Tomtomloze beroepstrots

Het is alweer een poosje geleden dat ik ergens de taxi moest nemen – ik geloof in Leiden – en dat de taxi-chauffeur niet wist waar hij heen moest. Het probleem bleek te zijn dat hij zijn TomTom in de auto van een collega had laten liggen. We moesten samen met de kaart uitvogelen waar we heen moesten en dat terwijl ik haast had. Je verwacht toch van een taxi-chauffeur dat hij zijn omgeving op zijn duimpje kent?

Fout dus. De taxi-chauffeur die alle straten in zijn stad uit zijn hoofd kent, die de kleine uitvalweggetjes kan dromen, die met je meedenkt en die je een tip kan geven voor een goede kroeg of restaurant is met uitsterven bedreigt. Hij is net zo schaars als de telefonische helpdeskmedewerker die weet waar hij of zij het over heeft of de caissière die weet welke producten de supermarkt verkoopt. Het zijn allemaal mensen die heel goed één ding kunnen, ondersteund door gestandaardiseerde werkprocessen en ondersteunende technologie. Geen duizendpoten zoals vakmensen, winkeliers, reparateurs, kleine middenstanders met een eigen zaak. Mensen die al jaren ervaring hebben in een specifiek vak en die hun werk zichtbaar met liefde doen.

De Amerikaan Matthew B. Crawford schreef een boek over die klasse van kleine ondernemers: Shop class as soulcraft. An inquiry into the value of work. Hij bekritiseert het onderscheid dat veelal gemaakt wordt tussen hoofd- en handarbeid. Jarenlang werden jongeren gestimuleerd om toch maar zo lang mogelijk door te leren want de toekomst – en het beste salaris – lagen bij de hoofdarbeid. Handarbeid betekende namelijk klaargestoomd worden voor de lopende band. Echter, volgens Crawford is het zo langzamerhand niet alleen meer de handarbeid die lijdt onder de toenemende rationalisatie van arbeidsprocessen. Ook veel hoofdarbeid wordt tegenwoordig uitgevoerd in grote, fabrieksmatige onpersoonlijke ruimten waar mensen in kleine cubicles voortdurende repetitieve handelingen uitvoeren op basis van in detail beschreven werkprocessen.

Crawford verwijst onder meer naar Richard Sennett, de Amerikaanse socioloog die in een aantal boeken verwees naar de teloorgang van vakmanschap. Vakmanschap bereik je wanneer je werk goed wil doen, omwille van het werk zelf. Het vereist vaak een grote kundigheid en achtergrond en je moet er een inspanning voor verrichten. Het uitvoeren van het werk geeft je een goed gevoel, je wordt beloond voor je inspanningen. Denk aan het gevoel dat je krijgt als je een maaltijd bereidt met echte ingrediënten die enige bewerking vereisen, in plaats van het bereiden van een maaltijd uit een pakje met voorverpakte en gesneden groenten.

Ook versterkt vakkundige arbeid je identiteit. Doordat je je jarenlang in iets gespecialiseerd hebt kun je het goed en ontleen je daar eigenwaarde aan. De taxichauffeur die al jarenlang rondrijdt en die elk uitvalsweggetje kent voelt zich uniek en is trots op zijn baan. De taxichauffeur die zonder enige kennis behalve een rijbewijs rondrijdt op basis van zijn TomTom voert gewoon handelingen uit om geld te verdienen. Het zal hem echter weinig meer dan geld opleveren: wat voor eigenwaarde krijg je nu van zo’n volstrekt inwisselbare baan?

Het is die inwisselbaarheid, met een eufemisme flexibiliteit genoemd, die een schaduw werpt over veel economische sectoren vandaag de dag. Dat heeft deels te maken met het feit dat voor inwisselbare banen vaak lagere skill-levels noodzakelijk zijn: de taxichauffeur heeft – bij wijze van spreken – aan zijn rijbewijs genoeg. Dat betekent dat de arbeid goedkoper wordt. Ook kunnen hele sectoren naar het buitenland verdwijnen: denk aan de callcenters die massaal worden ge-outsourced naar opkomende economieën als die van India. Maar naast die baanzekerheid heeft deze flexibilisering een negatieve invloed op  het inherente plezier dat mensen aan hun baan beleven en de beroepstrots die ze eraan ontlenen.

Karl Marx maakte destijds een onderscheid tussen concrete en abstracte arbeid. Concrete arbeid is het werk dat geworteld is in een bepaalde context, werk dat niet te scheiden is van de persoon die het doet in zijn specifieke omgeving. Abstracte arbeid daarentegen is gestandaardiseerd in werkprocessen en gekwantificeerd in onpersoonlijke eenheden als manuren. Zodra arbeid geabstraheerd is, zijn minder kundige en dus goedkopere arbeiders nodig en worden die arbeiders ook volstrekt inwisselbaar. Hoe abstracter het werk, hoe minder mensen een verbinding met het product voelen en hoe meer ze dus vervreemd raken van wat ze maken. En omdat datgene wat je doet belangrijk is voor je identiteit, raken mensen ook vervreemd van zichzelf.

Vooralsnog zijn er nog sectoren van de economie die ontkomen aan het regime van toenemende abstractie. Crawford roept mensen op die de behoefte voelen om handarbeid te verrichten vooral op dat te doen, teveel ‘hoogopgeleid’ werk is tegenwoordig bijna even eentonig geworden als lopende band-werk, bovendien zullen goede loodgieters of fietsenmakers voorlopig nog wel even nodig zijn. Maar de groeiende abstrahering van  zelfs de klassieke witteboorden-arbeid en het afnemen van beroepstrots onder invloed van toenemende flexibilisering en globalisering is een te belangrijke ontwikkeling om te negeren. Het verklaart volgens mij een groot deel van het moderne ‘onbehagen’ en het verlangen naar bijvoorbeeld een heldere nationale identiteit. Als je werk steeds minder bijdraagt aan je eigen identiteit, dan ga je dat in andere dingen zoeken.

Advertenties

Bavaria, Coke Zero en Axe: mannelijke revanche met een knipoog

‘Revanche!’ dat wil de moderne man als je de marketeers mag geloven. Een paar jaar geleden kwam Bavaria met een reclamespot waarin mannen zich bevrijdden van het juk van de vrouw. Zij trokken de beschaafde kleren van hun lijf, lieten hun baard staan, aten rauw vlees en trokken op naar de kroeg. Dit idee van de man die gefeminiseerd is, onder de plak zit bij de vrouw en weer ‘man’ wordt, komt in de media op verschillende manieren terug. Zo was er vorig jaar de Coke Zero reclame met de man die zijn ex-vriendin de loef afsteekt met een nieuwe (gewillige) vrouw. Dit jaar wordt die reclame opgevolgd door een nieuwe, waarin ditmaal de man de relatie met zijn ex afbreekt met de opmerking dat er ‘nog zoveel andere vrouwen zijn’ (die hem vervolgens van alle kanten bespringen). De ex vindt het allemaal prima: hij moet maar langs moet als hij zin heeft in plezier. Subtekst: as it should be.

As it should be. Een leven zoals ‘echte’ mannen het in hun stoutste dromen voor zich zien. Het is natuurlijk een karikatuur van de man. Het oppermachtige, succesvolle alfa-mannetje, die vooral denkt aan vrouwen en seks en plezier maken. Intimiteit in een relatie is voor hem niet zo belangrijk, hij is als James Bond die het tijdens elke film weer met een andere Bond-girl doet. De mythe van de stoere, dominante, ongebonden man blijft aanspreken. Maar doordat de commercial het verhaal typeert als een mannenfantasie, zit er ook een knipoog in. Dit is niet de echte wereld, maar het mannenfantasieparadijs, het Disneyworld van het testosteronneske verlangen.

Een bijna vergeten Franse psychoanalyticus beweerde ooit dat ons verlangen nooit van onszelf is: wij leren van onze omgeving hoe wij moeten verlangen. Onze dromen en wensen zijn de onze niet, ze worden vóór ons gemaakt. Wij lenen ze van onze ouders en onze omgeving. En in die omgeving heerst momenteel een bepaald dominant ‘vertoog’ over in dit geval mannelijkheid. Dat komt erop neer dat in heel veel teksten, beelden en andere media-uitingen voortdurend een bepaald manbeeld terugkomt, zodat het langzamerhand ‘common sense’ wordt. We nemen aan dat het ‘waar’ is, omdat iedereen het zegt. Dit vertoog over mannelijkheid wordt tegenwoordig steeds meer op Darwin geïnspireerd.

Volgens Darwins evolutietheorie zijn planten, dieren en mensen ontstaan doordat ze zich via natuurlijke selectie in miljoenen jaren aan hun omgeving hebben aangepast. Aangezien evolutie heel langzaam gaat, kan het echter zijn dat als een omgeving snel verandert, de diersoort zich minder in die omgeving thuisvoelt. Neem nu de mens. Ontstond miljoenen jaren terug in de Savanne, maar heeft zich in enkele duizenden jaren tijd opgewerkt van het bestaan van jagers en verzamelaars naar een moderne technologische beschaving. Hadden in de oertijd mannen en vrouwen een duidelijke functie, uitgeselecteerd door de evolutie, nu is die functie vooral voor mannen vervlogen. Vrouwen zijn niet langer van hen afhankelijk voor voedsel en bescherming. Zelfs voor de voortplanting is de man niet echt meer nodig en is een kwakje zaad genoeg. De man heeft geen functie meer. Daar komt nog bij, volgens sommige theoretici, dat er voor jonge mannen geen adolescentie-ritueel meer bestaat (denk aan Indianen die met hun tepels aan een paal omhoog getrokken worden en meer van dat soort fijne dingen). Dat betekent dat mannen nooit volwassen worden, het blijven ‘jochies’.

Volgens deze heersende theorie is de moderne man dus in zijn diepste kern een nogal puberale oermens. Eigenlijk wil hij met zoveel mogelijk vrouwen naar bed (zijn zaad maximaal verspreiden om zoveel mogelijk nakomelingen te verwekken). Om in die positie te komen moet hij zich keer op keer weer bewijzen als alfa-mannetje. Dat doet hij door op te scheppen en zijn spierballen te laten zien. Hij is competitief omdat hij beter moet zijn dan andere mannen. Voorts is hij van binnen uiteindelijk een agressief oerwezen dat ervoor gemaakt is om de hele dag met een speer achter bizons aan te hollen. De visie is uiterst puberaal van karakter: dit manbeeld is niet die van de beschermende, verantwoordelijke vaderfiguur, maar van de puber die wil scoren.

Naast de Bavaria en de Coke Zero-commercials zie je dat terug in de campagnes van Axe. Het deodorantmerk is recentelijk begonnen met een campagne die rechtstreeks teruggrijpt op een gefantaseerd beeld van de oertijd. In de spotjes zie je gedigitaliseerde kleipoppetjes waarin de mannetjes tegenover de vrouwtjes hun oerkracht bewijzen. Axe is ook begonnen met een virale internetcampagne op Hyves waarmee je een ‘gadget’ kan plaatsen om tegen je vrienden te ‘brullen’ en daarmee je mannelijkheid te bewijzen. Daarvoor mag je een passende omgeving kiezen: zoals een grot, de jungle of de toendra. Mannen worden gestimuleerd om terug te gaan tot hun ware mannelijke aard (en die ligt volgens de moderne Darwinistische opvattingen natuurlijk verborgen in de oertijd), maar alles met een enorme knipoog. De moderne mythe-vorming over mannelijkheid wordt uitgebuit, maar met een flinke dosis zelfspot.

Zelfspot en mannelijkheid: dat is een nieuwe combinatie. Immers: als er iets is waar niet mee te spotten valt, dan is het wel met mannelijkheid. Alle overgeleverde beelden van mannelijkheid uit het verleden zijn eigenlijk vrij van enige humoristische zelfreflectie. De cowboys uit de westerns van de jaren vijftig, James Bond of testosteron-helden als Bruce Willis en Sylvester Stallone: sommigen van hen maakten grappen, maar nooit over dat ene gevoelige punt: hun eigen masculiene aard. Misschien is dat wel typerend voor het moderne manbeeld. Hij is wellicht niet minder macho dan twintig jaar terug, maar doet dat wel met zelfspot. Een revanche met een knipoog.

De wraak van de man

Er is iets aan de hand met de moderne man. Hij is boos. Hij is gekrenkt. Althans, dat is een boodschap die steeds sterker door reclame naar buiten wordt gebracht. Neem nu coca cola zero. Deze light-variant van de frisdrank is in de markt gezet specifiek voor de mannelijke doelgroep. Had coca cola light een feminien imago: zero is voor kerels. En wat hebben de marketeers van de multinational bedacht om die mannen te bereiken? Ze raken hem op zijn zwakke plek: zijn krenking, zijn frustratie en –jawel- zijn wraakzuchtige almachtsfantasieën.   

Het thema van de campagne van Zero is ‘Break up as it should be’. Vorig jaar was daar een bijzonder spotje over op tv: een man (blank, casual gekleed met capuchonnetje, aangekondigd als ‘our hero’) loopt wezenloos door een supermarkt en komt daar zijn ex (brunette) met haar nieuwe vriend (buitenlands uiterlijk, leren jekkie, arrogante blik) tegen. Er lijkt  zich een vernederend gesprek te ontspinnen. ‘How have you been?’ vraagt de ex. Vervolgens neemt de held een slok coca cola zero en zijn wraakfantasie wordt werkelijkheid. Plotseling komt namelijk een blonde, seksueel uitdagende vamp op hem toegelopen en vraagt hem of hij slagroom of chocoladesaus wil. Je ziet even een flits van haar naakte lichaam onder de slagroom en de chocoladesaus waarop de held aangeeft beide te willen. Vervolgens wordt hij samen met zijn blonde furie opgehaald door een helicopter en laat hij daarmee zijn ex en zijn rivaal verbijsterd achter. Terwijl hij opgetakeld wordt roept hij nog het juiste antwoord op de vernederende vraag van zijn ex: ‘you know me, I’ll manage’.

Bovenstaande reclame bevat een individuele, voor veel mannen herkenbare boodschap over een gekwetst ego na door een vrouw gedumpt te zijn. Zij verkiest een andere man boven de held (‘de hoer, de slet, de snol’) en dat doet pijn en dat leidt tot frustratie. Er is een ego gekrenkt en daar moet genoegdoening voor komen. Het alfa-mannetje moet zich revancheren, er moet bewezen worden dat hij eigenlijk veel leuker, aantrekkelijker, boeiender, stoerder is dan die ander (‘sukkel, droplul, randmongool’). Daartoe moeten de aantrekkelijke vrouwen eigenlijk aan zijn voeten liggen. De boodschap richting de ex is duidelijk: ‘mijn nieuwe vriendin is veel mooier en seksueel gewilliger dan jij ooit was, dus rot lekker op met je sukkel, ik hoef je niet meer. Ook zonder jou ben ik the man.’

Is een dergelijke wraakfantasie nu typisch mannelijk of volstrekt symmetrisch ook op vrouwen toe te passen? Daartoe kunnen we de clip vergelijken met het liedje en de videoclip van ‘Smile’ van Lily Allen. Eigenlijk gebeurt hier hetzelfde, alleen wordt hier de vrouw door de man gedumpt voor een ander. Ook hier is een ego gekrenkt. Maar de revanche bij Lily Allen is veel harder dan in de coca cola zero-reclame. In plaats van dat ze zichzelf moet bewijzen door met een stoerdere man er vandoor te gaan is haar focus veel wraakzuchtiger: de ex moet lijden. Ze zingt dat het haar aan het lachen brengt om hem te zien janken en dat doet ze in de clip op allerlei manipulatieve manieren: zo laat ze hem door andere mannen in elkaar slaan, laat ze zijn huis overhoop halen, zijn platen bekrassen (hij is dj) en gooit ze laxeermiddel in zijn koffie. Waar bij Coca Cola Zero de man zijn mannelijkheid moet bewijzen voor het aanzicht van de rest van de wereld, daar blijft de wraak van Lily Allen die tussen twee mensen. De Zero-hero wil zijn gekwetste ego herstellen, Lily Allen wil haar ex vooral laten voelen hoeveel pijn hij haar heeft aangedaan.

Het is interessant om te zien hoe sterk het idee van ‘wraak’ daarmee typerend is voor een mannelijk of vrouwelijk perspectief. Het is vreemd genoeg moeilijk om voor te stellen dat een man over zou gaan op de wrede spelletjes van Lily Allen (dat zou hem simpelweg alleen maar minder ‘mannelijk’ maken) en andersom zou het redelijk futiel overkomen als Lily Allen er met een stoere bink vandoor zou gaan (omdat voor vrouwen het veroveren van een kerel op de een of andere manier minder met het ego te maken heeft: in de ogen van haar vriendinnen zal haar ster er niet door stijgen). Een en ander zegt wel iets over de nog altijd klassieke genderrollen die we aannemen in onze samenleving, waarin de man vooral actief is en verovert en de vrouw passief is en zich wel of niet láát veroveren. Waarin voor de man het ego en de uitstraling naar de buitenwereld belangrijk is en voor de vrouw de relatie, de emoties en de binnenwereld.

Maar waarom probeert Coke Zero nu mannen tot cola te verleiden via iets gevoeligs als diens krenking? Mijn vermoeden is dat die krenking op een ander niveau ligt dan alleen het individuele. ‘De man’ wordt ook verondersteld gekrenkt te zijn door de toenemende emancipatie en de ‘feminisering van de maatschappij’.  Steeds meer vrouwen in topfuncties, steeds meer vrouwen die zelfstandig hun eigen ding doen. Is dat niet de diepste kwetsing van de man en vlucht hij daardoor niet steeds meer in zijn fantasiewereld van gewillige vrouwen (porno)? Of zou het de toestroom zijn van ‘vreemde’ mannelijkheid, van bijvoorbeeld Noord-Afrikaanse mannen naar Nederland, met hun ouderwetse maar meer gestileerde machismo, die door de westerse blanke man als een bedreiging worden gezien? Het is wel typerend dat de ‘nieuwe vriend’ van de ex in de coke zero-commercial toevallig een buitenlands uiterlijk heeft.

Mannelijkheid krijgt daarbij iets krampachtigs, iets gefrustreerds. ‘Life as it should be’ zegt een voice-over in de reclame van Coke Zero. Met andere woorden, het leven is nu niet goed genoeg voor mannen, ze moeten vluchten in een fantasiewereld. Dat is een van de manieren waarop mannelijkheid op dit moment in de reclame wordt neergezet. Daarnaast is er ook nog een andere verbeelding van mannelijkheid in de reclamewereld, dat is die van de masculiene zelfspot, de brulaap met een knipoog. Daarover later meer.

Vileine mannen, fragiele vrouwen

Twee mannen –goede vrienden- zitten samen tijdens een feestje. Vrouwen zijn ook aanwezig. De mannen raken ergens over in discussie. Laten we zeggen: over politiek. De argumenten gaan over en weer, adrenaline begint te stromen. Hoofden worden rood, aderen zwellen op, het stemgeluid verhevigt zich. Voortdurend onderbreken de mannen elkaar, kunnen nauwelijks wachten tot de ander klaar is met spreken. De vrouwen wisselen geïrriteerde blikken uit, proberen het gesprek –zonder succes- naar een ander onderwerp te krijgen.

Dan ineens is de discussie over en lijken de mannen alles volledig vergeten. Op de terugweg herinnert één van de vrouwen haar vent aan de gespannen en onprettige sfeer. Tot haar verbazing ontdekt ze dat hij niet weet waar ze het over heeft. Gespannen sfeer? In zijn beleving heeft hij gewoon lekker zitten discussiëren: een vriendschappelijk robbertje vechten. De discussie en de over en weer aangevoerde argumenten worden niet persoonlijk opgevat, maar maken deel uit van een ritueel dat door beide mannen als prettig ervaren werd. Voor de vrouwen was het eerder een onplezierige onderbreking van de avond, het sneed als een mes door de gezellige sfeer van daarvoor. Vreemd, hoe mannen en vrouwen zaken verschillend beleven.

In bovenstaande analyse spreek ik in stereotypen: de grens tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid is in werkelijkheid niet zo zwart-wit. En dat is nu precies het probleem waar ik het over wil hebben. In bovenstaand voorbeeld gedragen de mannen zich volgens klassieke masculiene regels: er is competitie tussen twee individuen (die beide gelijk willen krijgen), het onderwerp van discussie bevindt zich op een volstrekt inhoudelijk niveau (de mannen schenken bijvoorbeeld geen aandacht aan the tone of voice) en uiteindelijk vindt de confrontatie plaats op een basis van solidariteit: de mannen zijn vrienden, het zit wel goed tussen hen en dat weten ze. De strijd is een schijngevecht.

De ervaring van vrouwen is anders en klassiek feminien. Het eerste dat zij opmerken is juist die tone of voice, die ze als erg onprettig ervaren. Het gevecht tussen de twee mannen wordt door hen gepercipieerd als een echt gevecht, en het elkaar wederzijds aanvallen wordt opgevat als agressie jegens de persoon zelf en niet op diens argumenten. Uiteindelijk zijn de vrouwen zich niet bewust van de mannelijke kameraadschap, die altijd aanwezig is. Dat laatste heeft vooral te maken met het feit dat vrouwen deze kameraadschap niet kennen. Want tussen vrouwen (ik stereotypeer nog steeds), zelfs bij de beste vriendinnen, bestaat geen solidariteit en moet je altijd op je hoede zijn. Vandaar dat zij er veelal de voorkeur aan geven om de lieve vrede te bewaren.

Van de week sprak ik journaliste Myrthe Hilkens en zij vertelde mij waarom ambitieuze vrouwen het volgens haar zo moeilijk hebben. Dat had te maken met het feit dat ze enerzijds moesten knokken tegen de mannelijke competitie en dat er anderzijds totaal geen solidariteit was tussen vrouwen onderling. Genadeloos worden ze van twee kanten afgemaakt in hun pogingen hun idealen of ambities te verwezenlijken. Ik kan me daar inderdaad wel wat bij voorstellen. In het klassieke zwart-wit schema van mannelijkheid en vrouwelijkheid, zoals ik dat hierboven schets is assertiviteit: opkomen voor je mening bijvoorbeeld, iets dat voorbehouden is aan mannen. Zij doen dit dan ook vaak vanuit een basis van vriendschap en kameraadschap. Vrouwen die zichzelf een ‘mannelijke’ assertiviteit aanmeten missen meestal dat laatste.

Wij zijn terecht gekomen in een maatschappij waarin het klassieke zwart-wit schema van mannelijkheid en vrouwelijkheden steeds meer grijstinten gaat vertonen. Maar niet elke grijstint is een gelukkige combinatie. Ik hoorde ooit een verhaal van een jongen die in de Bijlmer was opgegroeid en daar een ouderwetse mannelijke streetwise solidariteit onder zijn vrienden had gekend. Tot hij als enige een academische opleiding ging doen en zich aanmeldde bij een wat corporale studentenvereniging. Daar ontdekte hij al snel dat de mannelijke solidariteit die hij kende zo goed als afwezig was. Iedereen probeerde voortdurend de poten onder elkaars stoel vandaan te zagen. Het was schering en inslag om vileine opmerkingen te maken, opmerkingen die op de persoon slaan, hem of haar vernederen.

In het verschijnsel van de veelal corporale studentenvereniging gaat –ondanks al het daar aanwezige machismo- al sinds jaar en dag een aantal vrouwelijke en mannelijke eigenschappen samen. Hoger opgeleide mannen lijken zich sterker de klassiek vrouwelijke eigenschappen van empathie en inzicht in gedrag eigen te maken dan mannen in een lagere sociale klasse. Maar als hoger opgeleiden die vrouwelijke eigenschappen combineren met een typisch mannelijke assertiviteit dan kan dat tot de meest gemene en giftige taferelen leiden. Zodra de mannelijke competitie zich op de persoon richt, dan is alle solidariteit weg en ontstaat een oorlog van allen tegen allen. Een ontwikkeling die je nu ook op bepaalde internet weblogs ziet plaatsvinden. Het persoonlijke valt niet langer buiten de discussie: je wordt niet langer alleen aangevallen op je woorden, maar ook op wie je bent.

In mijn eigen omgeving heb ik gemerkt dat de meeste ruzies met vrienden – echte ruzies- ontstaan als je de onuitgesproken regel van ‘het persoonlijke erbuiten laten’ overschrijdt. Natuurlijk, je mag elkaar belachelijk maken met een geintje, maar er zijn ook geintjes die te ver gaan. Omdat ze iemands zwakke plek uitbuiten. Het zijn de dingen die (klassieke) vrouwen denken en niet zeggen. En het zijn de zaken die klassieke mannen niet zien en dus ook niet zeggen. Assertiviteit en empathisch inzicht vormen een moordende combinatie die met grote zelfbeheersing moet worden aangepakt. Dat is het gevaar van mannen die ook het talent van de –meer feminiene- empathie bezitten.

In een samenleving waarin het klassiek mannelijke en het klassiek vrouwelijke steeds meer vervloeien is het een zoeken naar de beste combinaties. Het is niet zo dat een combinatie van vrouwelijke en mannelijke waarden per definitie een ‘zachtere’ man of juist een ‘hardere’ vrouw maakt. Zoals ik hierboven heb aangegeven kan deze ‘androgynie’ juist keiharde, vileine mannen opleveren en assertieve, doch fragiele vrouwen. In een samenleving waarin rollenpatronen steeds meer veranderen en ook de ideeën over mannelijkheid en vrouwelijkheid aan een flux onderhevig zijn is het belangrijk om die klassieke begrippen te leren ontrafelen: waar zitten de verbintenissen, de krachten en de zwaktes. Hoe kunnen mannen en vrouwen van elkaar leren.. en voor wat voor eigenschappen kunnen ze beter Oost-Indisch doof zijn.

Echte mannen en rode cocktails

Afgelopen vrijdagavond bestelde een vriend van mij in de kroeg een felrode cocktail met een parasolletje erop. Een gebeuren dat bij de andere mannen (mijzelf incluis) tot grote, nee, enorme hilariteit leidde. Reden: een man die een rode cocktail met een parasolletje drinkt is ‘geen echte vent’. Mannen drinken van alles. Bier. Wijn. Whisky. Jenever. Misschien zelfs een mojito (immers het drankje van Hemingway, en als dát geen echte vent was). Maar een rode cocktail met een parasolletje? No way.

Waarom drinken mannen geen rode cocktails met parasolletjes? Voor hetzelfde geld was dit een zeer smakelijke cocktail, waarom zou dit genot aan de vrouwelijke bevolkingsgroep voorbehouden blijven? Wellicht omdat de rode kleur, de vorm van het glas (met voetje) en natuurlijk het parasolletje geassocieerd worden met een ‘feminiene’ uitstraling. Of omdat cocktails in het algemeen meer lijken te passen bij vrouwen, die immers vaker de voorkeur zouden geven aan zoete drankjes. Het laatste lijkt mij een vooroordeel, maar waarschijnlijk is er wel ergens een fantasierijke evolutiebioloog die kan uitleggen hoe vrouwen deze voorkeur in het verleden ontwikkeld zouden kunnen hebben. Zoals evolutiebiologen en -psychologen voor alles een kant en klare verklaring uit hun mouwen kunnen schudden.

Het zijn dit soort oordelen over mannelijkheid en vrouwelijkheid die me interesseren. Vanwaar zoveel hilariteit om een wonderlijk gekleurde cocktail? Waarom moest ik er zo ongelooflijk om lachen? Het heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat dingen die je naar een andere, nieuwe context verplaatst vaak grappig zijn. Het is als de koningin die besluit van nu af aan een petje te gaan dragen boven op haar indrukwekkende kapsel. Twee werelden die niet op elkaar aansluiten zijn grappig. Maar wie heeft bepaald dat het hier om twee werelden gaat? Wie wijst de ene context toe aan de wereld van de mannen en de ander aan die van vrouwen? Zijn er universele regels te benoemen, regels die voor alle tijden en alle culturen gelden, over het domein van de man en de vrouw?

Conservatieven (denk aan de Amerikaan Harvey Mansfield en onze oer-Hollandse Andreas Kinneging) denken van wel. Sommige evolutionaire psychologen zeggen ook iets dergelijks. Ik heb er echter zo mijn twijfels over. Ideeën over mannelijkheid (en vrouwelijkheid) verschillen per cultuur. In de ene cultuur is mannelijkheid actief en dominant, zoals we het beeld kennen van de Romeinen (Jupiter! Mars!). Maar probeer je eens de Indiase god Krishna voor te stellen, toch echt een man en een voorbeeld. Of desnoods Jezus Christus. Was dat een mannelijke man? Hij sloeg in ieder geval niet terug.

En dan hebben we het nog niet gehad over subjectieve en individuele interpretaties van mannelijkheid. Daarover nog een anekdote. Ruim een jaar terug liep ik door de Kalverstraat en rook een zweem van prettige lucht. Voor dat ik het wist stond ik voor de etalage van een winkeltje waar handgemaakte zeep werd verkocht. Deze zeep werd daar tentoongesteld in grote brokken, als kazen. Nieuwsgierig maar met enige gene stapte ik het winkeltje binnen. Een man koopt immers geen dure zeep, dacht ik. Ik kon het niet laten, en heb twee brokken zeep aangeschaft. Nog steeds met het idee dat dit eigenlijk niet kon. Ik weet dit aan een overmatige uitbarsting van metromannerigheid. David Beckham returns with a vengeance.

Nu had ik op datzelfde moment ook een geliefde. Zij ontdekte de hompen zeep naast mijn gootsteen en vertrouwde me op een gegeven moment een bijzonder visie toe. Wat ze zo leuk aan me vond? Dat alles aan me zo mannelijk was. Zelfs de zeep. Ik had geen verwijfde dunne zeepjes, of zo’n lullig pompje. Nee, ik had stoere brokken zeep. Mannelijker kon het niet.

De begrippen mannelijkheid en vrouwelijkheid hebben gedurende hun historie een bepaalde betekenisontwikkeling ondergaan. Een ontwikkeling die van cultuur tot cultuur verschilt en in verschillende fases van de geschiedenis andere vormen heeft aangenomen. Daarnaast wordt wat mannelijk is en wat vrouwelijk is sterk bepaald door de persoon die het oordeel velt. Het zijn daarmee geen neutrale begrippen die je kan toetsen met een vragenlijst. Ieder individu zal er, gezien zijn achtergrond en situatie, een andere betekenis aan geven.

Neemt niet weg dat de begrippen wel degelijk tot onze belevingswereld behoren, hoe vaag gedefinieerd ook. Soms zorgen ze voor hilariteit. Of voor een fijne spanning tussen man en vrouw. Soms zijn ze normatief en beperken ze mensen, of sluiten ze uit (denk aan homoseksuelen). Het geloof aan een universele mannelijkheid, die voor alle culturen gelijk is, komt volgens mij eerder voort uit wishful thinking. De behoefte om de eigen norm tot algemene te verklaren. Universele mannelijkheid is daarom iets voor bange mensen, die blijkbaar behoefte hebben aan een simpele wereld, ‘waarin mannen gewoon mannen en vrouwen gewoon vrouwen zijn’. En waarin mannen dus geen rode cocktails met parasolletjes drinken.

Desktopcomputers en galeien: hoe apparaten ons veranderen

Apparaten zijn niet alleen neutrale functionele dingen die ons helpen bij allerlei activiteiten, maar ook gestolde waarden en normen. Dat laatste vergeten we vaak, waardoor we bepaalde ongewenste bijeffecten van die apparaten niet kunnen duiden. Neem nu de desktop computer. Waarom is dat apparaat ooit ontworpen en met welk doel? Welke stilzwijgende ideeën zijn erin verwerkt en wat zijn de effecten daar nu nog van op ons leven? Het is tijd voor een ingrijpende verandering van de wijze waarop we dagelijks met apparatuur  omgaan.

Een desktop computer bestaat uit een beeldscherm, dat meestal vierkant is, maar de laatste tijd steeds vaker rechthoekig. Meestal is er een aparte kast waarin de eigenlijke computer zit (die vaak onder het bureau staat), behalve bij de iMac waarbij de computer in het scherm verwerkt zit. Aan de computer hangt een toetsenbord en een muis en eventuele randapparatuur. De naam zegt het al: desktop, dit apparaat is bedoeld voor het bureau. Je zit recht op je bureaustoel voor je scherm. Muis en toetsenbord en het grafische besturingssysteem (Windows of MacOS) zijn er voor gemaakt om snel en efficiënt de juiste applicaties te kunnen vinden: een tekstverwerker, spreadsheet, emailprogramma of internetbrowser.

De desktop computer is primair bedoeld voor werk. Kantoorwerk, zoals we dat gewend zijn in onze op productie gerichte cultuur. De rechte positie voor het beeldscherm neemt weinig plek in (je gaat efficiënt om met ruimte) en het is ook een houding die geconcentreerde alertheid symboliseert. Zoals in het klassieke klaslokaal kinderen recht achter hun tafel zaten met het gezicht gericht naar de meester of juffrouw, zo kijken we nu recht naar ons scherm.

Schermen zuigen. Als je in een kamer bent met een televisie daarin, dan dwalen de ogen gemakkelijk naar de beelden af. Computerschermen hebben haast nog wel een sterkere zuigkracht. Het geluid van de inkomende email is als het marsritme van de trommelaar, die ooit in de galeien het tempo van de arbeid aangaf. Die trommelaar is al lang niet meer nodig, via de mail zijn we allemaal elkaars trommelaars geworden. Of een scherm nu vierkant of rechthoekig is, er wordt iets afgesloten. Zoals de ruimte waarin je verkeert invloed heeft op je gedachten -als je loopt door een uitgestrekt weiland dan voelt dat anders dan als je in een kleine kamer zit- zo heeft ook de virtuele ruimte invloed. Het scherm levert een onmiddellijke beperking van de creativiteit, het slurpt de ruimte leeg.

Een desktop bevat dus de waarden van concentratie, discipline, alertheid, arbeidzaamheid. Het zijn de waarden van een ouderwets kantoor in een hiërarchische organisatie, de waarden van het Taylorisme, waarbij het maximaliseren van de productie voorop stond en eigen inbreng op zijn zachtst gezegd niet op prijs gesteld werd. De desktop leert je je plek kennen. Het hypnotiseert je zodat je blijft waar je bent.

RSI is een logisch bijeffect van deze gestolde werkfilosofie. Taylorisme maakt mensen tot apparaten, tot verlengstukken van dingen, in plaats van dat het ding het verlengstuk van de mens wordt. RSI is denk ik een onbewust protest tegen deze onnatuurlijke staat van disciplinering. Het wonderlijke is dat de oplossingen die meestal gezocht worden voor RSI juist een versterking zijn van de condities die eigenlijk de diepere oorzaak vormen. Mensen leren nog rechter te zitten, ze krijgen allerlei verhogingen en armsteuntjes die de mens als het ware steeds dichter tegen de computer ‘aanketenen’. Nog meer apparatuur om zo efficiënt mogelijk gebruik te maken van de spieren. Ergonomische toetsenborden lijken dichter bij de fysiek van mensen te staan, maar veranderen niets aan de dieperliggende filosofie achter de apparatuur.

Vandaar dat computers thuis lang tot de studeerkamer veroordeeld zijn geweest. Liefst word je in de geborgen ontspannenheid van je huiskamer niet gestoord door een disciplinair medium. Intussen is de computer echter al veel meer geworden dan een apparaat dat je voor werk gebruikt: het is zowel een belangrijk communicatiemedium als een ontspanningsapparaat geworden. De laptop heeft dat allemaal iets doorbroken. Met de laptop kan je onderuit op de bank achter je computer zitten. Toch is ook de laptop nog vooral ontworpen vanuit het oogpunt van werk, van discipline, van snel en praktisch vinden wat je zoekt en het efficiënt communiceren van informatie.

Men spreekt tegenwoordig vaak over de ‘creatieve klasse’, die economisch steeds belangrijker aan het worden is. Die creatieve klasse maakt veel gebruik van computers. Apparatuur die, zoals ik zojuist heb betoogd, nog gebouwd is op basis van verouderde industriële principes, van een Tayloristisch paradigma. Willen we echter een werkelijke doorbraak maken naar een nieuw tijdperk, waarin creativiteit maximaal wordt gestimuleerd, dan is het noodzakelijk na te denken over een geheel ander gebruik van techniek. Techniek die niet disciplineert, maar inspireert. Die geen kaders schept, maar helpt kaders te doorbreken. Die het werkproces niet volgens een vast stramien vormgeeft, maar zich juist plooit naar een creatief proces. De wedloop naar steeds snellere processoren en grotere opslagcapaciteit zal op den duur ten einde lopen, het is tijd dat de industrie zich richt op kwaliteit boven kwantiteit.

Communicatie en intimiteit: hoe apparaten ons veranderen

Wie wel eens een liefde in het buitenland heeft gehad weet misschien waar ik het over heb. Die telefoongesprekken waarin je eigenlijk niets zegt. Je vertelt van alles, luistert wat er gebeurt totdat alles verteld is en alleen de stem overblijft. Een zweem van intiem contact via dat harde apparaat aan je oor. Datzelfde apparaat waarmee je eigenlijk met iedereen belt, waarbij je partner in den verre wordt gereduceerd tot de zoveelste blikken stem.

Deze september was ik aanwezig bij de Picnic-conferentie in Amsterdam en wat bij mij het meeste bleef hangen was een praatje van Stefan Agamanolis van het Distance Lab. Hun doel was het ontwikkelen van ‘Slow Technology’, in navolging van Slow Food. Veel technologie is volgens Agamanolis ‘fast’, zoals ‘fast food’ dat is. Denk aan een mobiele telefoon. Je gebruikt hem overal en altijd. Je kunt hem gebruiken terwijl je andere dingen aan het doen bent (multitasken) waardoor je aandacht verdeeld wordt (vergelijk met een hamburger die je snel op straat opeet), de communicatie werkt overal op de wereld exact hetzelfde (zoals een Bigmac er altijd hetzelfde uitziet). Het team van distance lab had zich proberen voor te stellen hoe een ‘slow’ versie van technologie, bijvoorbeeld communicatie-technologie eruit ziet.

Terug naar de liefde-op-afstand die ik in de eerste alinea beschreef. Eén van de vragen die ze zich hadden gesteld is hoe het mogelijk is om intimiteit terug te brengen in de elektronische communicatie. Het resultaat was een soort van ring waarmee je tekeningen kon maken over een oppervlakte. De communicatietechniek zorgde dat de vingertekeningen naar de andere kant van de wereld werd gecommuniceerd en daar verschenen op het bed of op het lichaam van de partner. Het geheel was gebaseerd op de intieme communicatie van geliefden, die met hun vingers tekeningen maken op het lichaam van de ander. Om een idee te krijgen hoe dat eruit ziet kun je het beste het volgende filmpje bekijken:

Een ander fascinerend idee was om een telefoongesprek weer tot zijn essentie terug te brengen. Alleen maar gesproken woord, zonder enige afleiding. De ouderwetse telefooncel was al een stap op weg naar die communicatie, omdat je niets anders om je heen ziet dan een kaal hokje. Die legt het echter steeds meer af tegenover de ‘snelle’ mobiele telefoon. Het idee was nu om mensen in een zwembad te laten zweven met een soort drijvend bol om hun hoofd, waarin ze konden bellen. Het zwembad was op lichaamstemperatuur zodat er zo min mogelijk prikkels waren. Het effect was dat mensen inderdaad met volle aandacht bij het gesprek waren, veel gebaarden met handen en voeten en de gesprekken een stream-of-consciousness-achtige structuur kregen. Zie hiervoor de volgende video:

Er waren nog meer ideeën, maar wat me aansprak is de wijze waarop technologie geplooid wordt naar de mens in plaats van de mens naar een bepaalde technologie. Dat klinkt raar, technologie is immers altijd een menselijk product, het volgt de behoeften van de mens. Maar gek genoeg kan een apparaat dat is opgezet volgens bepaalde functionele principes ook een eigen leven gaan lijden. Een voorbeeld is de mobiele telefoon. Die is ontwikkeld en bedacht vanuit een filosofie van snelle communicatie, dat je overal en altijd iedereen kan spreken. Maar die snelle communicatie die echoot weer terug naar ons. We gáán ook sneller communiceren, doordat we de beschikking hebben over een toestel dat daartoe in staat is.

Er is dus een tweezijdige relatie tussen mens en artefact. Allereerst schrijft de mens een bepaald systeem in de materie, een systeem dat doordacht is en vaak niet alleen functionaliteit, maar ook een bepaalde norm met zich brengt. Een voorbeeld daarvan is gegeven door de Franse wetenschapsfilosoof Bruno Latour. Een snelheidsdrempel in de weg bevat impliciet een moraal, namelijk dat je rustiger moet rijden in het daarvoor bestemde weggedeelte. Ten tweede bepaalt de materie, het artefact, de mens. De drempel geeft mij de boodschap dat ik te hard rij.

Maar de mens smelt ook samen met de technologie. Een ander voorbeeld van Latour om dat ter illustreren gaat over de discussie in de Verenigde Staten over wapenbezit. Er is een groep die zegt ‘guns kill people’ en een groep die zegt ‘guns do not kill people, people kill people’. De redeneerfout is dat je de mens niet kan scheiden van het instrument. Mensen worden anders van wapens. Iemand met een wapen is een ander persoon dat iemand zonder wapen. Dan ben je namelijk een wapenmens geworden. En wapenmensen vermoorden mensen eerder, dan niet-wapenmensen.

Terug naar de telefoon en de intimiteit op afstand. Als het mogelijk is om waarden in technologie te verstoppen, dan zouden we ons heel erg bewust moeten worden van welke waarden we in welke technologie stoppen. En ook heel praktisch, dat als je kiest om een bepaalde technologie te gebruiken, met de waarden en normen die er in die technologie zijn verwerkt, je je bewust moet zijn van de effecten daarvan. Is het goed om je liefde te reduceren tot een blikken stem? Of tot een msn-avatar op je scherm? Zijn er onbedoelde effecten? En zijn er bepaalde, grotere sociologische effecten van het in gebruik nemen van technologie? Interessante vragen voor de tijd waarin we nu leven. In ieder geval lijkt ‘slow technology’ mij, als is het alleen maar als statement, een welkome aanvulling op bestaande technologieën.