De wraak van de man

Er is iets aan de hand met de moderne man. Hij is boos. Hij is gekrenkt. Althans, dat is een boodschap die steeds sterker door reclame naar buiten wordt gebracht. Neem nu coca cola zero. Deze light-variant van de frisdrank is in de markt gezet specifiek voor de mannelijke doelgroep. Had coca cola light een feminien imago: zero is voor kerels. En wat hebben de marketeers van de multinational bedacht om die mannen te bereiken? Ze raken hem op zijn zwakke plek: zijn krenking, zijn frustratie en –jawel- zijn wraakzuchtige almachtsfantasieën.   

Het thema van de campagne van Zero is ‘Break up as it should be’. Vorig jaar was daar een bijzonder spotje over op tv: een man (blank, casual gekleed met capuchonnetje, aangekondigd als ‘our hero’) loopt wezenloos door een supermarkt en komt daar zijn ex (brunette) met haar nieuwe vriend (buitenlands uiterlijk, leren jekkie, arrogante blik) tegen. Er lijkt  zich een vernederend gesprek te ontspinnen. ‘How have you been?’ vraagt de ex. Vervolgens neemt de held een slok coca cola zero en zijn wraakfantasie wordt werkelijkheid. Plotseling komt namelijk een blonde, seksueel uitdagende vamp op hem toegelopen en vraagt hem of hij slagroom of chocoladesaus wil. Je ziet even een flits van haar naakte lichaam onder de slagroom en de chocoladesaus waarop de held aangeeft beide te willen. Vervolgens wordt hij samen met zijn blonde furie opgehaald door een helicopter en laat hij daarmee zijn ex en zijn rivaal verbijsterd achter. Terwijl hij opgetakeld wordt roept hij nog het juiste antwoord op de vernederende vraag van zijn ex: ‘you know me, I’ll manage’.

Bovenstaande reclame bevat een individuele, voor veel mannen herkenbare boodschap over een gekwetst ego na door een vrouw gedumpt te zijn. Zij verkiest een andere man boven de held (‘de hoer, de slet, de snol’) en dat doet pijn en dat leidt tot frustratie. Er is een ego gekrenkt en daar moet genoegdoening voor komen. Het alfa-mannetje moet zich revancheren, er moet bewezen worden dat hij eigenlijk veel leuker, aantrekkelijker, boeiender, stoerder is dan die ander (‘sukkel, droplul, randmongool’). Daartoe moeten de aantrekkelijke vrouwen eigenlijk aan zijn voeten liggen. De boodschap richting de ex is duidelijk: ‘mijn nieuwe vriendin is veel mooier en seksueel gewilliger dan jij ooit was, dus rot lekker op met je sukkel, ik hoef je niet meer. Ook zonder jou ben ik the man.’

Is een dergelijke wraakfantasie nu typisch mannelijk of volstrekt symmetrisch ook op vrouwen toe te passen? Daartoe kunnen we de clip vergelijken met het liedje en de videoclip van ‘Smile’ van Lily Allen. Eigenlijk gebeurt hier hetzelfde, alleen wordt hier de vrouw door de man gedumpt voor een ander. Ook hier is een ego gekrenkt. Maar de revanche bij Lily Allen is veel harder dan in de coca cola zero-reclame. In plaats van dat ze zichzelf moet bewijzen door met een stoerdere man er vandoor te gaan is haar focus veel wraakzuchtiger: de ex moet lijden. Ze zingt dat het haar aan het lachen brengt om hem te zien janken en dat doet ze in de clip op allerlei manipulatieve manieren: zo laat ze hem door andere mannen in elkaar slaan, laat ze zijn huis overhoop halen, zijn platen bekrassen (hij is dj) en gooit ze laxeermiddel in zijn koffie. Waar bij Coca Cola Zero de man zijn mannelijkheid moet bewijzen voor het aanzicht van de rest van de wereld, daar blijft de wraak van Lily Allen die tussen twee mensen. De Zero-hero wil zijn gekwetste ego herstellen, Lily Allen wil haar ex vooral laten voelen hoeveel pijn hij haar heeft aangedaan.

Het is interessant om te zien hoe sterk het idee van ‘wraak’ daarmee typerend is voor een mannelijk of vrouwelijk perspectief. Het is vreemd genoeg moeilijk om voor te stellen dat een man over zou gaan op de wrede spelletjes van Lily Allen (dat zou hem simpelweg alleen maar minder ‘mannelijk’ maken) en andersom zou het redelijk futiel overkomen als Lily Allen er met een stoere bink vandoor zou gaan (omdat voor vrouwen het veroveren van een kerel op de een of andere manier minder met het ego te maken heeft: in de ogen van haar vriendinnen zal haar ster er niet door stijgen). Een en ander zegt wel iets over de nog altijd klassieke genderrollen die we aannemen in onze samenleving, waarin de man vooral actief is en verovert en de vrouw passief is en zich wel of niet láát veroveren. Waarin voor de man het ego en de uitstraling naar de buitenwereld belangrijk is en voor de vrouw de relatie, de emoties en de binnenwereld.

Maar waarom probeert Coke Zero nu mannen tot cola te verleiden via iets gevoeligs als diens krenking? Mijn vermoeden is dat die krenking op een ander niveau ligt dan alleen het individuele. ‘De man’ wordt ook verondersteld gekrenkt te zijn door de toenemende emancipatie en de ‘feminisering van de maatschappij’.  Steeds meer vrouwen in topfuncties, steeds meer vrouwen die zelfstandig hun eigen ding doen. Is dat niet de diepste kwetsing van de man en vlucht hij daardoor niet steeds meer in zijn fantasiewereld van gewillige vrouwen (porno)? Of zou het de toestroom zijn van ‘vreemde’ mannelijkheid, van bijvoorbeeld Noord-Afrikaanse mannen naar Nederland, met hun ouderwetse maar meer gestileerde machismo, die door de westerse blanke man als een bedreiging worden gezien? Het is wel typerend dat de ‘nieuwe vriend’ van de ex in de coke zero-commercial toevallig een buitenlands uiterlijk heeft.

Mannelijkheid krijgt daarbij iets krampachtigs, iets gefrustreerds. ‘Life as it should be’ zegt een voice-over in de reclame van Coke Zero. Met andere woorden, het leven is nu niet goed genoeg voor mannen, ze moeten vluchten in een fantasiewereld. Dat is een van de manieren waarop mannelijkheid op dit moment in de reclame wordt neergezet. Daarnaast is er ook nog een andere verbeelding van mannelijkheid in de reclamewereld, dat is die van de masculiene zelfspot, de brulaap met een knipoog. Daarover later meer.

Vileine mannen, fragiele vrouwen

Twee mannen –goede vrienden- zitten samen tijdens een feestje. Vrouwen zijn ook aanwezig. De mannen raken ergens over in discussie. Laten we zeggen: over politiek. De argumenten gaan over en weer, adrenaline begint te stromen. Hoofden worden rood, aderen zwellen op, het stemgeluid verhevigt zich. Voortdurend onderbreken de mannen elkaar, kunnen nauwelijks wachten tot de ander klaar is met spreken. De vrouwen wisselen geïrriteerde blikken uit, proberen het gesprek –zonder succes- naar een ander onderwerp te krijgen.

Dan ineens is de discussie over en lijken de mannen alles volledig vergeten. Op de terugweg herinnert één van de vrouwen haar vent aan de gespannen en onprettige sfeer. Tot haar verbazing ontdekt ze dat hij niet weet waar ze het over heeft. Gespannen sfeer? In zijn beleving heeft hij gewoon lekker zitten discussiëren: een vriendschappelijk robbertje vechten. De discussie en de over en weer aangevoerde argumenten worden niet persoonlijk opgevat, maar maken deel uit van een ritueel dat door beide mannen als prettig ervaren werd. Voor de vrouwen was het eerder een onplezierige onderbreking van de avond, het sneed als een mes door de gezellige sfeer van daarvoor. Vreemd, hoe mannen en vrouwen zaken verschillend beleven.

In bovenstaande analyse spreek ik in stereotypen: de grens tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid is in werkelijkheid niet zo zwart-wit. En dat is nu precies het probleem waar ik het over wil hebben. In bovenstaand voorbeeld gedragen de mannen zich volgens klassieke masculiene regels: er is competitie tussen twee individuen (die beide gelijk willen krijgen), het onderwerp van discussie bevindt zich op een volstrekt inhoudelijk niveau (de mannen schenken bijvoorbeeld geen aandacht aan the tone of voice) en uiteindelijk vindt de confrontatie plaats op een basis van solidariteit: de mannen zijn vrienden, het zit wel goed tussen hen en dat weten ze. De strijd is een schijngevecht.

De ervaring van vrouwen is anders en klassiek feminien. Het eerste dat zij opmerken is juist die tone of voice, die ze als erg onprettig ervaren. Het gevecht tussen de twee mannen wordt door hen gepercipieerd als een echt gevecht, en het elkaar wederzijds aanvallen wordt opgevat als agressie jegens de persoon zelf en niet op diens argumenten. Uiteindelijk zijn de vrouwen zich niet bewust van de mannelijke kameraadschap, die altijd aanwezig is. Dat laatste heeft vooral te maken met het feit dat vrouwen deze kameraadschap niet kennen. Want tussen vrouwen (ik stereotypeer nog steeds), zelfs bij de beste vriendinnen, bestaat geen solidariteit en moet je altijd op je hoede zijn. Vandaar dat zij er veelal de voorkeur aan geven om de lieve vrede te bewaren.

Van de week sprak ik journaliste Myrthe Hilkens en zij vertelde mij waarom ambitieuze vrouwen het volgens haar zo moeilijk hebben. Dat had te maken met het feit dat ze enerzijds moesten knokken tegen de mannelijke competitie en dat er anderzijds totaal geen solidariteit was tussen vrouwen onderling. Genadeloos worden ze van twee kanten afgemaakt in hun pogingen hun idealen of ambities te verwezenlijken. Ik kan me daar inderdaad wel wat bij voorstellen. In het klassieke zwart-wit schema van mannelijkheid en vrouwelijkheid, zoals ik dat hierboven schets is assertiviteit: opkomen voor je mening bijvoorbeeld, iets dat voorbehouden is aan mannen. Zij doen dit dan ook vaak vanuit een basis van vriendschap en kameraadschap. Vrouwen die zichzelf een ‘mannelijke’ assertiviteit aanmeten missen meestal dat laatste.

Wij zijn terecht gekomen in een maatschappij waarin het klassieke zwart-wit schema van mannelijkheid en vrouwelijkheden steeds meer grijstinten gaat vertonen. Maar niet elke grijstint is een gelukkige combinatie. Ik hoorde ooit een verhaal van een jongen die in de Bijlmer was opgegroeid en daar een ouderwetse mannelijke streetwise solidariteit onder zijn vrienden had gekend. Tot hij als enige een academische opleiding ging doen en zich aanmeldde bij een wat corporale studentenvereniging. Daar ontdekte hij al snel dat de mannelijke solidariteit die hij kende zo goed als afwezig was. Iedereen probeerde voortdurend de poten onder elkaars stoel vandaan te zagen. Het was schering en inslag om vileine opmerkingen te maken, opmerkingen die op de persoon slaan, hem of haar vernederen.

In het verschijnsel van de veelal corporale studentenvereniging gaat –ondanks al het daar aanwezige machismo- al sinds jaar en dag een aantal vrouwelijke en mannelijke eigenschappen samen. Hoger opgeleide mannen lijken zich sterker de klassiek vrouwelijke eigenschappen van empathie en inzicht in gedrag eigen te maken dan mannen in een lagere sociale klasse. Maar als hoger opgeleiden die vrouwelijke eigenschappen combineren met een typisch mannelijke assertiviteit dan kan dat tot de meest gemene en giftige taferelen leiden. Zodra de mannelijke competitie zich op de persoon richt, dan is alle solidariteit weg en ontstaat een oorlog van allen tegen allen. Een ontwikkeling die je nu ook op bepaalde internet weblogs ziet plaatsvinden. Het persoonlijke valt niet langer buiten de discussie: je wordt niet langer alleen aangevallen op je woorden, maar ook op wie je bent.

In mijn eigen omgeving heb ik gemerkt dat de meeste ruzies met vrienden – echte ruzies- ontstaan als je de onuitgesproken regel van ‘het persoonlijke erbuiten laten’ overschrijdt. Natuurlijk, je mag elkaar belachelijk maken met een geintje, maar er zijn ook geintjes die te ver gaan. Omdat ze iemands zwakke plek uitbuiten. Het zijn de dingen die (klassieke) vrouwen denken en niet zeggen. En het zijn de zaken die klassieke mannen niet zien en dus ook niet zeggen. Assertiviteit en empathisch inzicht vormen een moordende combinatie die met grote zelfbeheersing moet worden aangepakt. Dat is het gevaar van mannen die ook het talent van de –meer feminiene- empathie bezitten.

In een samenleving waarin het klassiek mannelijke en het klassiek vrouwelijke steeds meer vervloeien is het een zoeken naar de beste combinaties. Het is niet zo dat een combinatie van vrouwelijke en mannelijke waarden per definitie een ‘zachtere’ man of juist een ‘hardere’ vrouw maakt. Zoals ik hierboven heb aangegeven kan deze ‘androgynie’ juist keiharde, vileine mannen opleveren en assertieve, doch fragiele vrouwen. In een samenleving waarin rollenpatronen steeds meer veranderen en ook de ideeën over mannelijkheid en vrouwelijkheid aan een flux onderhevig zijn is het belangrijk om die klassieke begrippen te leren ontrafelen: waar zitten de verbintenissen, de krachten en de zwaktes. Hoe kunnen mannen en vrouwen van elkaar leren.. en voor wat voor eigenschappen kunnen ze beter Oost-Indisch doof zijn.

Echte mannen en rode cocktails

Afgelopen vrijdagavond bestelde een vriend van mij in de kroeg een felrode cocktail met een parasolletje erop. Een gebeuren dat bij de andere mannen (mijzelf incluis) tot grote, nee, enorme hilariteit leidde. Reden: een man die een rode cocktail met een parasolletje drinkt is ‘geen echte vent’. Mannen drinken van alles. Bier. Wijn. Whisky. Jenever. Misschien zelfs een mojito (immers het drankje van Hemingway, en als dát geen echte vent was). Maar een rode cocktail met een parasolletje? No way.

Waarom drinken mannen geen rode cocktails met parasolletjes? Voor hetzelfde geld was dit een zeer smakelijke cocktail, waarom zou dit genot aan de vrouwelijke bevolkingsgroep voorbehouden blijven? Wellicht omdat de rode kleur, de vorm van het glas (met voetje) en natuurlijk het parasolletje geassocieerd worden met een ‘feminiene’ uitstraling. Of omdat cocktails in het algemeen meer lijken te passen bij vrouwen, die immers vaker de voorkeur zouden geven aan zoete drankjes. Het laatste lijkt mij een vooroordeel, maar waarschijnlijk is er wel ergens een fantasierijke evolutiebioloog die kan uitleggen hoe vrouwen deze voorkeur in het verleden ontwikkeld zouden kunnen hebben. Zoals evolutiebiologen en -psychologen voor alles een kant en klare verklaring uit hun mouwen kunnen schudden.

Het zijn dit soort oordelen over mannelijkheid en vrouwelijkheid die me interesseren. Vanwaar zoveel hilariteit om een wonderlijk gekleurde cocktail? Waarom moest ik er zo ongelooflijk om lachen? Het heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat dingen die je naar een andere, nieuwe context verplaatst vaak grappig zijn. Het is als de koningin die besluit van nu af aan een petje te gaan dragen boven op haar indrukwekkende kapsel. Twee werelden die niet op elkaar aansluiten zijn grappig. Maar wie heeft bepaald dat het hier om twee werelden gaat? Wie wijst de ene context toe aan de wereld van de mannen en de ander aan die van vrouwen? Zijn er universele regels te benoemen, regels die voor alle tijden en alle culturen gelden, over het domein van de man en de vrouw?

Conservatieven (denk aan de Amerikaan Harvey Mansfield en onze oer-Hollandse Andreas Kinneging) denken van wel. Sommige evolutionaire psychologen zeggen ook iets dergelijks. Ik heb er echter zo mijn twijfels over. Ideeën over mannelijkheid (en vrouwelijkheid) verschillen per cultuur. In de ene cultuur is mannelijkheid actief en dominant, zoals we het beeld kennen van de Romeinen (Jupiter! Mars!). Maar probeer je eens de Indiase god Krishna voor te stellen, toch echt een man en een voorbeeld. Of desnoods Jezus Christus. Was dat een mannelijke man? Hij sloeg in ieder geval niet terug.

En dan hebben we het nog niet gehad over subjectieve en individuele interpretaties van mannelijkheid. Daarover nog een anekdote. Ruim een jaar terug liep ik door de Kalverstraat en rook een zweem van prettige lucht. Voor dat ik het wist stond ik voor de etalage van een winkeltje waar handgemaakte zeep werd verkocht. Deze zeep werd daar tentoongesteld in grote brokken, als kazen. Nieuwsgierig maar met enige gene stapte ik het winkeltje binnen. Een man koopt immers geen dure zeep, dacht ik. Ik kon het niet laten, en heb twee brokken zeep aangeschaft. Nog steeds met het idee dat dit eigenlijk niet kon. Ik weet dit aan een overmatige uitbarsting van metromannerigheid. David Beckham returns with a vengeance.

Nu had ik op datzelfde moment ook een geliefde. Zij ontdekte de hompen zeep naast mijn gootsteen en vertrouwde me op een gegeven moment een bijzonder visie toe. Wat ze zo leuk aan me vond? Dat alles aan me zo mannelijk was. Zelfs de zeep. Ik had geen verwijfde dunne zeepjes, of zo’n lullig pompje. Nee, ik had stoere brokken zeep. Mannelijker kon het niet.

De begrippen mannelijkheid en vrouwelijkheid hebben gedurende hun historie een bepaalde betekenisontwikkeling ondergaan. Een ontwikkeling die van cultuur tot cultuur verschilt en in verschillende fases van de geschiedenis andere vormen heeft aangenomen. Daarnaast wordt wat mannelijk is en wat vrouwelijk is sterk bepaald door de persoon die het oordeel velt. Het zijn daarmee geen neutrale begrippen die je kan toetsen met een vragenlijst. Ieder individu zal er, gezien zijn achtergrond en situatie, een andere betekenis aan geven.

Neemt niet weg dat de begrippen wel degelijk tot onze belevingswereld behoren, hoe vaag gedefinieerd ook. Soms zorgen ze voor hilariteit. Of voor een fijne spanning tussen man en vrouw. Soms zijn ze normatief en beperken ze mensen, of sluiten ze uit (denk aan homoseksuelen). Het geloof aan een universele mannelijkheid, die voor alle culturen gelijk is, komt volgens mij eerder voort uit wishful thinking. De behoefte om de eigen norm tot algemene te verklaren. Universele mannelijkheid is daarom iets voor bange mensen, die blijkbaar behoefte hebben aan een simpele wereld, ‘waarin mannen gewoon mannen en vrouwen gewoon vrouwen zijn’. En waarin mannen dus geen rode cocktails met parasolletjes drinken.

Dichter des Vaderlands

Krtj_middel
Sinds 2 januari is het mogelijk om op de nieuwe Dichter des Vaderlands te stemmen. De dichter des vaderlands becommentarieert met zijn gedichten regelmatig de actualiteit en komt daarbij op de voorpagina van NRC. Dit jaar doet aan de verkiezing van de DdV ook een goede bekende en bijzondere dichter mee: Tsead Bruinja.

Ik ken Tsead al sinds mijn studententijd. Hij kreeg op een gegeven moment in zijn kop dat hij dichter wilde worden en dat idee ging er niet meer uit. Niet iedereen nam die aspiraties destijds serieus. Maar Tsead is het soort van persoon dat recht op zijn doel afgaat. En met wat voor resultaat! De ene na de andere bundel rolde uit zijn pen en hij scoorde aan de lopende band goede recensies. Ik lees zijn gedichten met groot plezier: dan zijn ze weer romantisch, dan zijn ze weer keihard, soms absurd. Hij speelt met prachtige beelden maar vooral ook met klanken. Naast al dat dichten had hij nog tijd over om allerhande poeziefestivals (mede) te organiseren, overal op te treden en ook andere jonge dichters de kans te geven zich te profileren.

Ik zou alle lezers van mijn blog daarom willen vragen om ergens tussen 2 en 27 januari via de website  http://www.dichterdesvaderlands.nl/read/stemmen een stem voor Tsead in te vullen: liefst met motivatie want dat telt dubbel. Mocht je motivatie nodig hebben, dan kun je op zijn website veel van zijn werk vinden. Neem ook een kijkje op zijn blog. Hierinder vind je een filmpje dat ik maakte van Tsead waarin ik hem vroeg waarom hij Dichter des Vaderlands zou moeten worden.

Desktopcomputers en galeien: hoe apparaten ons veranderen

Apparaten zijn niet alleen neutrale functionele dingen die ons helpen bij allerlei activiteiten, maar ook gestolde waarden en normen. Dat laatste vergeten we vaak, waardoor we bepaalde ongewenste bijeffecten van die apparaten niet kunnen duiden. Neem nu de desktop computer. Waarom is dat apparaat ooit ontworpen en met welk doel? Welke stilzwijgende ideeën zijn erin verwerkt en wat zijn de effecten daar nu nog van op ons leven? Het is tijd voor een ingrijpende verandering van de wijze waarop we dagelijks met apparatuur  omgaan.

Een desktop computer bestaat uit een beeldscherm, dat meestal vierkant is, maar de laatste tijd steeds vaker rechthoekig. Meestal is er een aparte kast waarin de eigenlijke computer zit (die vaak onder het bureau staat), behalve bij de iMac waarbij de computer in het scherm verwerkt zit. Aan de computer hangt een toetsenbord en een muis en eventuele randapparatuur. De naam zegt het al: desktop, dit apparaat is bedoeld voor het bureau. Je zit recht op je bureaustoel voor je scherm. Muis en toetsenbord en het grafische besturingssysteem (Windows of MacOS) zijn er voor gemaakt om snel en efficiënt de juiste applicaties te kunnen vinden: een tekstverwerker, spreadsheet, emailprogramma of internetbrowser.

De desktop computer is primair bedoeld voor werk. Kantoorwerk, zoals we dat gewend zijn in onze op productie gerichte cultuur. De rechte positie voor het beeldscherm neemt weinig plek in (je gaat efficiënt om met ruimte) en het is ook een houding die geconcentreerde alertheid symboliseert. Zoals in het klassieke klaslokaal kinderen recht achter hun tafel zaten met het gezicht gericht naar de meester of juffrouw, zo kijken we nu recht naar ons scherm.

Schermen zuigen. Als je in een kamer bent met een televisie daarin, dan dwalen de ogen gemakkelijk naar de beelden af. Computerschermen hebben haast nog wel een sterkere zuigkracht. Het geluid van de inkomende email is als het marsritme van de trommelaar, die ooit in de galeien het tempo van de arbeid aangaf. Die trommelaar is al lang niet meer nodig, via de mail zijn we allemaal elkaars trommelaars geworden. Of een scherm nu vierkant of rechthoekig is, er wordt iets afgesloten. Zoals de ruimte waarin je verkeert invloed heeft op je gedachten -als je loopt door een uitgestrekt weiland dan voelt dat anders dan als je in een kleine kamer zit- zo heeft ook de virtuele ruimte invloed. Het scherm levert een onmiddellijke beperking van de creativiteit, het slurpt de ruimte leeg.

Een desktop bevat dus de waarden van concentratie, discipline, alertheid, arbeidzaamheid. Het zijn de waarden van een ouderwets kantoor in een hiërarchische organisatie, de waarden van het Taylorisme, waarbij het maximaliseren van de productie voorop stond en eigen inbreng op zijn zachtst gezegd niet op prijs gesteld werd. De desktop leert je je plek kennen. Het hypnotiseert je zodat je blijft waar je bent.

RSI is een logisch bijeffect van deze gestolde werkfilosofie. Taylorisme maakt mensen tot apparaten, tot verlengstukken van dingen, in plaats van dat het ding het verlengstuk van de mens wordt. RSI is denk ik een onbewust protest tegen deze onnatuurlijke staat van disciplinering. Het wonderlijke is dat de oplossingen die meestal gezocht worden voor RSI juist een versterking zijn van de condities die eigenlijk de diepere oorzaak vormen. Mensen leren nog rechter te zitten, ze krijgen allerlei verhogingen en armsteuntjes die de mens als het ware steeds dichter tegen de computer ‘aanketenen’. Nog meer apparatuur om zo efficiënt mogelijk gebruik te maken van de spieren. Ergonomische toetsenborden lijken dichter bij de fysiek van mensen te staan, maar veranderen niets aan de dieperliggende filosofie achter de apparatuur.

Vandaar dat computers thuis lang tot de studeerkamer veroordeeld zijn geweest. Liefst word je in de geborgen ontspannenheid van je huiskamer niet gestoord door een disciplinair medium. Intussen is de computer echter al veel meer geworden dan een apparaat dat je voor werk gebruikt: het is zowel een belangrijk communicatiemedium als een ontspanningsapparaat geworden. De laptop heeft dat allemaal iets doorbroken. Met de laptop kan je onderuit op de bank achter je computer zitten. Toch is ook de laptop nog vooral ontworpen vanuit het oogpunt van werk, van discipline, van snel en praktisch vinden wat je zoekt en het efficiënt communiceren van informatie.

Men spreekt tegenwoordig vaak over de ‘creatieve klasse’, die economisch steeds belangrijker aan het worden is. Die creatieve klasse maakt veel gebruik van computers. Apparatuur die, zoals ik zojuist heb betoogd, nog gebouwd is op basis van verouderde industriële principes, van een Tayloristisch paradigma. Willen we echter een werkelijke doorbraak maken naar een nieuw tijdperk, waarin creativiteit maximaal wordt gestimuleerd, dan is het noodzakelijk na te denken over een geheel ander gebruik van techniek. Techniek die niet disciplineert, maar inspireert. Die geen kaders schept, maar helpt kaders te doorbreken. Die het werkproces niet volgens een vast stramien vormgeeft, maar zich juist plooit naar een creatief proces. De wedloop naar steeds snellere processoren en grotere opslagcapaciteit zal op den duur ten einde lopen, het is tijd dat de industrie zich richt op kwaliteit boven kwantiteit.

Communicatie en intimiteit: hoe apparaten ons veranderen

Wie wel eens een liefde in het buitenland heeft gehad weet misschien waar ik het over heb. Die telefoongesprekken waarin je eigenlijk niets zegt. Je vertelt van alles, luistert wat er gebeurt totdat alles verteld is en alleen de stem overblijft. Een zweem van intiem contact via dat harde apparaat aan je oor. Datzelfde apparaat waarmee je eigenlijk met iedereen belt, waarbij je partner in den verre wordt gereduceerd tot de zoveelste blikken stem.

Deze september was ik aanwezig bij de Picnic-conferentie in Amsterdam en wat bij mij het meeste bleef hangen was een praatje van Stefan Agamanolis van het Distance Lab. Hun doel was het ontwikkelen van ‘Slow Technology’, in navolging van Slow Food. Veel technologie is volgens Agamanolis ‘fast’, zoals ‘fast food’ dat is. Denk aan een mobiele telefoon. Je gebruikt hem overal en altijd. Je kunt hem gebruiken terwijl je andere dingen aan het doen bent (multitasken) waardoor je aandacht verdeeld wordt (vergelijk met een hamburger die je snel op straat opeet), de communicatie werkt overal op de wereld exact hetzelfde (zoals een Bigmac er altijd hetzelfde uitziet). Het team van distance lab had zich proberen voor te stellen hoe een ‘slow’ versie van technologie, bijvoorbeeld communicatie-technologie eruit ziet.

Terug naar de liefde-op-afstand die ik in de eerste alinea beschreef. Eén van de vragen die ze zich hadden gesteld is hoe het mogelijk is om intimiteit terug te brengen in de elektronische communicatie. Het resultaat was een soort van ring waarmee je tekeningen kon maken over een oppervlakte. De communicatietechniek zorgde dat de vingertekeningen naar de andere kant van de wereld werd gecommuniceerd en daar verschenen op het bed of op het lichaam van de partner. Het geheel was gebaseerd op de intieme communicatie van geliefden, die met hun vingers tekeningen maken op het lichaam van de ander. Om een idee te krijgen hoe dat eruit ziet kun je het beste het volgende filmpje bekijken:

Een ander fascinerend idee was om een telefoongesprek weer tot zijn essentie terug te brengen. Alleen maar gesproken woord, zonder enige afleiding. De ouderwetse telefooncel was al een stap op weg naar die communicatie, omdat je niets anders om je heen ziet dan een kaal hokje. Die legt het echter steeds meer af tegenover de ‘snelle’ mobiele telefoon. Het idee was nu om mensen in een zwembad te laten zweven met een soort drijvend bol om hun hoofd, waarin ze konden bellen. Het zwembad was op lichaamstemperatuur zodat er zo min mogelijk prikkels waren. Het effect was dat mensen inderdaad met volle aandacht bij het gesprek waren, veel gebaarden met handen en voeten en de gesprekken een stream-of-consciousness-achtige structuur kregen. Zie hiervoor de volgende video:

Er waren nog meer ideeën, maar wat me aansprak is de wijze waarop technologie geplooid wordt naar de mens in plaats van de mens naar een bepaalde technologie. Dat klinkt raar, technologie is immers altijd een menselijk product, het volgt de behoeften van de mens. Maar gek genoeg kan een apparaat dat is opgezet volgens bepaalde functionele principes ook een eigen leven gaan lijden. Een voorbeeld is de mobiele telefoon. Die is ontwikkeld en bedacht vanuit een filosofie van snelle communicatie, dat je overal en altijd iedereen kan spreken. Maar die snelle communicatie die echoot weer terug naar ons. We gáán ook sneller communiceren, doordat we de beschikking hebben over een toestel dat daartoe in staat is.

Er is dus een tweezijdige relatie tussen mens en artefact. Allereerst schrijft de mens een bepaald systeem in de materie, een systeem dat doordacht is en vaak niet alleen functionaliteit, maar ook een bepaalde norm met zich brengt. Een voorbeeld daarvan is gegeven door de Franse wetenschapsfilosoof Bruno Latour. Een snelheidsdrempel in de weg bevat impliciet een moraal, namelijk dat je rustiger moet rijden in het daarvoor bestemde weggedeelte. Ten tweede bepaalt de materie, het artefact, de mens. De drempel geeft mij de boodschap dat ik te hard rij.

Maar de mens smelt ook samen met de technologie. Een ander voorbeeld van Latour om dat ter illustreren gaat over de discussie in de Verenigde Staten over wapenbezit. Er is een groep die zegt ‘guns kill people’ en een groep die zegt ‘guns do not kill people, people kill people’. De redeneerfout is dat je de mens niet kan scheiden van het instrument. Mensen worden anders van wapens. Iemand met een wapen is een ander persoon dat iemand zonder wapen. Dan ben je namelijk een wapenmens geworden. En wapenmensen vermoorden mensen eerder, dan niet-wapenmensen.

Terug naar de telefoon en de intimiteit op afstand. Als het mogelijk is om waarden in technologie te verstoppen, dan zouden we ons heel erg bewust moeten worden van welke waarden we in welke technologie stoppen. En ook heel praktisch, dat als je kiest om een bepaalde technologie te gebruiken, met de waarden en normen die er in die technologie zijn verwerkt, je je bewust moet zijn van de effecten daarvan. Is het goed om je liefde te reduceren tot een blikken stem? Of tot een msn-avatar op je scherm? Zijn er onbedoelde effecten? En zijn er bepaalde, grotere sociologische effecten van het in gebruik nemen van technologie? Interessante vragen voor de tijd waarin we nu leven. In ieder geval lijkt ‘slow technology’ mij, als is het alleen maar als statement, een welkome aanvulling op bestaande technologieën.

Een schitterende schedel

Fortheloveofgod_2Afgelopen museumnacht was ik één van die gekken die twee uur –of was het meer?- in de rij stond voor die schedel van Damien Hirst. ‘We wachten nog een half uur’ zei de persoon met wie ik het Rijksmuseum bezocht ‘en dan kunnen we altijd nog weg.’. Ik knikte instemmend, al had ik al zo’n voorgevoel dat dat niet ging werken. Als je eenmaal een halfuur gewacht hebt, dan ga je dat niet opgeven. Je hebt immers geïnvesteerd in het evenement. Dat schept meteen al een soort band die het moeilijker maakt om dan nog je biezen te pakken. Bovendien: dan is dat halfuur wachten écht weggegooide tijd.

We bleven dus. Het was wel gezellig in de rij. Als je eenmaal de poort van het museum door was draaide er een dj en kon je eten en drank kopen. De prosecco gaf weer frisse moed. In de museumtuin leek een raar soort tl-buis te staan, waarbij je, wanneer je snel keek en weer wegkeek, een schedel in je ooghoek zag verschijnen. Er kwamen mensen van het museum langs die stickers en folders van de schedel ronddeelden. Iedereen had er zin in om dat geheimzinnige ding te zien. Een platina-doodshoofd bezet met 8601 diamanten.

Eenmaal in het museum stond er nog een rij. Ditmaal zigzag door een tweetal zalen met topstukken van het Rijksmuseum. De Staalmeesters keken streng toe, het keukenmeisje van Vermeer schonk geconcentreerd de melk in en het Joodse Bruidje stak wat bleek af tegen de mouw van haar bruidegom. Maar eigenlijk wilde iedereen dat blingbling-ding van Hirst zien, het moest er maar eens van komen dat we die ‘kutschedel’ eindelijk eens zagen, zoals ik het voorwerp van ons verlangen langzaam begon te verwensen toen de prosecco uitwerkte. Bang dat het flink zou tegenvallen.

Dan is er uiteindelijk dat moment dat we voorin de rij stonden. Eén van de beveiligingsbeambtes gaf een teken: als kinderen stoven we de aardedonkere kamer binnen. In het midden een spotje op het beloofde ding. Een schedel, prachtig mooie ronde vorm, echte tanden. Maar glimmend in alle denkbare kleuren. Een agressief soort flonkering, met kleuren die net iets mooier zijn, net iets harder dan alle verftinten op de meesterwerken in de zaal daarvoor. Bijna wulps, trots grijnzend staart de schedel je aan. Geen memento mori, eerder het tegenovergestelde is het effect. Niet ‘alles is ijdelheid’, maar een ‘ijdelheid is alles’.

De schedel draagt uit dat er eigenlijk niets is ‘achter’ alle uiterlijkheden, de door de cultuur bepaalde waarde van diamanten, platina, status. Zelf bestaat hij namelijk niet meer, op zijn tanden na. Er is alleen nog een platina afgietsel. Zoals de mens altijd een afgietsel is van zijn milieu, de waarden uit zijn omgeving, de verlangens van anderen. Uiterlijkheid, niet alleen in het object zelf, maar in de hele heisa er omheen. De rij, de stickers, de merchandise, de dj. Kunst als ervaring. Zo toont conceptuele kunst wat in meer traditionele kunstvormen soms aan het oog onttrokken wordt door schilderstijl en techniek. De uitroep ‘knap geschilderd’ doet ons wel eens vergeten dat wat knap en artistiek gevonden wordt weer een product is van een verhaal, een mythe die we met ons allen tegen elkaar herhalen en juist daaraan zijn kracht ontleent. Er is geen essentiële kern die het kunstwerk maakt tot wat het is, er zijn slechts woorden, een context. Er zit niets ‘achter’ het kunstwerk.

Onderdeel van de hele ervaring is ook de website die met dit kunstwerk is gelanceerd. Op www.fortheloveofgod.nl wordt commentaar van museumbezoekers (en een paar bekende Nederlanders) verzameld over het kunstwerk. Zo ontstaat mythevorming. Interessant is bijvoorbeeld de reactie van Daphne Bunskoek, die Hirst neerzet als een echte ondernemer, die investeerders zo ver krijgt om hierin te geloven en er een succes van maakte.. wat weer een beetje doet denken aan het ouderwetse ‘knap geschilderd’. Diederik Stols ziet de schedel vooral als een commentaar op het ‘grote graaien’ van deze tijd: hier is het weer een klassiek moralistisch statement geworden. Grappig is het commentaar van Jort Kelder. Van de diamanten begrijpt hij de waarde wel zegt hij, want die zijn schaars, maar van een schedel zijn er al zoveel. Hoe pijnlijk moet het zijn voor marktideologen om te beseffen dat schaarste uiteindelijk een leeg begrip is. Als er een essentie is van cultuur –en dus ook van de waarde die door die cultuur wordt gedefinieerd- dan is het wel ‘gebakken lucht’. ‘Schaarste’ is een poging om vat te krijgen op iets onvatbaars als waarde, maar waarde krijgt alleen maar vaste vorm binnen een gedeeld verhaal. Jeroen Krabbe heeft dat beter begrepen. Damien Hirst heeft ‘glans’ gegeven aan een schedel, daardoor wordt die schedel ‘iets’, zegt de acteur en regisseur. Zoals Hamlet een schedel ook tot ‘iets’ maakt, door er tegen te praten.

En zo is het, besefte ik toen ik na een paar minuten van bewondering de kamer alweer uitliep. De stralende kern waar mijn museumnacht om draaide was gepasseerd, de ervaring was binnen, het gevoel uiterst voldaan.

Voorlichting of billenkoek?

Treurig, al die mensen die kapitalen hebben ondergebracht bij IJslandse banken en daar nu niet meer bij kunnen. Zeker als dat bedrag ligt boven het door de Nederlandse overheid gegarandeerde maximum van een ton. Hele pensioenen die door de pleeg gespoeld worden. Zo ook met al die risicovolle beleggingshypotheken. Er zullen genoeg huiseigenaren zijn die in deze roerige tijden hun adem inhouden.

Maar we weten allemaal: resultaten uit het verleden geven geen garanties voor de toekomst. Als ze nu toch voorzichtiger waren geweest. Iets conservatiever hadden belegd of een spaarhypotheek hadden afgesloten. Niet in zee waren gegaan met banken die enorme rentepercentages hadden aangeboden. Zich niet hadden laten verleiden door hun hebzucht. Eigen schuld, dikke bult zeggen we dan. Je had het kunnen weten, nu moet je op de blaren zitten.

De redenering deed me een beetje denken aan Het prentenboek van tante Pau. Dat is een soort verzamelalbum van 19de eeuwse moralistische prenten. Op een angstaanjagende manier werd kinderen destijds duidelijk gemaakt dat ze zich netjes moesten gedragen. Zo ging er een soort strip over een meisje dat op haar duimen zoog. Die kreeg voor straf een heel eng mannetje op bezoek die met een grote schaar haar duimen afknipte. Een huilend meisje bleef over zonder duimen. Een harde les was geleerd.

Het lijkt alsof het economisch systeem van de markt nu een beetje werkt zoals dat enge mannetje. De onzichtbare hand van de markt is vooral ook een bestraffende. Hij geeft billenkoek aan allen die onvoorzichtig zijn geweest. Daarom willen de echte neoconservatieven ook niet teveel overheidsingrijpen. Anders leren die stommelingen het nooit. Er dient gestraft te worden en de markt heeft weer eens laten zien excellent te kunnen straffen.

Vanuit die opvoedingsmetafoor kun je echter ook vragen stellen bij die denkwijze. Want een verantwoordelijke ouder zal zijn kind zeker niet overdreven beschermen, maar ook weer niet blootstellen aan de grootste gevaren. Je hebt liever niet dat je kind met een ijzerdraadje in het stopcontact gaat prutsen om erachter te komen dat dat niet verstandig was. Liever wil je een kind van tevoren bewust maken van dat soort gevaren. Daar heb je ook een klassiek verschil tussen links en rechts te pakken. Links wil voorkomen dat mensen in de criminaliteit geraken, rechts wil vooral harder straffen. Links wil met een verzorgingsstaat economische risico’s voor burgers minimaliseren. Rechts hamert eerder op ‘eigen verantwoordelijkheid’. Links werkt ex ante, rechts ex post. De zorgende moeder en de straffende vader, zoals het cliché luidt.

De laatste jaren kenden we in Nederland van overheidswege de ‘financiële bijsluiter’ om mensen te waarschuwen voor risico’s van bepaalde financiële producten. Een typische ex ante-gedachte. Proberen door middel van voorlichting het leed vóór te zijn. Tegelijkertijd zijn de mogelijkheden om grote risico’s te lopen voor burgers enorm toegenomen. En het financiële advies is zo geïndividualiseerd en gericht op de behoeften van klanten, dat van enige voorlichtende werking weinig sprake is. Dat heeft geleid tot een soort van ‘waardenrelativisme’ met betrekking tot sparen en beleggen.

Bij beleggingsadviseurs moet je vaak een test invullen om te zien wat voor soort ‘beleggingstype’ je bent. Of je van nature risico’s neemt of niet. In plaats van mensen te behoeden voor het risicovol gedrag dat blijkbaar in hun aard zit, worden ze daar door dit soort testen echter juist in gestimuleerd. Want als je risicovol belegt, krijg je  allerlei risicovolle producten voorgeschoteld. Je belegt op een wijze die bij je past, maar je krijgt nooit te horen of het nu verstandig of onverstandig is wat je doet. Ook hebben adviserende sites als Independer.nl banken als het IJslandse Landsbanki juist aangeraden aan de sparende consument. En zonder dat advies red je het als leek ook al niet in de wereld van ondoorzichtige en complexe financiële constructies. Best hoor, eigen verantwoordelijkheid, maar in een dergelijke omgeving wordt het de burger wel erg moeilijk gemaakt.

Matigheid, voorzichtigheid, prudentie zijn waarden die juist in een geïndividualiseerde maatschappij duidelijker van overheidswege moeten worden gecommuniceerd. Geen relativisme meer, maar een ondubbelzinnige keuze voor verstandige boven minder verstandige manieren van beleggen. Net zoals er een gezonde en een minder gezonde manier van leven is. De keuze voor het individu blijft vrij, maar als maatschappij geven we wel degelijk een voorkeur aan. Voorlichting over financiële producten zou alleen via een onafhankelijk, niet op winst gericht instituut gegeven moeten worden en niet worden overgeleverd aan de markt.

Tenslotte moeten we ook van mensen op hooggeplaatste posities enige verantwoordelijkheid kunnen verwachten. Niet alleen ambtenaren, ook de topmanagers van grote ondernemingen hebben een maatschappelijke verantwoordelijkheid. De schandalige salarissen en extreme bonussen geven geen andere boodschap dan dat hebzucht de norm is en dat je op korte termijn kan cashen en er nog mee wegkomt ook. Soms wilde je dat er toch nog ergens een eng mannetje was, zoals in het prentenboek van tante Pau, die de grote graaiers bij de kraag greep. Want waarschijnlijk gaat het straffende mannetje van de markt volledig aan hen voorbij.

De ideale man

De ideale man volgens vrouwen. Het blijft een hot topic. Eind augustus zond de VPRO een mooie  documentaire uit over het onderwerp. Het waren vrouwen en wetenschappers die aan het woord kwamen. Vooral vrouwen.

Het is ook wat. Na de tweede feministische golf zijn vrouwen zelfstandiger geworden. Kunnen ze in hun eigen onderhoud voorzien. De man is niet meer nodig om te voldoen aan de materiële wensen. Er is ook niet echt een schaarste aan mannen. Vrouwen kunnen dus kiezen wat ze willen, een beeld construeren waar ze naar verlangen. Het grappige is dat al die beelden die ontwikkeld worden weinig zeggen over mannen en veel over vrouwen. Over de worsteling van de ‘tweede sekse’ om zich in de positie te manoeuvreren van de persoon die kijkt. ‘Kijken’ vergt namelijk een totaal andere positionering dan ‘bekeken worden’. Daarmee hinkt de psychische en sociale emancipatie nog achter de materiële emancipatie aan.

Dat de vrouw de ‘tweede sekse’ was in de maatschappij wist Simone de Beauvoir al. Vrouwelijkheid en mannelijkheid zijn in de westerse cultuur eeuwenlang niet gedefinieerd geweest als evenwaardige polen. De vrouw was eerder een afgeleide van de man, een niet-man. Zij werd aangeduid met de achternaam van de echtgenoot of die van haar vader. Zij stond ‘achter’ haar man, regelde het huishouden en steunde hem in zijn publieke leven. Zelf nam ze enkel deel aan het openbare leven als functie van de man, ‘de vrouw van’. De vrouw had dus geen zelfstandig bestaan in het symbolische weefsel van de samenleving. Haar plek, haar rol, werd gedefinieerd door de eerste sekse.

De man was degene die keek naar de vrouw. Die vertelde hoe ze moest zijn. Dat ze onderdanig moest zijn en zorgzaam. Kuis en trouw. Liefdevol en gevoelig. Zag de man zichzelf als een jager, dan was de vrouw de verzamelaar. Zag hij zichzelf als van nature overspelig, dan was zij kuis. De man was altijd de instantie die keek en zijn blik definieerde alles. De man was het individu, de vrouw had geen zelfstandig bestaan.

De Franse psychoanalyticus Jacques Lacan noemde de vrouw in onze huidige cultuur daarom de Andere sekse.  In zijn ogen gold dat niet alleen vanuit het oogpunt van de man, maar ook vanuit het oogpunt van de vrouw zélf. Daarom bestond homoseksualiteit voor vrouwen volgens hem ook niet. Als vrouwen vallen op andere vrouwen dan is dat alleen maar normaal in een cultuur, waarin de vrouw gedefinieerd is als de Andere sekse. En inderdaad: op de cover van een typisch mannenblad vind je vrouwen. Bij een typisch vrouwenblad vind je daar… ook vrouwen. Mannen sieren toch vooral de covers van bladen voor homoseksuele mannen (waarbij ik overigens niet net als Lacan wil zeggen dat homoseksualiteit bij vrouwen niet bestaat!)

Nu er materiële en grotendeels juridische gelijkheid tussen mannen en vrouwen is in onze samenleving, heeft dat nog niet tot gevolg gehad dat vrouwen de positie van de observeerder hebben aangenomen. In de bovengenoemde documentaire van de VPRO merk je dat vrouwen daarmee worstelen. Eigenlijk willen ze graag de ideale man definiëren, zoals mannen ooit hen hebben gedefinieerd. Het vreemde is, dat het formuleren van een ideaalbeeld niet zonder consequenties is. Mannelijkheid is net zo min als vrouwelijkheid een onveranderlijke essentie. Toen in de jaren zeventig de ‘softie’ het vrouwelijke ideaal werd, waren er ook mannen die zich daadwerkelijk zo gingen gedragen. Het was niet zo dat die softies altijd al hadden bestaan en nu toevallig in de schijnwerpers kwamen te staan (al zullen er allicht een paar geweest zijn), softies werden gemaakt. Dat is eng.

De afkeer van de softie en later van alle verschillende modellen van mannelijkheid (macho, metro, über) heeft daarom misschien wel te maken met een soort van Dr. Frankenstein-gevoel bij vrouwen, met het besef dat ze als vrouw dan echt in de subject-rol gaan zitten en de man een object-rol aanneemt. Het griezelige idee dat de wereld meebeweegt met je daden, dat de auto ook echt gaat rijden als je het gaspedaal induwt. Object-zijn, een afgeleide factor zijn, is –met alle nadelen- ook wel fijn en voorspelbaar. Je weet waar je aan toe bent. Je plooit je naar zijn verlangen. Maar zelf willen, verlangen, eisen heeft een performatieve dimensie, je verandert de wereld om je heen door het te doen. Bovendien: een man die ineens gaat voldoen aan de eisen die je aan hem stelt, is dat aantrekkelijk? De ontzettende wispelturigheid en grote doorloop van de masculiene modebeelden is ook een teken van ambivalentie: vrouwen willen een bepaalde ideale man en tegelijkertijd moet die man fier in zijn subjectpositie blijven staan, zoals altijd, en onverschillig zijn voor de vrouwelijke verlangens.

We gaan langzamerhand toe naar een samenleving waarin beide seksen zowel subject als object kunnen zijn. We kijken naar elkaar, definiëren elkaar. Soms plooien we ons naar de wensen van de ander, soms plooit de ander zich naar onze wensen. Dat is uitermate verwarrend, niet alleen voor vrouwen. Er bestaan tegenwoordig ‘mannelijkheidscursussen’ waar mannen leren ‘weer’ man te zijn. Een (gezien vanuit de klassieke man-vrouw verhoudingen) paradoxaal  fenomeen, want wat is er passiever dan jezelf om te vormen naar een bestaand ideaal? Tegelijkertijd is er een beweging die zekerheid zoekt in biologisch onderzoek, in de structuur van de hersenen. Via deze reductionistische aanpak, waarin complexe culturele verschijnselen worden teruggeredeneerd naar het niveau van neurologische verschillen, probeert men grip te krijgen binnen een samenleving waarin alles onzeker is geworden.

Werkelijke emancipatie heeft tot gevolg dat de maatschappij terecht komt in een vorm van flux. In een voortdurende verandering en daarmee gepaard gaande onzekerheid. Op microniveau vertaalt het zich in de dwalende single, die niet meer weet wat hij of zij wil of zoekt in een partner. Waarschijnlijk moeten we ons ermee verzoenen dat deze staat van voortdurende verandering een constante zal blijven. Zoals de economie constant anders wordt en de baan voor het leven voorbij is, en steeds meer mensen flexibel hun eigen weg kiezen, zo zijn ook onze verlangens en ideeën over de andere sekse aan een doorgaande verandering onderhevig. Het verlies aan oude zekerheden hoeven we niet te betreuren, want we hebben er veel vrijheid voor teruggekregen. Het is alleen een spel waar we nog niet helemaal aan gewend zijn. En daarmee blijft de fascinatie voor vrouwelijkheid, mannelijkheid en de relaties daartussen, bestaan.

Waarom ik graag voor andermans kinderen betaal

KinderenEen vriend van mij is recentelijk vader geworden. Eigenlijk is hij de eerste in de vriendengroep uit mijn studententijd die een kind op de wereld zet. Niemand van ons heeft tot nu toe die stap durven wagen. Want ook al wil het cliché dat je ‘er zoveel voor terug krijgt’, iedereen weet dat je voor kinderen ook heel veel moet laten. Zorg voor kinderen vreet tijd en energie. Voor mannen én vrouwen, al vergt het nog iets meer van vrouwen, zeker als ze borstvoeding geven. En dan is er nog de financiële investering. J/M magazine rekende ooit uit dat een kind tot zijn twaalfde jaar bijna een ton kost. Tussen twaalf en achttien kost een kind nog eens bijna een halve ton. Als een kind na zijn achttiende gaat studeren komt daar weer 22.000 Euro bovenop. Dat is veel geld.

Al die tijd en dat geld kun je ook in andere dingen stoppen. Mensen die bewust geen kinderen nemen zijn vrijer, ze kunnen vaker op vakantie, hebben veel meer tijd voor zichzelf om uit te gaan en plezier te maken. De keuze om kinderen te krijgen is daarom moeilijk. Je vraag je af: red ik het wel? Wil ik dat eigenlijk allemaal wel opgeven? Gelukkig investeert de overheid een beetje in ouders die kinderen willen. Je krijgt kinderbijslag, al is het een fooi op de totale kosten van een kind. Kinderen zijn tot hun tiende gratis verzekerd voor ziektekosten. De overheid draagt bij in de kosten van de kinderopvang. Vrouwen kunnen betaald verlof opnemen, al is het oneerlijk dat mannen dat niet kunnen. Eigenlijk zou de overheid veel meer moeten investeren, want de keuze voor een kind is zo existentieel, dat je er niet door financiële overwegingen van afgehouden zou moeten worden.

Volgens een persbericht dat J/M Magazine vandaag publiceerde vindt driekwart van de bewust kinderloze ouders dat mensen die kinderen krijgen, de lasten zelf maar moeten dragen. Ik begrijp niet waar deze mensen zich druk over maken. Waar die rancune vandaan komt.  En dat terwijl ik wel degelijk kinderloos ben, al is het dan niet uit principe. Kinderen krijgen mag een individuele keuze zijn, die kinderen zijn voor ons kinderlozen wel mooi meegenomen. Zij moeten namelijk over twintig jaar onze vergrijzende verzorgingsstaat betalen. Zij moeten straks onze billen wassen als we oud en hulpbehoevend zijn. Dus er valt best wel wat voor te zeggen om door financiële regelingen de keuze voor kinderen, voor mensen die toch wel kinderen willen, gemakkelijker te maken. Sterker nog, dat mag wel een tandje meer. In Zweden en Denemarken doen ze dat beter.

Die bewust kinderlozen doen zo vreselijk moeilijk. Ze blijven maar doorzeuren over die jankende en krijsende kinderen, die de supermarkt onveilig maken en die alle aandacht stelen op verjaardagsfeestjes. Wees blij dat je dat gekrijs niet de hele dag hoeft aan te horen! Die kinderen moeten er toch komen, one way or another, als deze maatschappij wil voortbestaan. Waarom dan niet blij zijn dat anderen dat voor je oplossen? En mogen ze daar dan alsjeblieft wat financieel voordeel van hebben?

Want er zijn ook nog meer argumenten te bedenken dat het krijgen van kinderen meer is dan een individuele keuze waarbij je ‘zelf dan maar voor de kosten moet opdraaien’. Als die kinderen er toch komen, dan willen we ook dat ze opgroeien in een veilige omgeving, dat ze goed onderwijs krijgen en de middelen krijgen om zich geestelijk én lichamelijk te ontwikkelen. Ouders die geen sportclubs kunnen betalen, geen computer om mee te leren omgaan kunnen aanschaffen of die door een gebrek aan middelen niet vaak buiten de deur komen maken het leven voor het opgroeiende kind er niet beter op. Om in de toekomst leerachterstanden maar ook criminaliteit te voorkomen is een bepaalde minimumlevensstandaard nodig. Bij de lagere inkomensklassen kun je daar voor zorgen door middel van allerlei maatregelen, van tegemoetkomingen voor kinderopvang (gratis crèches bijvoorbeeld, tot allerlei fiscale regelingen. Dat is dus niet alleen in het individuele belang van ouders, maar in de toekomst voor de samenleving als geheel. We moeten zoveel mogelijk streven naar gelijke startkansen: dat is in het belang van ieder individu. Omdat het eerste levensjaar van kinderen cruciaal is, is het daarom ook niet gek om in de ouders te investeren.

Keuzevrijheid en kansengelijkheid, daar gaat het dus om. Niemand mag vanuit financiële motieven afzien van zo’n belangrijke keuze in zijn of haar leven. En alle kinderen verdienen een jeugd vrij van armoede. Ook mag het nooit een voorrecht van de rijken worden, om kinderen te nemen. Als kinderloze gun ik het daarom ouders, dat een gedeelte van het inkomen dat ik via belastingafdracht afsta aan de overheid, bij hen terecht komt. Niet alleen maar uit altruïsme of vanuit principe, maar ook omdat ik er zelf uiteindelijk profijt van heb. Laat die vriend van mij maar lekker luiers verschonen.

Over dit onderwerp heb ik vanmorgen gedebatteerd met Sander Simons tijdens het programma De Frontlinie van BNR.

(Bron van de foto: tico_bassie op flickr.com)