan alleen een langdurige, langzaam-sensuele vrijpartij. Sterker nog: in mijn ogen kan een ‘vlugger’ best ‘slow’ zijn.

Want slow sex betekent ook een bevestiging van de gelijkwaardigheid van man-vrouw (en man-man, vrouw-vrouw) verhoudingen. Een revolutionaire verandering die we aan de seksuele revolutie en het feminisme te danken hebben. Het houdt een erkenning in van de autonomie van ieder mens over zijn of haar eigen lichaam. Slow sex betekent dat seksualiteit persoonlijk en intiem kan zijn.  Het betekent ook dat mensen hun seksualiteit kunnen ontwikkelen en verbeteren. Dat kan in een liefdesrelatie of vriendschapsrelatie, maar altijd in een situatie van onderling respect. Daarom is het een kritiek op veel pornografie, waarin man-vrouw verhoudingen zelden als gelijkwaardig worden weergegeven. Het is ook een kritiek op de kaalheid en gestandaardiseerdheid van pornografie: slow sex betekent dat we nieuwe beelden moeten gaan verzinnen van seksualiteit zodat we andere, originelere en diversere voorbeelden krijgen voor in de slaapkamer. En het is een kritiek op de verbeelding van seksualiteit als iets wat stoer is, waarmee je moet scoren, zoals tegenwoordig in veel hiphop-clips. Laten we seksualiteit zoveel mogelijk buiten het jargon van marktwerking en targets proberen te houden.

Dat is misschien ook wel het mooie van seks. Slow food valt soms in de val waarin meer dan honderd jaar geleden ook de Arts & crafts beweging van William Morris viel. Morris kwam al in opstand tegen de industriële productiewijze. In plaats van de mechanische massaproducten maakte hij allemaal prachtige, unieke, handmatig bewerkte meubels en ander interieur-onderdelen. Probleem was natuurlijk dat al dat handmatige werk duur was. Dus de producten van deze beweging vonden slechts hun weg naar de elite die het kon betalen. De slow food beweging kampt met hetzelfde probleem: al dat zorgvuldig bereide en eerlijke voedsel is behoorlijk duur, dus het is vooral de gegoede middenklasse die het koopt en ervan geniet. Slow sex daarentegen kost niets!  Het vergt alleen een andere mindset, een bewustwording. In dat opzicht is het op zichzelf al een protest tegen de van prestatiedruk en winstbejag doortrokken wereld. Een gratis genot, uitgaande van gelijkwaardigheid. Noem ons idealisten, maar wat is er mooier dan een revolutie die begint in de slaapkamer?

NB1: Ann J. Simonton schreef in februari een artikel dat in zijn definitie van het begrip slow sex dicht bij die van ons in de buurt komt – dichter in ieder geval dan Vitale en Kitamura.

NB2: Aanstaande woensdagavond ben ik om 20:30 te zien bij Het Gesprek, het programma Spraakmakers. Brechtje en ik worden dan geinterviewd door Arie Boomsma over ons pamflet.

NB3: Dit is wat Brechtje over Slow sex schrijft.

Mannen, seks en relativisme

BatemanEén van de meest krachtige verbeeldingen van de pose van het alfa-mannetje is te vinden in de film American Psycho.Patrick Bateman (gespeeld door Christian Bale) nodigt twee prostitueesuit in zijn dure appartement. Hij houdt een uitvoerige monoloog over demuziek van de band Genesis en over popzanger Phil Collins. Zo zegt hij over Genesis:‘”Invisible touch” is onbetwist het beste nummer van de band. Het iseen epische meditatie over onaantastbaarheid.’ en geeft de twee vrouwenvervolgens aanwijzingen over hoe ze zich moeten opstellen. Hij laat deprostituees seksuele handelingen met elkaar uitvoeren en voegt zichdaarna zelf bij het tweetal. Naast het bed plaatst hij een videocameraen neemt de hele, volledig door hem geregisseerde gebeurtenis op. Aanweerszijden van het bed staan twee grote spiegels waarin hij –zichzelfbewonderend- zijn spierballen laat zien en bodybuilder-poses uitvoertterwijl hij de dames in verschillende dominante standjes ‘neemt’. Tegenéén van de vrouwen zegt hij: ‘kijk in de camera!’.

Natuurlijk gaat het hier om een absurde scène waarin de filmmakermet veel overdrijving duidelijk wilde maken wat voor gestoorde narcistde hoofdfiguur (de ‘american psycho’) uiteindelijk is. Onderwerp ishier dan ook niet de seks, maar het ego van de yup Patrick Bateman. Deseksuele handelingen zijn in het geheel niet erotisch in beeldgebracht, het gaat hier dan ook niet om seks, maar slechts om de ‘pose’van seks. Seks gedacht als dominantie, als macht, als status en nietals een gevoel waarvan je kan genieten. Bateman wil zelf de hoofdrolspelen in een pornofilm, hij wil aan de kijker van de film (‘debuitenwereld’) duidelijk maken dat hij de koning is, de macho, diestoer twee vrouwen tegelijkertijd kan nemen. Wie die buitenwereldprecies is, is niet duidelijk. Maar uit de rest van de film blijkt datBateman vooral status wil ten opzichte van andere mannen.

Hoe extreem en karikaturaal deze scène ook is, dit macho-gedrag isnatuurlijk in een wat afgezwakte vorm in veel mannenculturen aanwezig.Extreme vormen ervan kun je terugvinden in de teksten en video’s vanrapmuziek, zoals het nummer ‘Ballen tot we vallen ‘van de groep THC:

‘Okee, kom in de tent, je weet wie ik ben
Arbijan, de man, met ballen, opvallende vent
Tanga’s ik wenk ze
Ben voor hun nog onbekend, maar binnenkort, ben ik de fucking rappresident’

‘Eey eey chuck, check die baka, die tanga met die planga, ik moet die tanga vangen, ik moet die tanga ballen
Mijn god, deze chick is te fucking hot, wat een kapsones ho’ volgens mij is ze pot
Kijk die tanga oog vallen, met die dubbel d ballen, wat een wereldcup, ik schiet hem helemaal stuk
Met een beetje geluk eet ik vanavond tuk, brada, ik krijg het nog druk, ik neem der mee naar m’n hut’ (enz enz)

Wat opvalt is de verbinding die wordt gemaakt tussen, seks, vrouwenen status. De zelfbenoemde pimps van de hiphop grijpen terug op eendiscours waarin status en eer belangrijk zijn en die status krijg jeals je met veel vrouwen seks hebt. Seks is hier niet het uitgangspunt,maar is iets wat je moet doen om status te verkrijgen. ‘Ballen tot wevallen’ is geen lofzang op de seksualiteit, maar een lofzang op demacho die doet wat andere mannen van hem verwachten, waar anderenmannen (in werkelijkheid en denkbeeldig) tegen opkijken. Namelijkneuken. Het liefst met zoveel mogelijk vrouwen. Nog iets dat opvalt isdat andere gevoelens dan de ego-kick onbesproken blijven. Dat geldtvoor de vrouwen die het object zijn van het ‘gebal’. Maar ook de eigenlustgevoelens worden op een hele afstandelijke manier besproken. Het isalsof er in de mannen eigenlijk twee mannen zitten: eentje dieopgewonden is en de seks beleeft. De ander die daarnaar kijkt en er metveel bravoure over vertelt. Die de belevenis giet in een vertelvorm diebegrijpelijk, acceptabel en vooral stoer is voor zijn maten. En daarbijde eerste man, de voelende man, buiten schot laat.

Die manier van praten over seks blijft niet beperkt tot het getto oftot de (al of niet allochtone) onderklasse. Ik geloof dat dieafstandelijkheid in het spreken over gevoel en in het bijzonder overseks voor veel mannen en in mindere mate ook voor vrouwen herkenbaaris. Ik vermoed dat er veel mannen zijn die wel eens een overheersendgevoel van ‘trots’ gevoeld hebben bij hun zoveelste verovering die het‘genot’ van de daad zelf volledig in de schaduw stelde. Mannen die hetaantal vrouwen waarmee ze het bed gedeeld hebben tellen en daaroveropscheppen bij hun vrienden. Ik geloof dat veel mannen de afstandelijkemanier van spreken over seks met hun vrienden herkennen, áls ze al overhet onderwerp spreken.

Want het is gemakkelijker om seksualiteit in getallen te vangen danin gevoel. Het is gemakkelijker om het te maken tot een ego-ding, danje bewust te zijn van je eigen seksuele verlangens. Vaak is het dan ookdat als mannen wél over seks schrijven, ze dat gevoel als geheelexternaliseren. Neem Tommy Wieringa in zijn pamflet De dynamica van begeerte.Verlangen is hier een verslaving, een last waartegen je moet vechten.De hoofdpersoon in het essay van Wieringa is bang voor zijn eigenseksualiteit, bang voor de ‘leegte’ die daarachter ligt. Na het bezoekaan een porno-feest beschrijft de ik-figuur het als volgt:

‘Ik had de uiterste grens van mijn begeertes opgezocht, ik had zezonder veel terughoudendheid vervuld, mijn zenuwen verdoofd metoverprikkeling, en nu viel ik. De kleine dood was de voorafschaduwingvan de grote, ik had achter de begeerte gekeken en het Niets gezien.Afgrijselijk, afgrijselijk.’ En verderop: ‘De god van de seksualiteitlacht naar je – met de grijns van een doodskop.’

Het heroïsche gevecht tussen de eenzame man en zijn libido. Maarwaarom noemt hij de vrouwen niet waarmee hij vree? Waarom vertelt hijniet wat voor interactie er was tussen hem en de vrouwen? Dat zou je ineen artikel over begeerte verwachten. Maar alle vrouwen zijninwisselbare objecten, er is alleen de man en zijn begeerte endaarachter een onpeilbaar Niets. Bij Wieringa is de begeerte, de lusteen vaststaand gegeven, die af en toe oplaait bij een willekeurigevrouw.

Ook bij filosoof Jos de Mul, die vorig jaar een stuk in De Volkskrantschreef over seks, gaat het om een externe macht. ‘Seks is subliem.Subliem noemen wij krachten die ons door hun onbegrensde,overweldigende of mateloze karakter kunnen vernietigen. Ze fascinerenons en trekken ons aan, maar ze boezemen ook, en niet zonder reden,angst in.’ Ook hier wordt seks geëxternaliseerd en gemaakt tot een‘ding’, een kracht die buiten je staat. De Mul reïficeert seksualiteitdus, zoals Wieringa dat met de begeerte doet. Beide maken deel uit vaneen afstandelijk vertoog over lust en seks. De mens wordt weergespleten in twee helften: de man die geniet van de seks en een andereman die angstig toekijkt.

De vraag is of de begrippen begeerte en seksualiteit ook in dewerkelijkheid bestaan. Je kan ‘begeerte’ of ‘seksualiteit’ geen handgeven, je kunt ze niet aanraken. ‘Verlangen’ en ‘begeerte’ ontstaantussen twee mensen of bij één mens tegenover een ander mens. Het zijngevoelens die door verschillende oorzaken opgewekt kunnen worden en diewel of niet kunnen worden uitgeleefd. Seksualiteit is ook geen massieveoerkracht, maar is het gehele proces van vormgeven van gevoelens vanlust en verlangen tussen individuen. Eigenlijk kun je dus niet sprekenover ‘de begeerte’ maar zijn er heel veel verschillende begeertes, éénvoor elk individu en voor elke seksuele gelegenheid.

De ‘leegte’ waar Wieringa het over heeft ontstaat volgens mij vooralals je dat andere individu niet wil kennen. Op het moment dat je jeafsluit van de ander, haar objectiveert, ontstaat een toestand vanvervreemding. Die vervreemding werpt je op solipsistische wijze opjezelf terug: de seksualiteit die je niet werkelijk kon beleven omdatje je niet openstelde voor de ander wordt tot een groot,verschrikkelijk subliem ding gemaakt. De angst voor de ander wordt deangst voor ‘de begeerte’. Het begrip wordt opgeblazen tot mythischeproporties. Daarom zijn het meestal mannen voor wie seks altijd zonegatief voorkomt. Want het eerder besproken machistische discours,waarin seks een middel is om je ego op te vijzelen ten opzichte van een(denkbeeldige) groep mannen, maakt het moeilijk om je gevoelsmatig opente stellen voor anderen en voor de gezamenlijke beleving, dieseksualiteit toch eigenlijk is. Het haalt ook het individuele van degebeurtenis af en integreert de gebeurtenis al tijdens de daad, in hetvertoog van de groep.

Nu kan men altijd tegenwerpen dat dit een wel zeer essentialistischemanier van het definiëren van seksualiteit is. De schrijver van ditblog legt zijn persoonlijke gevoelens en waarden (authenticiteit,echtheid, gezamenlijke beleving) op aan anderen, maakt ze zelfs tot eenuniversele, dwingende waarheid. Voor we het weten gaat hij onspaternalistisch voorschrijven hoe we seks moeten hebben en seks moetenverbeelden! In wat voor opzicht moeten we meer geloof hechten aan hemdan aan Heleen van Royen of Arie Boomsma van de EO, die immers ieder een bepaalde interpretatie van seksualiteit voorstaan?

Ik kan daarom als antwoord proberen objectieve criteria te vinden:het onderzoek, de psychologie en seksuologie induiken. Het ontologischeprobleem is echter dat zodra je de objectiviteit induikt je nu preciesdatgene doet wat ik bekritiseer, namelijk afstandelijk oordelen. Jeschuift je persoonlijke normen en waarden opzij en kijkt naar de zakenzoals ze zijn. Dan kom je waarschijnlijk tot een heel liberaal oordeel:mensen verschillen nu eenmaal, wie zijn wij om ze te beoordelen, zolanghet niet om criminele activiteiten gaat mag iedereen doen wat hij ofzij wil. Met als resultaat een doorwoekeren van platte, ongeinspireerdeseksreclames op televisie, voor vrouwen vernederende afbeeldingen opbillboards en het seksistische voorbeeld voor jongeren in de gemiddeldehiphop clip. Maar door te objectiveren negeer je het gevoelsmatige deelvan de discussie, terwijl dat net de kern is van seksualiteit, het gaatom een gevoel!

Om eerlijk te zijn heb ik geen God of Grote Ander nodig in de vormvan een bijbel of resultaten van wetenschappelijk onderzoek om mij tevertellen hoe ik over seks zou moeten denken. Wel luister ik graag naarpersoonlijke verhalen van mensen: hoe beleven zij seksualiteit, watvoelen zij precies? Ik geloof dat de afwezigheid van een positiefideaal over seksualiteit heeft geleid tot de pornoficatie van desamenleving zoals die nu is. Het liberale denken heeft daar geenantwoord op. De EO heeft wel een positief ideaal (seks moet altijd gepaard gaan met liefde) maar ook dat is het mijne niet.

Ik postuleer dat seks echt moet zijn, doorvoeld en intersubjectief.Het moet een gebeuren zijn tussen twee mensen die elkaar als subject enniet als object behandelen. Daar kun je het mee eens zijn of niet. Jekunt het bestrijden vanuit je eigen gevoel. Maar belangrijk is dat hetonderwerp is van gesprek, van discussie. Wanneer we als samenleving eenbeleid over seksualiteit willen voeren, dan moeten idealen overseksualiteit op een lege plek staan, waarbij voortdurend onderdiscussie staat welk ideaal –tijdelijk- op die plek mag zitten.Seksualiteit moet wederom gepolitiseerd worden, zoals het dat in dejaren ’70 was. Ik wil daarom geenszins de universele essentie van seksblootleggen, ik wil slechts een voorzet doen richting een debat overdat ideaal. Een debat dat ditmaal niet afstandelijk is. Waarbij weonszelf niet verliezen in slap relativisme, maar durven oordelen endaar consequenties uit te trekken.

Want er is behoorlijk wat af te dingen op het overheersendeobjectiverende en afstandelijke vertoog over seks. Ik heb hierbovenbeschreven hoe het kan leiden tot een zekere vorm van vervreemding, dieterugkomt in de culturele verbeelding en reïficatie van seksualiteit.Het is de vervreemding die in extreme vorm is terug te zien bij PatrickBateman in American Psycho. Voor hem is niet alleenseksualiteit, maar zijn ook andere mensen verworden tot dingen waaroverhij heerst, die alleen maar tellen voor zover ze bijdragen aan zijnego. In een overdreven en extreme vorm vertegenwoordigt hij eenbepaalde houding, een specifiek discours ten opzichte van seksualiteiten tegenover vrouwen dat heel veel mannen in de verte zullen herkennen.Laten we dat op zijn beloop, of gaan we over dat vertoog met elkaar indiscussie?

Hoe fataal is ‘stout’?

Heleen_als_tijdschrHeleen van Royen is stoer. In het boek Stout dat zij samenmet lingerie- ontwerpster Marlies Dekkers schreef definieert zij onderdie naam een nieuwe levensfilosofie voor vrouwen. Vrouwen moeten beternadenken over de mate waarin ze bevrijd zijn. Ze moeten zich nietschamen voor hun seksualiteit, hun verlangens en hun lust. Stout-zijnheeft veel te maken met vrouwelijke promiscuïteit en het delen van jeerotische fantasieën met andere vrouwen.

Van Royen noemt zich ook een feminist. In haar recent uitgekomen eenmalige glossy Heleeninterviewt ze Christie Hefner, dochter van Hugh en directrice van hetPlayboy concern. Hefner: ‘wie zichzelf geen feminist noemt, is in feiteeen racist.’ Ahum. Racist? In ieder geval geeft Van Royen samen metmede-powervrouw Hefner aan het woord feminist weer een stoere klank. Inhet magazine is verder een lijst opgenomen met de 100 Nederlandsevrouwen met het meeste aanzien en macht. De Top-3: Neelie Kroes, RitaVerdonk en Sonja Bakker. Wie wil daar nu niet tussen staan?

Wanneer ben je als vrouw stout? Daartoe ontwierpen Dekkers en VanRoyen een twaalfpuntsschaal. Tot en met nummer 9 op deze schaal scoorje met eigenschappen die iedereen (en zeker de meeste feministen)zullen aanspreken: levenslustig, ambitieus, creatief, ondernemend,grensverleggend, veerkrachtig enz. Maar vanaf schaal 10 komen daar deechte stoute begrippen bij: dominant, manipulatief en ongenaakbaar.Waarom nu juist deze termen? Waarom zouden vrouwen aan die omschrijvingwillen voldoen? Stoute vrouwen lijken een sterke obsessie te hebben metmacht. Vooral macht over mannen. Zij voldoen daarbij aan het klassieke type van de femme fatale. De fatale vrouw is het vrouwelijke equivalent van de mannelijke ladykiller.Ze windt mannen om haar vinger en dumpt ze wanneer het haar uitkomt(waarom komt het beeld van Rob Oudkerk me nu ineens voor ogen?). Zegebruikt haar seksualiteit vooral als middel om die macht teverkrijgen. De fatale vrouw heeft daarbij andere motieven dan de nymfomane.De laatste gebruikt ook seksualiteit als middel, maar dan vooral omaandacht te krijgen. De fatale vrouw echter veracht de mannen die zijgebruikt en manipuleert hen juist omdat ze afhankelijkheid naarhaar toe tonen. De fatale vrouw houdt niet van zwakte en vanbehoeftigheid. Ze kijkt neer op mannen die wel dergelijke gevoelenshebben.

Een paar jaar terug was er een tentoonstelling over fatale vrouwenin het Groninger Museum. Het type van de fatale vrouw was namelijk inhet fin de siècle een populair motief in de beeldende kunst.Fatale vrouwen speelden destijds een dominante rol in de mannelijkeverbeelding. Salomé, La belle dame sans merci, Klytaimnestra, Medea,het zijn vaak verbeeldingen van mannelijke angsten, net zoals denymfomane een verbeelding is van mannelijke verlangens. Betekent ditdat de fatale vrouw niet bestaat, dat het hier om een construct gaat,afkomstig ui de mannelijke fantasie? En dat als ze al bestaat, dat hetom zogenaamd uncle Tom-gedrag gaat, zoals Ariel Levy dat beschrijft in haar boek Female Chauvinist Pigs?Met andere woorden: dat ze de plek inneemt die haar in de mannelijkeverbeelding is toegewezen? Vanuit feministisch oogpunt is dat eenverleidelijke these. Fatale vrouwen als Heleen van Royen lijden aan eenvorm van vals bewustzijn. Filosofe Stine Jensen heeft al eens geopperddat Van Royen en Dekkers Nederlandse FCP’s zijn. En gezien het feit datVan Royen op bezoek gaat bij FCP bij uitstek, Christie Hefner, lijkt zedit geluid zelf te willen bevestigen.

Toch is dat te kort door de bocht. Fatale vrouwen bestaan weldegelijk, net zoals nymfomanes bestaan. Hun psychologische motievenzijn alleen wat minder fraai en eigenlijk helemaal niet stoer. In detentoonstellingscatalogus van Fatale vrouwenstaat een artikel over dit type vrouw van psychoanalyticus Eddy deKlerk. Volgens de Klerk gaat het hier om vrouwen die in hun kindertijdbang zijn gemaakt en affectief tekort zijn gekomen. Met behulp vanmachtsfantasieën proberen zij te overleven in een buitenwereld die zeals bedreigend ervaren. De psychoanalyticus beschrijft de eigenschappenvan de fatale vrouw als volgt: ‘een extreme vorm van onafhankelijkheid,de overtuiging niets of niemand nodig te hebben, de vanzelfsprekendeveronderstelling bewonderd te worden, superieur gedrag, het gevoelboven alle kritiek te staan, het streven zelf de touwtjes in handen tehouden en de neiging elk teken van zwakte, kwetsbaarheid ofbehoeftigheid uit het emotionele repertoire te bannen.’ Het is nietmijn bedoeling om Heleen van Royen als persoon te analyseren. Het gaatme hier om de levenswijze die zij samen met Dekkers onder de naam stoutwil uitdragen. Waarom is de stoute vrouw zo fataal? En waarom is erblijkbaar behoefte aan dit type in postfeministisch Nederland?

Want het kenmerkende van de fatale vrouw is dat ze leeg en onzekeris van binnen. Die leegte en onzekerheid die in de jonge jaren zijnontstaan probeert ze te overdekken met een imago van superioriteit. VanRoyen en Dekkers schrijven in Stout: ‘Niets van wat we doen isvanzelfsprekend of makkelijk, al zouden we liever dood neervallen dandat in het openbaar laten blijken’. Stout-zijn is dus een lege pose enhet doel is macht. Zou dat de reden zijn dat Van Royen altijd zo onechtoverkomt op TV? Wellicht. In ieder geval is het de vraag of het eengoed rolmodel is voor vrouwen om je in het openbare leven altijd andersvoor te doen dan je bent.

En hoe zit het dan met seks? De fatale vrouw maakt ook instrumenteelgebruik van haar seksualiteit. De Klerk spreekt zelfs vanpseudo-seksualiteit. Het is niet belangrijk of de fatale vrouw veel vanhaar seksualiteit geniet, als de man die ze verovert maar voor haarvalt en van haar afhankelijk raakt. Daarom zijn veel van de seksueleverhalen in Stout niet echt spannend. Ze gaan er eerder overhoe stoer vrouwen wel niet zijn, dat ze vreemd durven gaan, dat zemannen als lustobject durven gebruiken. Nog zoiets: in de Heleen staat een heel stuk over ‘SM voor beginners’ en ook in Stoutwordt veel gekoketteerd met SM. Natuurlijk is SM op het eerste gezichtinteressant voor stoute vrouwen die gepreoccupeerd zijn met macht. Maar SMis de seksualisering van macht en gevoelens van dien aard maken deeluit van je persoonlijkheid, net zoals homoseksualiteit deel uitmaaktvan iemands innerlijkste ik. Je hebt het of je hebt het niet. Het isgeen truukje dat je kan leren om je seksspel op te waarderen, om lekkerstoer en stout te doen. Dat alleen al denken is het instrumentaliserenvan seksualiteit en niet het beleven daarvan. Van werkelijke seksueleemancipatie is dan ook weinig sprake bij Van Royen.

Seks mag namelijk nooit een middel zijn, maar is altijd doel opzich. Seksualiteit is zo persoonlijk dat je er eigenlijk alleen maar opeen heel kwetsbare manier van kan genieten. Dat hoeft niet per se ineen vaste relatie, maar het vergt wel van beide partners dat degevoelens serieus worden genomen en dat er onderling respect is. Degevoelens zouden doorvoeld en authentiek moeten zijn. De fatale vrouwheeft echter totaal geen respect voor de mannen waarmee ze gaat. Zegaat net zo prat op haar veroveringen als de mannelijke ladykiller datdoet. In het hoofdredactioneel commentaar van de Heleen citeertde hoofdedactrice zelf met instemming het verhaal van een stoute vrouw:‘Ik ben een getrouwde moeder van drie kinderen. Dankzij internet heb ikeen relatie gekregen met een jongen van achttien, vervolgens heb ikvier buurjongens verleid tussen de zeventien en negentien jaar. Op ditmoment heb ik een vriendje van twintig en als we seks hebben, doe ikalsof ik zijn moeder ben.’ Let op de grote hoeveelheid getallen(aantallen minnaars, leeftijden) die in bovenstaande tekst voorkomen.Is dit verlangen, is dit lust? Of eerder bravoure en opschepperij?

Waarom worden vrouwen in deze tijd uitgedaagd om de rol van defatale vrouw te spelen? Wat is daar zo bevrijdend aan? Persoonlijk denkik dat het hier om meer gaat dan alleen uncle Tom-gedragrichting mannen. Het gaat niet alleen om vrouwen die zich aanpassen aande overheersende patriarchale moraal. Het gaat om vrouwen (en mannen)die zich aanpassen aan een samenleving waarin prestatie, macht, succesen markwaarde blijkbaar belangrijker worden gevonden dan innerlijkewaarden als authenticiteit en persoonlijkheid. Je bent pas iemand alsje succesvol bent. Op afhankelijkheid (van iemand anders of van deoverheid) wordt neergekeken. De stoute vrouw is ongelooflijkonafhankelijk, ze is ongenaakbaar. De seksuele bevrijding vanstout is een pseudo-seksuele bevrijding, omdat deze weinig te makenheeft met een kwetsbaar zelfonderzoek naar de eigen seksuele gevoelens.Seks is bij de Van Royens van deze wereld slechts een middel om hunimago interessant te maken, om nog machtiger en succesvoller te worden.Maar op het gebied van werkelijke hartstocht, van echte pureauthentieke en doorvoelde geilheid, hebben deze nieuwe femmes fatales weinig te bieden.

Het lineaire tijdperk is voorbij

Stel je een levenvoor waarin alles van tevoren bepaald is. Waarin de levensloop bestaatuit een lineaire hoeveelheid fases met elk hun eigen doel enontwikkeling. Begin bij de kindertijd, de kleuter-en basisschool,waarin je veel speelt en veel leert. Dan de middelbare school: eveneensveel leren, maar ook je eerste ervaringen in de liefde. Dan ga jestuderen: veel lol, drankgelagen en experimenten met seks. Danontmoet je aan het einde van je studententijd ‘de ware’, waar je eenpaar jaar later mee gaat samenwonen en misschien zelfs trouwt. Je gaatwerken, je verantwoordelijker gedragen; geen wilde drinkgelagen meer enzeker geen romantisch geflierefluit. Dan krijg je kinderen, die jeopvoedt in een harmonische gezinssituatie. Die gaan op een gegevenmoment op kamers, waarna je nog een decennium doorwerkt en toe bent aanje pensioen, waar je heel fatsoenlijk met je partner van gaat genieten,temidden van al je lieve kinderen en kleinkinderen.

Bovenstaand statische model is voor velen nog steeds het ideaal: hetleven begrepen als een aantal consecutieve, zich niet herhalende fases(of het moet dan in de dementie zijn, waarin je jammergenoeg dekindertijd zich herhaalt). Hoewel de tegenbewegingen van de jaren ’60en ’70 de aanval hebben geopend op regulerende instituties, zoals hethuwelijk, is vaak ook zonder dit huwelijk het statische ideaal min ofmeer blijven bestaan. Ook mensen die gaan samenwonen zien dat vaak alseen stap naar een leven met toenemende verantwoordelijkheid. Daarnaastvindt er een re-institutionalisering plaats van samenlevingsvormen dievroeger in het traditionele model niet geaccepteerd werden: zoals hethomohuwelijk. Hierbij worden nieuwe vormen opgenomen in een ouderwets,statisch fasenmodel.

Op zich zijn dat prachtige idealen. Wie zou dat niet willen, zo’ntransparant leven waarin het geluk voor het grijpen ligt? Waarin je deware tegenkomt op je 23ste en daar vervolgens de rest van je levengelukkig mee bent? Het nadeel van mooie idealen is echter dat ze eenstraf worden zodra je leven minder aan dat perfecte idee voldoet. Deidee dat je de boot gemist hebt als je op je 30ste nog niet die partnerhebt gevonden waarmee je kinderen wil krijgen. Of dat je het grandioosverpest hebt als je op je 50ste na twee scheidingen je weer op hetliefdespad moet begeven. Als dat je overkomt, is leven dan mislukt? Deidee van een statische opeenvolging van fasen kan enorme stressopleveren. Het is een loodzware last op je schouders als je vindt datje de ware nú moet vinden en het maar niet lukt.

Want echt realistisch is het niet. Het leven is voor de meestemensen geen opeenvolging van voorgedefinieerde stadia. Negen op deduizend getrouwde stellen gaat (in Nederland) elk jaar uit elkaar; datzijn 38.000 echtscheidingen. Nog nooit waren er zoveel singles als nu(2,6 miljoen). Steeds meer mensen komen terecht in een leven waarinseriële monogamie een rol speelt: je hebt meerdere partners gedurendeje bestaan afgewisseld met perioden van single-zijn. Daar komt bij datook de adolescentieperiode voor veel mensen steeds langer duurt, mensenhebben tot diep in de dertig vaak een ‘studentikoos’ leven, waarvanbijvoorbeeld nachtelijk uitgaan een belangrijk onderdeel uitmaakt. Hetis dus niet zo dat er een moment is, ergens tussen de 20 en de 30, datje ineens een serieus en verantwoordelijke plek in je leven moet gaaninnemen. In plaats daarvan wisselen perioden van ernst enverantwoordelijkheid en die van speelsheid, plezier en vrijheid elkaarje hele leven lang af.

Ik kan me nog herinneren dat mensen in mijn studententijd tegen mijzeiden: nu moet je echt genieten van je vrijheid. Nu kan het nog, dezeperiode komt nooit meer terug. In plaats daarvan had ik gedurende mijnstudententijd voor het grootste deel hele brave relaties en die duurdennog tot lang na die periode. Toen mijn laatste relatie op mijn 31stestuk liep, had ik even het gevoel zo snel mogelijk een nieuwe partnerte moeten vinden. Single zijn op je dertigste, dat paste nu helemaalniet in mijn ‘plaatje’. In plaats daarvan heb ik de afgelopen periodeeen enorme lol gehad. Het beviel me eigenlijk best, dat single-zijn. Ikbeleefde daarmee die periode die in het klassieke fasenmodel eigenlijkbedoeld was voor mijn studententijd, op het moment dat ik begin ’30was. Langzamerhand ging ik beseffen dat dit misschien wel mijn heleleven zo zal zijn: periodes van relaties en trouw en periodes vansingle-zijn en vrijheid. En dat daar helemaal niets mis mee is. Dat heteigenlijk wel fijn is zo, zonder de druk van de ideaalplaatjes.

Dat heeft ook invloed op het beeld dat we doorgaans hebben vanseksualiteit. Er bestaat een extreem idee van losbandigheid,seks-om-de-seks en puur losbandig gedrag. In het klassieke model hoortdat vooral bij een ‘jongere’ fase in het leven. En er bestaat ook eenbeeld van seks-uit-liefde, die alleen bij een vaste partner in eenmonogame relatie kan worden beleefd. Beide beelden zijn eenzijdig enonvolledig en zeker niet gekoppeld aan een bepaalde levensfase. Powerfeministenals Heleen van Royen en recentelijk Heleen Mees pleiten voor meervrouwelijke promiscuïteit, desnoods in het huwelijk, maar dan welvanuit een liefdevolle relatie. Veel singles hebben misschienregelmatig seks, maar dat hoeft niet ‘om de seks’ te zijn: het kan ookdeel uitmaken van de zoektocht naar een partner en het kan ook gepaardgaan met veel intimiteit. Kenmerk van het moderne leven is juist nietdat je moet kiezen tussen zwart of wit, maar dat verschillendelevenswijzen veel meer door elkaar heen vloeien en dat ieder op zijnlevensweg zijn eigen variatie maakt en daarbij rekening houdt met demensen om zich heen.

Natuurlijk, ik heb zelf geen kinderen en besef dat als ik die zouhebben, dat een heel ander effect zou hebben op mijnverantwoordelijkheidsgevoel. Kinderen scheppen verplichtingen en dat isook ook terecht. Maar dan nog leert de praktijk bij veel gezinnen datje prima kan scheiden en single-zijn, zonder je verantwoordelijkheidvoor kinderen te verliezen. We kennen natuurlijk allemaal het vaak doorconservatieven aangehaalde schrikbeeld van de hippie-moeder die zobezig is met haar eigen zelfontplooiing, dat ze haar kinderenverwaarloost. Maar volgens mij hoeft een ‘flexibele’ levensloop daarniet op uit te draaien. De kern van het samenleven in eengeïndividualiseerde samenleving is dat je constant een afweging moetmaken tussen je eigen belang en dat van anderen. Ex-gehuwden moetenleren  elkaar niet voor rotte vis uit te maken, maar onderlingregelingen treffen die zoveel mogelijk in het belang zijn van dekinderen. Een individu is meer dan een egoïstische consument. Hij ofzij is een moreel subject dat temidden van anderen voortdurendafwegingen moet maken, moet leren geven en nemen.

Verantwoordelijkheid en vrijheid of speelsheid zijn dan ook niet aanelkaar tegengesteld. Ze complementeren elkaar. Een moderne levenskunsthoudt in dat je steeds maar weer een balans zoekt tussen je eigenbelangen en die van de ander. Niets is vanzelfsprekend, maar ook nietsis uitgesloten. Het postmoderne cliché zegt dat we allemaal ‘nomaden’zijn geworden. Die metafoor zint me niet zo, omdat de kern van hetmoderne leven nu juist is dat we heel erg sedentair zijn. We wonen enleven elke dag tussen de mensen en worden tegelijkertijd uitgedaagd omindividu te zijn. In het boekje Liefde à la carte, van Malouvan Hintum en Jan Latten (waaruit ik overigens veel gegevens voor ditblogje geleend heb), wordt de metafoor gebruikt van eenevenwichtskunstenaar. Die bevalt me wel. Uiteindelijk zijn we allemaalkoorddansers. Alleen proberen we onze eigen koorden te spannen.

Het verlangen naar overgave

Tonight
I’m in the hands of fate
I hand myself
Over on a plate

Now

Oh little girl
There are times when I feel
I rather not be
The one behind the wheel

Depeche Mode

‘Behind the wheel’ heet het inmiddels al zo’n 20 jaar oude nummer van de band Depeche Mode waarin het verlangen van ik-figuur (waarschijnlijk een man) om zich volledig over te geven aan zijn ‘kleine meisje’ wordt bezongen. De romantische en sadomasochistische tekst beschrijft hoe deze man soms het gevoel heeft dat hij niet ‘de persoon achter het stuur wil zijn’. Die zin kan je op twee manieren interpreteren: je kunt hem verklaren als een omkering van de traditionele verhoudingen. Niet meer de man is dominant, maar de vrouw. Je kan de uitdrukking ‘achter het stuur’ echter ook anders lezen. Misschien verwijst de analogie van de ‘auto’ die bestuurd wordt wel niet naar de relatie tussen twee mensen, maar naar het zelf van de man, het eigen ‘voertuig’. Hij verlangt naar het opgeven van zijn ‘auto’nomie.

De Verlichting is er altijd op gericht geweest om mensen autonoom te maken. Ze allereerst te emanciperen van de onderwerping aan feodale, religieuze en bijgelovige denkbeelden. Later, in de meer links-radicale manifestaties van de Verlichting, ging het ook om de emancipatie van onderworpenheid aan kapitalistische, koloniale en patriarchale overheersing. De veronderstelling is altijd geweest dat mensen gelukkiger zijn als ze over zichzelf kunnen beschikken. Het ideaal is een individu dat zelf bepaalt hoe hij of zij zijn of haar leven inricht en in de gemaakte keuzes niet afhankelijk is van anderen. Dit individualisme is ook doorgedrongen in de wijze waarop we relaties met elkaar aangaan. Het ouderwetse huwelijkscontract waarin twee mensen elkaar beloften doen (en de vrouw zich in de klassieke zin ‘geeft’ aan de man) is uit de mode. Het huwelijk bestaat nog wel, maar is gezien het hoge aantal scheidingen eerder een leuk ritueel dan dat de gemaakte beloften ook serieus worden genomen.

Waar kom het verlangen uit het nummer van Depeche Mode dan vandaan? Is het domweg een perversiteit, een fetisj met machtsverhoudingen, die je niet helemaal serieus moet nemen? Je ziet deze verlangens echter op meer plekken terug. Een tijdje terug schreef Marian Slob in NRC Handelsblad een artikel over ‘foute fantasieën’. Zij doelde daarin op de fantasieën van vrouwen die je vooral terugziet in liefdesromannetjes uit de Bouquet-reeks. Deze handelen vaak over vrouwen die smachten naar aantrekkelijke, dominante mannen. Fantasieën die volgens Marian Slob ‘fout’ zijn omdat ze ouderwetse rolpatronen bevestigen en vrouwen dus in een onderdanige, afhankelijke positie houden ten opzichte van mannen. En dat is verkeerd, want afhankelijkheid is niet autonoom en maakt je dus niet gelukkig. Slob probeert daarom die fantasieën bij zichzelf te controleren en te beperken.

Slob heeft gelijk dat een afhankelijke houding in de maatschappij inderdaad onverstandig is. Vrouwen (of mannen) die zich zo opstellen en bijvoorbeeld financieel afhankelijk zijn van een partner, komen in een moeilijke situatie terecht zodra de relatie niet meer werkt. Na de scheiding hebben ze geen werkervaring opgebouwd, of sociale verzekeringen, pensioen, enz. Als ze ook nog kinderen hebben is de ramp compleet. En dat geldt niet alleen voor het huwelijk: in veel gevallen is afhankelijkheid een houding die maakt dat je je eigen levensgeluk teveel afhankelijk maakt van iets oncontroleerbaars dat buiten je staat. Je gedraagt je dan kinderlijk, onvolgroeid.

De linkse psychoanalyticus Erich Fromm noemde een relatie tussen twee mensen waarbij sprake is van afhankelijkheid een symbiotische relatie. Een symbiotische relatie heeft een masochistische (onderworpen) en een sadistische (overheersende) component. Beide onderdelen van de symbiose zijn echter niet autonoom: ‘De masochistische mens hoeft geen beslissingen te nemen, hij hoeft geen enkel risico te lopen; hij leeft in verbondenheid, is nooit alleen, maar hij is niet onafhankelijk, hij heeft geen integriteit, hij is nog niet ten volle geboren.’ Volgens Fromm was de symbiose een verkeerde manier van mensen om zich te verzoenen met de menselijke conditie. Hij spreekt ook van een ‘angst voor vrijheid’ of zelfs ‘vlucht van de vrijheid’ en ziet autoritaire regimes als die van nazi-Duitsland als een resultaat van het verlangen naar symbiose.

Interessant is ook op wat voor verschillende terreinen Fromm het masochisme allemaal terugziet: ‘Er bestaan vormen van van zich masochistisch overleveren aan het noodlot, aan ziekte, aan het stampende ritme van overdonderend luide muziek. In al deze gevallen geeft de mens zijn zelfstandig oordeel, zijn vrije wil, zijn geestkracht prijs en maakt zich tot instrument van iemand of iets buiten zichzelf. Hij hoeft het levensprobleem niet meer zelf op te lossen door het inzetten van zijn eigen creatieve vermogens.’ Voor Fromm is autonomie iets waar je je als mens dus op elk moment van bewust moet zijn. Elke vorm van overgave is verkeerd, of het nu een religieuze extase is of het je zelf volledig laten gaan tijdens een dansfeest. Steeds moeten we beheerst zijn en onze foute verlangens remmen. Want we worden alleen maar gelukkig als we voortdurend, altijd en overal, autonome individuen zijn. Toch?

Mij lijkt de ideale wereld van Fromm en Slob eigenlijk helemaal niet zo’n gelukkig paradijs. Hun denken is doordrongen van het maakbaarheidsgeloof van de Verlichting. Alsof elke vorm van overgave per definitie verraad is, regressie naar een voor-verlicht en kinderlijk stadium. Hun strenge moralisme doet mij koel aan. Het is immers heerlijk om jezelf af en toe helemaal over te geven, ook al is het aan een foute film of boekje, aan stampende dansmuziek of zelfs aan een ander mens. Het draagt bij aan je levensgenot om zo nu en dan je beheersing even op te geven. Belangrijk is alleen dat het niet ziekelijk wordt, dat je jezelf er niet permanent in verliest.

Er is denk ik wel een mogelijkheid om de tegenstelling tussen de noodzaak van autonomie aan de ene kant en het verlangen naar overgave aan de andere kant te overstijgen. Interessant is daarbij om te kijken naar de meest extreme vormen van overgave, namelijk in de vorm van een Dominant/submissive (BDSM) seksualiteit. Hierin wordt het seksuele spel door middel van afspraken ingekaderd. Beide deelnemers gaan akkoord met een soort van contract (soms zelfs op papier) waarin staat omschreven dat binnen een bepaalde periode de één zijn of haar autonomie volledig overdraagt aan de ander (overigens worden er ook ‘stopwoorden’ gedefinieerd waarmee het seksspel onmiddellijk onderbroken kan worden). Het gaat daarbij om het vrijwillig opgeven van de zelfstandigheid, met andere woorden een ‘autonome afhankelijkheid’ of een ‘overgave vanuit autonomie’. Je zet daarbij een kader om het seksspel heen, om het te onderscheiden van de rest van je ‘autonome’ leven. Een eiland van symbiose in een zee van autonomie. Juist door deze afspraken zo expliciet te benoemen voorkom je dat deze overgave uit de hand loopt en dat je je er niet in verliest, terwijl je toch een bepaalde kant van je persoonlijkheid laat genieten.

Die oplossing is eigenlijk zo vreemd nog niet. Onze overgestructureerde en op individualisme gebaseerde samenleving stimuleert regelmatig het tegenstrijdige verlangen om juist even uit de bekende rollen te stappen. Om bijvoorbeeld als supporter bij een voetbalwedstrijd één te worden met de massa, om mee te huilen bij de begrafenis van André Hazes of om je een avond eens flink te laten vollopen in de kroeg. Om al die sociale bezigheden zitten kaders, het zijn vormen van ‘theater’ gebonden aan een bepaalde afgesproken tijd, plaats en handeling. Op die manier perken we ze in in hun mogelijk minder positieve consequenties. Waarom zouden we dat niet kunnen doen met individuele verlangens, zelfs al zijn het ideeën over onderworpenheid in romantiek en seks? De kracht van het liberalisme is altijd het scheiden van zaken geweest: kerk en staat, privaat en publiek, markt en staat. Volgens mij is het mogelijk om ons autonome handelen te scheiden van ons verlangen naar overgave.

Het leven wordt veel prettiger en fijner als je jezelf zo nu en dan toestaat je over te geven aan pleziertjes. Ook al zijn die misschien tegenstrijdig aan je principes. Want in hoeverre is een mens zelfstandig als die zich altijd volledig ‘overgeeft’ aan de eigen principes? Ook dat is een vorm van masochisme die niet je hele leven moet gaan overheersen. Want af en toe even afstand doen van het ‘stuur’, betekent nog geen ‘stuurloosheid’. Het kan veel genot en geluk opleveren om even ‘passagier’ van ons eigen leven te zijn. En daar doen we het tenslotte allemaal voor. Om gelukkig te zijn.

De waarde van lust

Een tijdje terug schreef Waterland-collega Remko van Broekhoven een bijdrage aan het Waterlog-seksdebat,waarin hij zelfbeheersing aanbeveelt in seksuele kwesties. Ik reageerdedaar destijds heel fel op, maar besefte later dat mijn kritiekvooral betrekking had op de laatste zin, waarin Remko een aantal zakentegenover elkaar zet, die in mijn ogen eerder onderling overlappendzijn. Die zin lijkt te verwijzen naar meer conservatieve opvattingenover seksualiteit, en luidt: ‘Er is immers reden genoeg om de liefdewat vaker van de lust te redden, de vrijheid van de vrijblijvendheid,en het geluk van het genot.’ Zijn liefde en lust tegengesteld, isvrijheid nooit vrijblijvend en bestaat er geluk zonder genot?

Het moderne individualistische ethos wordt door commentatoren somsop misprijzende toon ‘hedonistisch’ genoemd. Hedonisme: voor velenkomen er bij dat woord beelden naar boven van rusteloze genotzoekers,mensen die de hele dag niets anders doen zich overgeven aanoppervlakkig plezier. Die zich storten in seks-orgieën of in schrans-en vreetpartijen en zich daarbij ook nog eens regelmatig een stuk in dekraag zuipen. Maar hedonisme is veel meer dan dat, hedonisme kent zijneigen ethiek. Eén van de pleitbezorgers van dit denken was de Grieksefilosoof Epicurus (341-270 v.C.). Het is bijzonder hoe up-to-date zijngedachtegoed in deze tijd nog is en volgens mij vormt het eenaanknopingspunt voor libertijns-links anno nu, in een tijd dat we weerom onze oren worden gegooid met deugden-met-een-hoofdletter zoalsMatigheid en Rechtvaardigheid door verbeten christenen en andersoortige zedeprekers.More...

Volgens Epicurus is de fysieke wereld waarin we leven één zonder vanhogerop bedachte ordening, zonder een structurerend hoger ‘iets’ enzonder enig doel. Er wandelen wel goden rond in die wereld vanEpicurus, maar die bestaan net als mensen gewoon uit materie en kunneneigenlijk weinig uitrichten voor onze individuele leventjes. Als wedoodgaan houden we op te bestaan en is het dus afgelopen, er is geenmooie hemel waarin we een harp kunnen bespelen op een wolk, en er zijnal helemaal geen 72 maagden. Nu: hoe moet je volgens deze filosoof nuleven in deze kille, materialistische wereld? Epicurus ging er vanuitdat als er iets is dat bij ieder mens hoort, het wel de lust is en datwe dat principe dus als uitgangspunt van ons handelen moeten nemen. Alsmensen moeten we streven naar zoveel mogelijk positieve lustgevoelensen zo weinig mogelijk pijn.

Tot zover lijkt zijn filosofie veel op het karikaturale beeld datvaak van hedonisten wordt gegeven. Maar de lust van Epicurus omvat nietalleen kortdurend genot maar ook een staat van langdurig gelukkig zijn.Soms hebben lustgevoelens namelijk onlustgevoelens tot gevolg die delust volledig overtreffen. Bijvoorbeeld in het geval van seksueelgenot: je zomaar aan iemand vergrijpen kan je relatie uiteindelijk meerleed opleveren dan goeds en tot onlust en pijn leiden. Andersom moet jesoms enige onlust verdragen om uiteindelijk tot optimale lust te komen.Bijvoorbeeld als je heel hard moet werken en afzien om uiteindelijkiets te bereiken waar je heel gelukkig mee bent. Deze gedachtegangwordt ook wel de ‘hedonistische calculus’ genoemd.

Daarbij gaf Epicurus wel een waarschuwing: veel behoeften zijnvolgens hem niet natuurlijk, maar ingebeeld. Het hebben van behoefte isin de ogen van Epicurus een vorm van onlust (er is namelijk een‘gemis’), dus als je steeds maar méér wil, maak je jezelf uiteindelijkalleen maar ongelukkig. De filosoof stuurt in plaats daarvan aan opzelfredzaamheid, door alleen die lusten en behoeften te kiezen, waarvande bevrediging binnen je eigen macht ligt. Hij zou daarom niet zotevreden zijn geweest over onze gestresste kapitalistischeconsumptiemaatschappij, waarin iedereen zich het schompes werkt voor debevrediging van allerlei niet-natuurlijke, ingebeelde behoeften. In datopzicht gaan zijn ideeën heel goed samen met die iemand als CarloPetrini van de Slow Food beweging, volgens wie het nemen van de tijdvoor dingen uiteindelijk leidt tot een groter genot.

Epicurusspreekt daarnaast ook over een vorm van sociale rechtvaardigheid. Defilosoof dacht daarbij aan een maatschappelijk contract datuiteindelijk iedereen in die maatschappij tot nut was. Je spreekt afelkaar zo min mogelijk te schaden in diens streven naar genot.Natuurlijk is een dergelijk sociaal contract voor eensociaal-individualist nog wat magertjes, want je wil mensen ook in staat stellen om het eigen genot na te streven. Dat laatste zou een goed uitgangspunt zijn voor een modern links hedonisme. 

Nu wil ik even terugkomen op de bovengenoemde opmerking van Remkoover de tegenstelling tussen liefde en lust. Vanuit het Epicurischehedonisme zou je kunnen beredeneren dat een liefdevolle relatie tussentwee (of meer?) mensen een keuze is van die twee personen voor eengrotere vorm van gezamenlijk beleefd genot. Dat betekent niet dat jebij elkaar wegrent voor elk mogelijk seksueel pleziertje, want datlevert op de lange termijn alleen maar onlust op. Alle grote waarden,zoals Trouw, Eerlijkheid, Respect, Liefde zijn in dat opzichtafgeleiden van dit genotprincipe. Daar komt bij dat het in warevriendschap volgens Epicurus zo is, dat twee individuen tenslotte éénworden. Dat betekent dat lust voor de één ook als lust wordt gevoelddoor de ander en andersom, dat pijn voor de één ook gevoeld wordt alspijn voor de ander.

In alle opzichten is het Epicurische hedonisme dus van belang voorhet moderne debat over seks, cultuur en relaties. Geven advertentiesmet mooie vrouwen daarop ons slechts een prettig gevoel vanwege deoogstrelende aanblik, of leveren ze juist (aan anderen) een ingebeeldebehoefte op om zo mooi te zijn, wat uiteindelijk leidt tot onlust(documentaire Beperkt Houdbaar)?Levert een Bouquet-romannetje een heerlijke roes van romantiek, ofhebben de erin opgeslagen waarden zodanig effect op je persoonlijkheiden de wijze waarop je je leven inricht dat je jezelf uiteindelijk meertekort doet (Marjan Slob)? Is pornografie een mooie en prikkelendeaanvulling op je seksleven, of probeer je een soort ersatz-erotiek meete bereiken omdat je relatie eigenlijk aan het doodbloeden is (Waterlog Seksdebat #8)?Is het tijd om je bestaande relatie maar weer eens op te doeken omdatdeze niet aan je behoeften voldoet, of jaag je juist ingebeeldebehoeften na en moet je je erbij neerleggen dat je soms wat extra indie relatie moet investeren om daar weer de optimale lust uit naarvoren te halen (boek Liefde à la Carte van Malou van Hintum en Jan Latten)?

Moderne individualisten, met hun lichte gemeenschappen enpersoonlijke keuzes, zijn in alle opzichten koorddansers:evenwichtskunstenaars. Het komt er uiteindelijk op neer om te zoekennaar de juiste balans en dat is en blijft een moeilijk karwei.Zelfbeheersing kan daarbij behulpzaam zijn, maar is bij lange na geendoel op zich. Sterker nog: het kan het behalen van het optimale genotook in de weg zitten. Door bijvoorbeeld te lang je eigen lusten teontkennen en soms teveel de oude deugden-met-een-hoofdletter voorrangte geven boven het enige principe waar uiteindelijk alles op neerkomt:dat van het optimale genieten.

Arme Hardwerkende Nederlanders. Gelukkig is er porno.

Poster_1

‘Verder is er op straat, op televisie en op internet van alles op seksueel gebied te beleven. Let maar eens op wat je allemaal aan seks tegenkomt in het straatbeeld. Den Haag noemt dat de pornoficatie van de samenleving, ik noem het een bron van inspiratie.’

Aldus seksuologe Eva Broomans in het laatste nummer van de Volkskrant Banen. Zij helpt mensen die geen zin meer hebben in seks. Haar cliënten hebben vaak langdurige relaties waar de sleur in is geslopen. Broomans vergelijkt ze met wat VVD-fractievoorzitter Mark Rutte Hardwerkende Nederlanders noemt.

Een bron van inspiratie. Ons straatbeeld als één grote erotische belofte. Loop door de stad, kijk goed om je heen naar al die reclameborden, komt hitsig thuis en bedrijf wild de liefde met je partner, dat lijkt het idee te zijn van Broomans. Ze gaat er vanuit dat erotiek en porno vooral supplementair zijn aan het seksleven.

Volgens mij klopt dat niet. Ik denk –al heb ik het vermoeden dat dat sterker voor mannen geldt dan voor vrouwen – dat pornografie in veel gevallen een compensatie is voor het gebrek aan een seksleven. Die Hardwerkende Nederlanders, die het grootste deel van hun tijd op pad zijn, hebben geen tijd of geen puf meer om aandacht aan een partner te geven. En die aandacht is noodzakelijk voor een bruisend seksleven. Maar wat wel snel en doeltreffend is (zoals alles in het snelle zakenleven snel, efficiënt en doeltreffend moet zijn) is porno. Downloaden. Plaatje kijken. Filmpje kijken. Muis in de linkerhand. Klaar is Kees.

Het is zichtbaar aan de aard van de meeste porno dat deze niet supplementair is, niet bedoeld om op te winden voor de daad, maar juist om te bevredigen. Ingezoomd op de bewegende geslachtsdelen. Het heeft vaart, komt gauw to-the-point. No nonsense. De Hardwerkende Nederlander heeft geen tijd voor teveel gedoe. De bedoeling was om klaar te komen. Libido weer onder controle.

Niet dat er wat mis is met masturbatie of masturbatie met behulp van pornografie. Maar ik geloof niet dat de pornoficatie van de samenleving uitgebluste stellen nu stimuleert om hun seksleven weer wat op te poken. Eerder geloof ik dat die pornoficatie ontstaat omdat er te weinig wordt geneukt en teveel wordt gewerkt.

Sommige reclameposters zijn ware Freudiaanse bespottingen. Een hoerige dame symboliseert dat de consument eigenlijk seks wil. Wat hij of zij krijgt is het zoveelste nutteloze product. Een eeuw na Freud worden we elke dag aangemoedigd tot sublimatie van ons libido, deze om te zetten in koopgedrag. En telkens weer beseffen we dat dat een onmogelijke opdracht is. De sekslust blijft.

Daar komt bij dat de geseksualiseerde afbeeldingen in de openbare ruimte een voor de massa gestandaardiseerd soort erotiek aanbieden, die van elke authentiek karakter ontdaan is. Moeten we daar nu opgewonden van raken? Blijkbaar. En snel ook.

In zijn nieuwe boek De infantiele consument. Hoe de markt kinderen bederft, volwassenen klein houdt en burgers vertrapt beschrijft de Amerikaanse denker Benjamin Barber hoe het kapitalisme in de moderne Westerse wereld niet langer vaart op het Weberiaanse protestantse ethos, maar deze heeft verruilt voor een infantiele versie daarvan. Omdat onze economieën koortsachtig moeten blijven groeien, ontstaat er overproductie. In de Derde Wereld bestaat een enorme reële behoefte aan goederen, maar deze mensen bezitten te weinig, er valt daar niets te halen. In plaats daarvan worden er miljarden geïnvesteerd in marketing om mensen die alles al hebben, te laten denken dat ze nog meer nodig hebben. Geen werkelijke behoeften, maar, om met Marx te spreken, denkbeeldige behoeften. Voortdurend probeert de reclamewereld ons wijs te maken dat we van alles nodig hebben om gelukkig te zijn. We besteden er zelfs de tijd dat we niet werken aan: shoppen is een normale vrijetijdsbesteding geworden. We gaan in onze zogenaamde vrije tijd gewoon door met werken, want dat is wat de markt wil.

Ik denk dat dit nog verder gaat dan Barber zegt. Ik denk dat we zelfs een gedeelte van onze werkelijke behoeften zijn gaan inruilen voor denkbeeldige behoeften. De behoefte aan rust en ontspanning bijvoorbeeld. De behoefte aan aandacht voor onszelf en voor de mensen om ons heen, binnen de gemeenschappen waarin we leven. En ook de behoefte aan warme, langdurige, intens-zinderende seksualiteit. Er is niets mis met een snelle wip of een snelle ruk. Maar het lijkt alsof de markt seks altijd terugbrengt tot dat korte moment. Seks is patat geworden.

Maar het moderne kapitalisme heeft ook daarvoor weer een oplossing bedacht. Elk tekort is namelijk weer een potentiële markt. Als we een burnout krijgen van ons werk dan zijn er psychologen en anti-depressiva om ons weer productief te krijgen. Als ons seksleven op dezelfde manier inzakt dan is daarvoor de beroepsgroep van de seksuologen gecreëerd. We houden elkaar wel bezig in deze inspirerende wereld. Misschien moet de Hardwerkende Nederlander van Mark Rutte wel helemaal niet naar de seksuoloog. Misschien moet hij of zij gewoon eens wat minder hard werken.

De welvaart werkt in onze huidige samenleving zo corrumperend dat het welzijn er bij inschiet. Dat is ook de boodschap van geluksprofessoren als Layard. We hebben het allemaal maar druk met produceren met ons allen en vergeten een deel van onze werkelijke behoeften. Nergens wordt dat zo duidelijk als in de verplatting en de fantasieloosheid van de meeste porno en de wijze waarop die in zoveel moderne cultuuruitingen doordruppelt. In een variatie op de gevleugelde uitspraak ‘Wat je zegt ben jezelf’ zou je hier het volgende over kunnen zeggen ‘Wat je opwindt, waar je geil van wordt, dat ben jezelf’. Porno is de lelijke en soms absurde lachspiegel van onze samenleving. Ik geloof dat we dat spiegelbeeld kunnen veranderen. Mooier, authentieker kunnen maken. Maar daarvoor moeten we bij onszelf beginnen.

Geen compromissen: vos looft egel

 

hedgehogfoxEen mooi stuk van Ian Buruma, afgelopen donderdag in het NRC.De nederlands-Amerikaanse intellectueel betoogde in zijn artikel met detitel ‘Geloof geeft de morele kracht bij het trotseren van dictaturen’dat geloof (en daaronder schaarde hij ook seculiere vormen van geloof,zoals het communisme) mensen beter in staat stelt om zich te verzettentegen onderdrukking, dan dat seculiere liberalen dat kunnen.

‘Liberalen zijn het hardst nodig wanneer er compromissen moetenworden gesloten; maar tegenover grof geweld heb je niet zoveel aan hen.In zulke omstandigheden nemen visionairen, romantici en gelovigen, doorhun overtuiging gedreven, risico’s die de meesten van ons nietaandurven’

Prachtig geschreven en helemaal mee eens. Toch betekent dit artikeleen interessante wending in zijn gedachtegoed sinds hij samen metAvishai Marghalit het boek Occidentalism. The west in the eyes of its enemies schreef. In dat boek definiëren de schrijvers een bepaalde stroming binnen het denken die zij occidentalisme noemden. Occidentalismezou je kunnen omschrijven als een karikatuur van de Westersemoderniteit. Het is de idee dat de westerse, moderne manier van leven,met zijn kapitalisme, zijn grote industriële steden, zijn seksuelelosbandigheid, zijn materialisme, oppervlakkigheid en decadentie, inessentie verwerpelijk is. Het is de ideologie van de Duitse romantici,van de Japanse nationalisten, de nationaal-socialisten en de modernefundamentalistische jihadisten dat dit beeld van de occident, die zegelijk stellen met de gehele westerse wereld, vernietigd moet worden.

Een spannende analyse van hoe ideeën een wereldbeeld kunnenperverteren. Buruma en Margalit leggen haarfijn een vinger op hetgevaar van het hebben van een gesloten wereldbeeld, op de wijze waaropoccidentalistische vooroordelen zo ontmenselijkend kunnen werken, datmen in staat is tot de meest gruwelijke vormen van geweld.

Ondanks de redelijkheid van dit boek heeft me een aantal dingen toch nooit helemaal lekker gezeten. Netals veel andere auteurs in het spoor van de Britse denker Isaiah Berlinkrijgen de Romantici me iets teveel de schuld van al het leed op dezeaardbol. Alsof de gevoelsmatige idee dat er iets niet helemaal kloptaan deze wereld waarin we dag-in-dag-uit met de meest platte commerciegeconfronteerd worden en de wil om daar iets aan te doen altijd slechtis. Alsof de kneedbare, rekbare identiteit van de liberaal altijdsympathieker is dan een iets meer geprofileerde en een scherpereovertuiging. Alsof een optimistisch geloof altijd onderdoet voor debrave, degelijke, compromis-zoekende, beheerste en altijd genuanceerdeliberale prudentie.

En nu geeft Ian Buruma zelf aan waar de beperkingen zitten van zijneigen tegenstelling. ‘Gelovigen’ kunnen zich veel overtuigder verzettentegen dictaturen dan de mannen en vrouwen van het liberale midden. Zekunnen dan misschien beter niet regeren: zonder hen is het verzet tegenonderdrukking beperkt. Isaiah Berlin sprak over de egel en de vos.De egel is hier de gelovige, die kent één truc, terwijl de vos meerderetrucs kent om ergens te komen: de liberaal. Maar in een omgeving vantotale onderdrukking zijn de stekels van de egel waarschijnlijkwaardevoller dan alle listen van de vos. Door zijn stekels is de egelin staat om op grond van een eigen ethiek beslissingen te maken, eenethiek die (voor hem) boven de ethiek van de omgeving uitstijgt. Geencompromissen mogelijk.

Ik moest aan Lyndie England denken. De militair die betrokken wasbij het Abu Ghraib schandaal in Irak. Haar antwoord op de vraag waaromze eigenlijk mee had gedaan aan het martelen en vernederen vangevangenen was: ‘because everyone was doing it’. Het antwoord van eenvos. Een domme vos, zeker, maar wel een vos. Een egel zal altijd eerstbij de eigen overtuigingen te rade gaan. Geen compromissen.

Maar de protesterende monniken in Birma waren egels! Of het nu hungeloof was of een ander soort overtuiging: ze gaven geen krimp. De moedom je als minderheid te verzetten tegen de status quo, zodanig dat jeer met je eigen leven bij in kan schieten, dát is de moed van een egel.Geen compromissen.

Maar niet alleen in een dictatuur hebben de romantici, devisionairen en de gelovigen hun nut. Ook in een democratie zijn zijnoodzakelijk voor het debat. Liberalen zijn belangrijk voor destabiliteit en rust van een natie, maar hebben een notoire slappe rug.Zoals de kikker die je kan koken door het water langzaam warmer temaken (als je de kikker in één keer in kokend water gooit, spring hijeruit) zo zijn liberalen in hun relativering en compromisbereidheid ookin staat om zeer kwalijke ontwikkelingen uit het oog te verliezen:zaken als de vercommercialisering, verplatting en infantilisering vande maatschappij, evenals de langzame vernietiging van het milieu en hetbroeikaseffect worden door hen gauw goedgepraat (‘het zal zo’n vaartniet lopen’, ‘het valt allemaal wel mee’). Het zijn socialisten,romantici, visionairen en christenen die daarop wijzen en dankzij hunrelatief gesloten wereldbeeld alarm slaan.

Ian Buruma slaat dus de spijker op zijn kop, al zou ik nog eenstapje verder willen gaan. Een zeker radicalisme en zelfs het hebbenvan een relatief gesloten wereldbeeld is niet alleen maar slecht(hoewel het zeker gevaarlijk kan zijn en deze mensen beter niet kunnenregeren). Als deze mensen, deze buitenbeentjes, er niet zijn, worden weallemaal langzaam als kikkers gekookt.

Een pornografisch universum

The pornographic universe: celebration or extinction of desire: dat was de titel van het debat van het Studium Generale van de Erasmus universiteit Rotterdam waar ik gisteren aanwezig was om een column voor te lezen.

Het debat werd gehouden ter ere van de tentoonstelling Bodypoliticx in het centrum Witte de With. Een tentoonstelling, opgezet door curator Florian Waldfogel, met beeldende kunst die iets deed met het onderwerp ‘pornografie’. Dat laatste betekende niet specifiek prikkelende kunst, al zaten er afbeeldingen bij die dat effect konden hebben. Het was vooral kunst die een statement maakte over pornografie. Mensen (mijzelf incluis) dwaalden langs de verschillende afbeeldingen met een museumblik. Wat is een museumblik? Het is de geïnteresseerde blik van de voorbijganger. De interesse die het bekekene tot bekeken maakt, objectiveert, de blik die een muur zet tussen het tentoongestelde en het zelf. De blik die niet deelneemt. Kijkt. Pornografische afbeeldingen: u hangt daar maar prikkelend te zijn, ik doe niet mee, ik ben museumbezoeker. Ik ben er eigenlijk niet, ik kijk toe.

Iets dergelijks wilde filosoof Rob van Gerwen, één van de andere sprekers tijdens het debat geloof ik vertellen. Pornografie wordt onschadelijk gemaakt in het museum. In zijn ogen de oplossing voor de pornoficatie van de samenleving. Curator Florian Waldfogel had een ander verhaal. Tijdens het opstellen van de tentoonstelling had hij zoveel porno gezien dat hij er immuun voor was geworden, zei hij. Hij vond porno saai. Dat was dan ook de oplossing voor de pornoficatie van de samenleving: ons laten overspoelen door pornografische beelden. Dan zou het ons allemaal gaan vervelen. Waarop ik me onmiddellijk afvroeg: is dat niet al het geval?

Filosoof Jos de Mul thematiseerde pornografie en geweld. Dat deed hij door een lange reeks plaatjes te laten zien van zowel geweld (moorden, lynchings) als porno (billboards, sm enz). Hij deed dit aan de hand van het begrip ‘subliem’. Iets dat subliem is kan tegelijkertijd mooi en aantrekkelijk zijn als dat het angstaanjagend en afstotend is. Ik moet eerlijk zijn dat ik in het geweld van zijn diashow zijn pointe enigszins gemist heb, maar volgens mij kwam het erop neer dat we ons er min of meer bij neer moesten leggen dat seksualiteit en geweld op die manier in kunst en media gethematiseerd zouden worden.

En dan was er de Rotterdamse schrijfster Judith Visser. Zij was niet zo negatief over de pornoficatie in media en cultuur. In haar ogen was het vooral de taak van de ouders om hun kinderen zo op te voeden, dat ze zichzelf niet zouden vernederen. Voor elk meisje is haar moeder het beste rolmodel, was haar enigszins naïeve conclusie.

Al met al werd de discussie niet echt concreet en had van mij wel iets politieker mogen zijn. Ik heb een deel van de tijd gediscussieerd met Rob van Gerwen over een onderscheid dat hij maakte tussen woord en beeld. Volgens hem waren beelden altijd schokkender en reëler dan woorden. Als hij sprak over pornografie dan ging het vooral over beeld. Ik wierp tegen dat een boek als Brett Easton Ellis’ American Psycho toch ook wel degelijk een schokkend boek was. Volgens hen was een foto schokkender omdat die een soort van bewijs was dat het afgebeelde werkelijk was gebeurd. Mijn tegenwerping was dat als je ‘waargebeurd’ bovenaan je tekst zet, je hetzelfde effect bereikt als met een foto (die – bedacht ik me later – best gephotoshopt kan zijn en dus juist geen werkelijkheid weergeeft!). Dat soort discussies dus. Ik miste de politieke lading.

Veel interessanter waren de gesprekken die ik na afloop met bezoekers van het debat voerde. Een meneer vertelde iets heel boeiends over de geschiedenis van de reclame en het moment dat reclamemakers besloten – geinspireerd door Freud – om een commerciële boodschap met seksuele prikkels te vermengen. Mocht die meneer dit lezen, dan zou ik graag een mail van hem ontvangen: zeer interessante feitelijke informatie! Ik kreeg ook leuke reacties van mensen op mijn column, die zaterdag in het katern Letter&Geest van de Trouw zal verschijnen. Hopelijk breng ik iets aan het rollen! In ieder geval zal de in het pamflet naar voren gebrachte redenering worden verwerkt in het pamflet over pornoficatie dat ik samen met Brechtje Paardekooper voor Waterland ga schrijven. We zijn nog niet klaar met het onderwerp!