De fantasieloosheid aan de macht: het kraakverbod

Wat is het toch dat me zo irriteert aan het kraakverbod dat woensdag door de Eerste Kamer heen werd getild? Ik ben zelf nooit kraker geweest, heb noch de noodzaak gehad noch de behoefte gevoeld om mij een leegstaand pand toe te eigenen. Ik weet ook niet of kraken politiek gezien het beste antwoord is op problemen als de woningnood, al is het natuurlijk schrijnend dat er soms hele panden jarenlang leegstaan terwijl een straat verderop mensen geen huis kunnen vinden. Nee, het was iets anders. Het kraakverbod is een symptoom van een Nederland dat steeds verder overwoekerd wordt door een fantasieloze vermarkting van het sociale leven.

Een voorbeeld. De enige momenten dat ik ooit in kraakpanden kwam was tijdens uitgaan. In dat soort panden had je namelijk de leukste technofeestjes. De entree, de garderobe en het drinken waren spotgoedkoop, de zalen waren vaak gedecoreerd met gezellige creatieve knutselwerkjes van de krakers zelf, de muziek pompte en vaak heerste er een gemoedelijke, open sfeer. In de jaren negentig waren dat prettige plekken om te vertoeven, ook voor niet heel kapitaalkrachtige studenten. Ze ademden een vrijheid en ontspannenheid die je tegenwoordig maar zelden tijdens openbare feesten ziet.

Kijk eens naar de grote dancefestivals van tegenwoordig. Bijna allemaal zijn ze commercieel van aard. De entreeprijzen zijn astronomisch, Grolsch, Red Bull en Bacardi sponsoren de drankjes, eten en drinken zijn ontzettend duur, de individuele danstenten worden ook zelf weer gesponsord door weet ik wat voor merken, je wordt voortdurend op je vingers gekeken door ingehuurde kleerkasten van een beveiligingsbedrijf: achter werkelijk alles lijkt een businessmodel te zitten. Er is nauwelijks nog een feestje te vinden dat opgezet wordt door mensen die simpel plezier willen maken en een passie hebben voor muziek, zonder winstoogmerk. De hele festivalscene is zo geprofessionaliseerd dat de verschillende festivals ook nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Overal kun je diezelfde melige pannenkoeken eten, de Thai curry of het verschrikkelijke broodje beenham.

Kraakpanden zorgden jarenlang voor een omgeving in de Nederlandse cultuur waar mensen samen met iets bezig konden zijn zonder dat er geld aan verdiend moet worden. Een kleine liberated territory waar iedereen naartoe kon gaan om te ontspannen en te genieten van creativiteit en diversiteit, niet om als een kudde afgematte hamsters door een commerciële tredmolen heen gedreven te worden. Dat gold niet alleen voor dancefeesten, vooral ook theater en andere kunstvormen bloeien in het kraakmilieu. Door het kraakverbod wordt mij dat allemaal afgenomen. En dat is een enorm gemis. Het is niet alleen het kraken dat op deze manier verloren gaat, het is een sfeer van openheid en experiment, van echte innovatie, die gesmoord wordt in een overgecontroleerd Nederland dat blijkbaar alleen nog kan recreëren en pleziermaken in een volledig voorgekauwde commercieel gebrande omgeving.

Zijn motieven liggen thuis

 Dit opiniestuk van mijn hand stond gisteren in nrc.next

„Mijn motieven liggen thuis. Als ik door zou gaan en premier zou worden na 9 juni, zie ik mijn eigen kinderen niet opgroeien. Dat is het me niet waard. De politiek eist een zware tol van je privéleven.” Aldus ex-PvdA-lijsttrekker Wouter Bos afgelopen vrijdag, toen hij zijn afscheid van de politiek aankondigde. Een dag eerder trad de gedroomde kroonprins van het CDA, Camiel Eurlings eveneens om privéredenen terug uit de Haagse burelen. Wellicht wil hij, zesendertig jaar jong, een gezin stichten. Mannen die (bijna) op de top van hun carrière zijn, kiezen anno 2010 ineens voor hun relatie en gezin: wat is er met hen aan de hand?

Inderdaad is er iets veranderd in de politiek en ook in de rest van de samenleving. Probeer je even voor te stellen dat een politicus als Ruud Lubbers zou terugtreden omdat hij zich meer wil wijden aan zijn ‘privéleven’. Of Wim Kok. Of Dries van Agt. Dat was een heel ander soort mannen. Ouderwetse, degelijke kostwinners die ongetwijfeld hun kinderen nooit zagen, maar dat accepteerden als onderdeel van hun roeping als carrièreman. Voor hen zelf lag slechts  één kurkdroge mogelijkheid van ontplooiing open: succes op het werk.

Deze beperkte keuzevrijheid werd in stand gehouden door een opgelegde mannelijkheidsnorm.  Een man die kiest voor zijn gezin werd door andere mannen (en vrouwen!) uitgemaakt voor een watje of een slappeling, een zacht eitje, een treurige, ruggegraatloze humptydumpty die onder de plak zit. Het betekende uitstoting van de apenrots.

Het hield ook min of meer een einde in van zijn professionele loopbaan, want op een later tijdstip het werk weer oppakken met dat stigma van ambitieloze softie was natuurlijk moeilijk. Mannen moesten kostwinners zijn en lineair carrière maken – zonder onderbrekingen. Een ‘gat’ in je cv was geen aanbeveling.

Moderne mannen als Wouter Bos en Camiel Eurlings, laten we ze mannen 3.0 noemen, willen echter meer keuzevrijheid in hun leven en durven daar ook voor uit te komen. Langzaam veranderen de maatschappelijke opvattingen over wat een zinvol en waardevol leven is voor een man. Dat wordt niet meer gedefinieerd door professioneel succes alleen, maar ook door succes op persoonlijk gebied: vriendschap, relaties en kinderen.

Het is goed dat Eurlings en Bos zo helder zijn over hun motieven om met het politieke werk te stoppen, omdat ze zo een voorbeeldfunctie vervullen voor andere mannen die graag een periode van hun leven aandacht willen geven aan hun geliefde en kinderen. Ze brengen het koor van conservatieve mannen die de keuzevrijheid van andere mannen uit rancune willen beperken, tot zwijgen.

Dat is hard nodig, want deze maatschappij is nog altijd ingericht op het klassieke lineaire kostwinnersmodel. Mannen worden nog maar al te vaak aangekeken op hun verlangen om deeltijd te werken – net zoals dat vrouwen erop worden aangekeken als ze fulltime willen blijven werken wanneer ze moeder worden. 

Hopelijk zullen nu ook werkgevers gaan beseffen dat moderne mannen en vrouwen zelf hun levensloop willen plannen en dat dat niets te maken heeft met ambitieloosheid of karakterzwakte. Integendeel, een keus voor het gezin getuigt van durf en zelfverzekerdheid in een tijd dat dit nog altijd niet algemeen geaccepteerd is.

Update: Onbehagen van de man

Ik twitter tegenwoordig zoveel, dat ik vergeet te bloggen. Goed, ik zal nog even opsommen wat relevant is.

  • Vorige week donderdag was ik te gast in Obalive, gepresenteerd door Jurgen Maas.. Je kunt de uitzending hier bekijken (jawel, een radio-uitzending is tegenwoordig te bekijken). Ik was in het laatste kwartier van dit uur aan de beurt.
  • Gisteren stond ik in de Volkskrant (bijlage) met een heel mooi interview.
  • Ik was vandaag te beluisteren op BNR Nieuwsradio (Paul van Liempt). Je kunt het interview hier terugluisteren.
  • Vanavond heb ik om 19:00 een lezing ism de stichting Aknarij in de bibliotheek van Bos en Lommer in Amsterdam.
  • Een column van Ruben Maes over mannelijkheid en mijn boek in PM.
  • Ik sta met een interview in de Vrij Nederland die net uit is (21 november 2009).
  • Er komt een interview met mij in Intermediair.
  • .. en meer, maar dat laat ik ter zijner tijd horen!

Oh ja. Volg me op twitter voor het laatste nieuws: twitter.com/DylanvR.

Boekpresentatie / Women Inc debat gisteren

Dsc_0260_3

Bovenstaande is een korte impressie van het debat dat ik gisteren tijdens mijn boekpresentatie had met Andreas Kinneging. Het geeft ook wel goed weer hoe ik die avond beleefd heb. Een interessant en roerig debat met één van Nederlands meest vooraanstaande neoconservatieven.

Dsc_0271_3

Ja, dat ben ik. Achter de kansel.

Dsc_0282_3

.. en het eerste exemplaar van mijn boekje reikte ik uit aan Arie Boomsma.

Met dank aan Francien Jonge Poerink voor de foto’s.

Meer foto’s van maandag zijn te vinden op de site van Women-inc.

Het onbehagen van de man: update

De laatste weken zijn zo hectisch dat ik er nauwelijks aan toe kom om iets te schrijven voor mijn weblog, of om zelfs maar een update te geven van de komende activiteiten met betrekking tot mijn boek. Hierbij dan op een rij:

  1. Allereerst natuurlijk de boekpresentatie van Het onbehagen van de man op 16 november. Die heb ik samen met mijn uitgeverij Augustus en Women Inc georganiseerd in combinatie met een debat (‘was will der mann?’). Daar zijn een aantal interessante gasten aanwezig, onder wie Hoogleraar Rechtswetenschap en vooraanstaande neoconservatief Andreas Kinneging, waarmee ik de (verbale) degens zal gaan kruizen. Aan KRO presentator Arie Boomsma zal ik het eerste exemplaar van mijn boek uitreiken, dat vanaf die datum in de winkels zal liggen. En er komen meer interessante gasten: initiatiefnemer van het manifest Papaplus Rutger Groot Wassink, Ondernemer Orville Breeveld, Hoofdredacteur IkVader.nl Henk Hanssen en pionier Hans Faddegon. Het belooft een interessante avond te worden over (hedendaagse) mannelijkheid en mannenemancipatie.
  2. 19 november zal ik een lezing houden uit Het onbehagen van de man in de bibliotheek van Bos & Lommer, een activiteit georganiseerd door de stichting Aknarij.
  3. In het maandblad Opzij van deze maand staat een voorpublicatie uit ‘Het onbehagen van de man’.
  4. In november en december zullen diverse damesbladen, waaronder Elle, Libelle, Red, Mind Magazine en Avantgarde werk van mij of over mijn werk publiceren.

En geheel los van mijn boek en de discussie over mannen stond er in de laatste Waterstof en vervolgens ook op het weblog Sargasso een column van mij met de titel ‘Schop de patatburger uit zijn luie stoel’.

 

Onbeholpen mannelijkheid

Sommige kerels kunnen er gewoon niets aan doen. Die rekken zich uit in hun rafelige t-shirt terwijl ze nietsvermoedend de natte zweetplekken onder hun oksels aan de wereld tonen. Het zijn het soort mannen dat altijd een beetje stinkt, omdat ze nooit deodorant of ook maar aftershave gebruiken. Niet uit een of ander principe, het komt gewoon niet bij ze op. Hetzelfde soort mannen trekt onder een pak altijd de verkeerde – veel te lompe -schoenen aan, of duidelijk afwijkende sokken. Laat ik het de onbeholpen man noemen.

Er zullen er zijn die deze onbeholpenheid typisch mannelijk noemen. Het ligt echter iets ingewikkelder. In een onderzoek van Discovery naar de mindsets van de moderne man komt naar voren dat deze zich steeds bewuster is geworden van het belang van een goed verzorgd uiterlijk. Dat uiterlijk opent deuren voor hem, zowel in zijn carrière als in zijn liefdesleven. Het wordt echter nog steeds niet van mannen verwacht – alle hypes rond de metroman ten spijt – dat ze zich om hun uiterlijk bekommeren. Sterker nog: een dergelijke houding wordt gezien als onmannelijk en feminien. Om aan die tegengestelde verwachtingen te voldoen schipperen veel mannen een beetje. Ze zijn wel degelijk met hun uiterlijk bezig, weten precies wat kan en wat niet kan, maar zullen dat niet zo snel aan anderen laten merken.

De onbeholpenheid van sommige mannen rond uiterlijke verzorging heeft eerder te maken met sociale achtergrond. Even doorvragen bij een aantal van deze zweterige, onwelriekende mannen leverde mij al gauw de informatie op dat zij niet alleen geen deodorant of eau de toilette gebruiken, maar ook hun vaders niet. Voor hun gevoel was het daarom iets geks om dat te doen, iets wat niet bij een man hoorde. Geen gecultiveerde ongecultiveerdheid dus, zoals bij zoveel andere mannen, maar een echte, originele, authentieke onwetendheid rond persoonlijke hygiëne en verzorging. Het viel me ook op dat dit soort mannen meer dan gemiddeld opgegroeid zijn buiten de grote steden en forenzencentra.

Zelf vond ik het gebruik van aftershave juist uiterst mannelijk. Mijn vader had altijd een zweem van geur om zich heen en als jongetje associeerde ik dat met volwassen worden. Echte mannen schoren zich ‘s morgens in hun hemd voor de spiegel en besproeiden zichzelf dan rijkelijk met aftershave, zodat ze de uren daarna die milde zweem van mannelijke lucht om zich heen hadden. Een man die geen aftershave draagt was in mijn ogen daarom een soort… jongetje. Onvolgroeid en een beetje naïef.

Hetzelfde gevoel heb ik als een man duidelijk ruikt naar een goedkope aftershave of deodorant. Een man die penetrant ruikt naar Axe straalt een proletarische onbeholpenheid uit, even belegen als de in drie dagen-oud frituurvet klaargemaakte gehaktstaaf die hij waarschijnlijk in de voetbalkantine heeft genoten van hetzelfde sportcentrum waarin hij de deo heeft opgedaan. Daartegenover gruwel ik van het zachte roze yoghurthuidje dat je wel eens ziet bij rijke mannen uit het Gooij en dat het resultaat is van diverse bezoekjes samen met vrouwlief aan een peperduur wellness-centrum. Je ziet ze al liggen met hun dikke buiken en witte handdoeken naast het zwembad. Helemaal jeuk krijg ik van de afgetrainde sportschoollichamen van Men’s Health lezende metroseksuelen, die zo leven in een wereld van lichamelijkheid en gezondheid dat alle andere dingen in het leven volledig blijken te verbleken.

Tot zover mijn eigen kleinburgerlijke vooroordelen. Het maakt maar weer duidelijk hoe divers opvattingen en verwachtingen zijn over mannelijkheid. Wat je beleeft als ‘mannelijk’ is heel erg afhankelijk van de sociale laag waar je vandaan komt en de mensen waar je nu mee omgaat. Een diepe grondstructuur van wat onder ‘mannelijk gedrag’ verstaan wordt is voor het grootste deel afwezig. En dat is maar goed ook, want het geeft iedere man ook een klein beetje vrijheid om zijn eigen keuzes te maken, zijn eigen mannelijkheid te creëren, zonder zich al teveel te hoeven aantrekken van zijn omgeving. Want, om het even clichématig uit te drukken, op ieder potje past een dekseltje. Het is wonderlijk, maar de onbeholpen mannen waar ik mee begon, vinden vaak bijpassende vrouwen: zonder parfum, make up of hoge hakken.

Tomtomloze beroepstrots

Het is alweer een poosje geleden dat ik ergens de taxi moest nemen – ik geloof in Leiden – en dat de taxi-chauffeur niet wist waar hij heen moest. Het probleem bleek te zijn dat hij zijn TomTom in de auto van een collega had laten liggen. We moesten samen met de kaart uitvogelen waar we heen moesten en dat terwijl ik haast had. Je verwacht toch van een taxi-chauffeur dat hij zijn omgeving op zijn duimpje kent?

Fout dus. De taxi-chauffeur die alle straten in zijn stad uit zijn hoofd kent, die de kleine uitvalweggetjes kan dromen, die met je meedenkt en die je een tip kan geven voor een goede kroeg of restaurant is met uitsterven bedreigt. Hij is net zo schaars als de telefonische helpdeskmedewerker die weet waar hij of zij het over heeft of de caissière die weet welke producten de supermarkt verkoopt. Het zijn allemaal mensen die heel goed één ding kunnen, ondersteund door gestandaardiseerde werkprocessen en ondersteunende technologie. Geen duizendpoten zoals vakmensen, winkeliers, reparateurs, kleine middenstanders met een eigen zaak. Mensen die al jaren ervaring hebben in een specifiek vak en die hun werk zichtbaar met liefde doen.

De Amerikaan Matthew B. Crawford schreef een boek over die klasse van kleine ondernemers: Shop class as soulcraft. An inquiry into the value of work. Hij bekritiseert het onderscheid dat veelal gemaakt wordt tussen hoofd- en handarbeid. Jarenlang werden jongeren gestimuleerd om toch maar zo lang mogelijk door te leren want de toekomst – en het beste salaris – lagen bij de hoofdarbeid. Handarbeid betekende namelijk klaargestoomd worden voor de lopende band. Echter, volgens Crawford is het zo langzamerhand niet alleen meer de handarbeid die lijdt onder de toenemende rationalisatie van arbeidsprocessen. Ook veel hoofdarbeid wordt tegenwoordig uitgevoerd in grote, fabrieksmatige onpersoonlijke ruimten waar mensen in kleine cubicles voortdurende repetitieve handelingen uitvoeren op basis van in detail beschreven werkprocessen.

Crawford verwijst onder meer naar Richard Sennett, de Amerikaanse socioloog die in een aantal boeken verwees naar de teloorgang van vakmanschap. Vakmanschap bereik je wanneer je werk goed wil doen, omwille van het werk zelf. Het vereist vaak een grote kundigheid en achtergrond en je moet er een inspanning voor verrichten. Het uitvoeren van het werk geeft je een goed gevoel, je wordt beloond voor je inspanningen. Denk aan het gevoel dat je krijgt als je een maaltijd bereidt met echte ingrediënten die enige bewerking vereisen, in plaats van het bereiden van een maaltijd uit een pakje met voorverpakte en gesneden groenten.

Ook versterkt vakkundige arbeid je identiteit. Doordat je je jarenlang in iets gespecialiseerd hebt kun je het goed en ontleen je daar eigenwaarde aan. De taxichauffeur die al jarenlang rondrijdt en die elk uitvalsweggetje kent voelt zich uniek en is trots op zijn baan. De taxichauffeur die zonder enige kennis behalve een rijbewijs rondrijdt op basis van zijn TomTom voert gewoon handelingen uit om geld te verdienen. Het zal hem echter weinig meer dan geld opleveren: wat voor eigenwaarde krijg je nu van zo’n volstrekt inwisselbare baan?

Het is die inwisselbaarheid, met een eufemisme flexibiliteit genoemd, die een schaduw werpt over veel economische sectoren vandaag de dag. Dat heeft deels te maken met het feit dat voor inwisselbare banen vaak lagere skill-levels noodzakelijk zijn: de taxichauffeur heeft – bij wijze van spreken – aan zijn rijbewijs genoeg. Dat betekent dat de arbeid goedkoper wordt. Ook kunnen hele sectoren naar het buitenland verdwijnen: denk aan de callcenters die massaal worden ge-outsourced naar opkomende economieën als die van India. Maar naast die baanzekerheid heeft deze flexibilisering een negatieve invloed op  het inherente plezier dat mensen aan hun baan beleven en de beroepstrots die ze eraan ontlenen.

Karl Marx maakte destijds een onderscheid tussen concrete en abstracte arbeid. Concrete arbeid is het werk dat geworteld is in een bepaalde context, werk dat niet te scheiden is van de persoon die het doet in zijn specifieke omgeving. Abstracte arbeid daarentegen is gestandaardiseerd in werkprocessen en gekwantificeerd in onpersoonlijke eenheden als manuren. Zodra arbeid geabstraheerd is, zijn minder kundige en dus goedkopere arbeiders nodig en worden die arbeiders ook volstrekt inwisselbaar. Hoe abstracter het werk, hoe minder mensen een verbinding met het product voelen en hoe meer ze dus vervreemd raken van wat ze maken. En omdat datgene wat je doet belangrijk is voor je identiteit, raken mensen ook vervreemd van zichzelf.

Vooralsnog zijn er nog sectoren van de economie die ontkomen aan het regime van toenemende abstractie. Crawford roept mensen op die de behoefte voelen om handarbeid te verrichten vooral op dat te doen, teveel ‘hoogopgeleid’ werk is tegenwoordig bijna even eentonig geworden als lopende band-werk, bovendien zullen goede loodgieters of fietsenmakers voorlopig nog wel even nodig zijn. Maar de groeiende abstrahering van  zelfs de klassieke witteboorden-arbeid en het afnemen van beroepstrots onder invloed van toenemende flexibilisering en globalisering is een te belangrijke ontwikkeling om te negeren. Het verklaart volgens mij een groot deel van het moderne ‘onbehagen’ en het verlangen naar bijvoorbeeld een heldere nationale identiteit. Als je werk steeds minder bijdraagt aan je eigen identiteit, dan ga je dat in andere dingen zoeken.

‘Het onbehagen’ is af!

OnbehagenDaar zat ik dan, de afgelopen maanden met mijn MacBookje tussen een immense stapel boeken koortsachtig te typen. In de dagen dat ik vrij was van mijn werk bij de NPO (ik werk vier dagen) sloot ik me op in mijn Amsterdam-Noordse appartement om te werken aan mijn boek Het onbehagen van de man. Een flinke bevalling, maar ik ben trots op het eindresultaat dat dit najaar bij Uitgeverij Augustus zal verschijnen.

Het is een boek geworden over verschillende vormen van – verondersteld – onbehagen bij de moderne man. De eerste komt van een groeiende groep publicisten en filosofen en mannelijkheidsgoeroe’s die gelooft dat de Nederlandse samenleving de laatste decennia ‘gefeminiseerd’ is geraakt. ‘Vrouwelijke’ normen en waarden zouden prevaleren boven de ‘mannelijke’. ‘Echte mannen’ zouden daar het slachtoffer van zijn. Die mogen geen schuine moppen meer tappen, worden verplicht om voor hun kinderen te zorgen en minder te werken en moeten zich plotseling sensitief gaan opstellen.

‘Ach gut’ dacht ik.

In mijn ogen zijn moderne mannen namelijk vrijer dan ooit. Het klassieke keurslijf van mannelijkheid – alle gevoel behalve agressie onderdrukken, voortdurend de bikkel, het haantje moeten uithangen, de obsessie met status – is veel minder knellend geworden. Dat betekent niet dat mannen van nu zachte eitjes zijn. Integendeel, ze zijn krachtiger, onafhankelijker, zelfbewuster dan hun vaders en grootvaders.

Maar er is een tweede vorm van onbehagen dat wel degelijk relevant is. Dat is dat veel mannen vrijer in hun hoofd zijn dan de maatschappelijke instituties. Die instituties zijn namelijk nog vormgegeven op basis van een volkomen gedateerd kostwinnersmodel. Volkomen belachelijk dat vrouwen zestien weken zwangerschapsverlof hebben en mannen veelal maar twee dagen vaderschapsverlof. Dat mannen na een scheiding vaak een secundaire rol krijgen toebedeeld in de opvang van hun kinderen. Dat veel mannen nog worden uitgelachen als ze minder willen werken om voor hun kinderen te zorgen.

Het is ongelooflijk dat critici zich druk maken over de ‘feminisering’, terwijl mannen nog steeds worden beperkt in de meest basale keuzes in hun leven. Emancipatie wordt met de mond beleden, maar in de politieke praktijk zien we daar armzalig weinig van terug.

En er is nog meer. In mijn boek ga ik in op het denkbeeld dat er ergens een essentiële mannelijke kern is, die voor alle mannen hetzelfde is. In mijn ogen een idiote, niet serieus te nemen gedachte, die geen recht doet aan de individualiteit van afzonderlijke mannen. Toch wordt dit denkbeeld breed uitgedragen. Boeken als Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus geven een armzalig beeld van mannen. Toch gaan ze als warme broodjes over de toonbank. In mijn boek geef ik een verklaring voor de immense populariteit van dit soort lectuur.

Daar was ik dus de afgelopen maanden mee bezig. Intussen heb ik mijn manuscript ingeleverd en heb ik eindelijk weer tijd om te bloggen. Ook wel weer eens lekker.

Bavaria, Coke Zero en Axe: mannelijke revanche met een knipoog

‘Revanche!’ dat wil de moderne man als je de marketeers mag geloven. Een paar jaar geleden kwam Bavaria met een reclamespot waarin mannen zich bevrijdden van het juk van de vrouw. Zij trokken de beschaafde kleren van hun lijf, lieten hun baard staan, aten rauw vlees en trokken op naar de kroeg. Dit idee van de man die gefeminiseerd is, onder de plak zit bij de vrouw en weer ‘man’ wordt, komt in de media op verschillende manieren terug. Zo was er vorig jaar de Coke Zero reclame met de man die zijn ex-vriendin de loef afsteekt met een nieuwe (gewillige) vrouw. Dit jaar wordt die reclame opgevolgd door een nieuwe, waarin ditmaal de man de relatie met zijn ex afbreekt met de opmerking dat er ‘nog zoveel andere vrouwen zijn’ (die hem vervolgens van alle kanten bespringen). De ex vindt het allemaal prima: hij moet maar langs moet als hij zin heeft in plezier. Subtekst: as it should be.

As it should be. Een leven zoals ‘echte’ mannen het in hun stoutste dromen voor zich zien. Het is natuurlijk een karikatuur van de man. Het oppermachtige, succesvolle alfa-mannetje, die vooral denkt aan vrouwen en seks en plezier maken. Intimiteit in een relatie is voor hem niet zo belangrijk, hij is als James Bond die het tijdens elke film weer met een andere Bond-girl doet. De mythe van de stoere, dominante, ongebonden man blijft aanspreken. Maar doordat de commercial het verhaal typeert als een mannenfantasie, zit er ook een knipoog in. Dit is niet de echte wereld, maar het mannenfantasieparadijs, het Disneyworld van het testosteronneske verlangen.

Een bijna vergeten Franse psychoanalyticus beweerde ooit dat ons verlangen nooit van onszelf is: wij leren van onze omgeving hoe wij moeten verlangen. Onze dromen en wensen zijn de onze niet, ze worden vóór ons gemaakt. Wij lenen ze van onze ouders en onze omgeving. En in die omgeving heerst momenteel een bepaald dominant ‘vertoog’ over in dit geval mannelijkheid. Dat komt erop neer dat in heel veel teksten, beelden en andere media-uitingen voortdurend een bepaald manbeeld terugkomt, zodat het langzamerhand ‘common sense’ wordt. We nemen aan dat het ‘waar’ is, omdat iedereen het zegt. Dit vertoog over mannelijkheid wordt tegenwoordig steeds meer op Darwin geïnspireerd.

Volgens Darwins evolutietheorie zijn planten, dieren en mensen ontstaan doordat ze zich via natuurlijke selectie in miljoenen jaren aan hun omgeving hebben aangepast. Aangezien evolutie heel langzaam gaat, kan het echter zijn dat als een omgeving snel verandert, de diersoort zich minder in die omgeving thuisvoelt. Neem nu de mens. Ontstond miljoenen jaren terug in de Savanne, maar heeft zich in enkele duizenden jaren tijd opgewerkt van het bestaan van jagers en verzamelaars naar een moderne technologische beschaving. Hadden in de oertijd mannen en vrouwen een duidelijke functie, uitgeselecteerd door de evolutie, nu is die functie vooral voor mannen vervlogen. Vrouwen zijn niet langer van hen afhankelijk voor voedsel en bescherming. Zelfs voor de voortplanting is de man niet echt meer nodig en is een kwakje zaad genoeg. De man heeft geen functie meer. Daar komt nog bij, volgens sommige theoretici, dat er voor jonge mannen geen adolescentie-ritueel meer bestaat (denk aan Indianen die met hun tepels aan een paal omhoog getrokken worden en meer van dat soort fijne dingen). Dat betekent dat mannen nooit volwassen worden, het blijven ‘jochies’.

Volgens deze heersende theorie is de moderne man dus in zijn diepste kern een nogal puberale oermens. Eigenlijk wil hij met zoveel mogelijk vrouwen naar bed (zijn zaad maximaal verspreiden om zoveel mogelijk nakomelingen te verwekken). Om in die positie te komen moet hij zich keer op keer weer bewijzen als alfa-mannetje. Dat doet hij door op te scheppen en zijn spierballen te laten zien. Hij is competitief omdat hij beter moet zijn dan andere mannen. Voorts is hij van binnen uiteindelijk een agressief oerwezen dat ervoor gemaakt is om de hele dag met een speer achter bizons aan te hollen. De visie is uiterst puberaal van karakter: dit manbeeld is niet die van de beschermende, verantwoordelijke vaderfiguur, maar van de puber die wil scoren.

Naast de Bavaria en de Coke Zero-commercials zie je dat terug in de campagnes van Axe. Het deodorantmerk is recentelijk begonnen met een campagne die rechtstreeks teruggrijpt op een gefantaseerd beeld van de oertijd. In de spotjes zie je gedigitaliseerde kleipoppetjes waarin de mannetjes tegenover de vrouwtjes hun oerkracht bewijzen. Axe is ook begonnen met een virale internetcampagne op Hyves waarmee je een ‘gadget’ kan plaatsen om tegen je vrienden te ‘brullen’ en daarmee je mannelijkheid te bewijzen. Daarvoor mag je een passende omgeving kiezen: zoals een grot, de jungle of de toendra. Mannen worden gestimuleerd om terug te gaan tot hun ware mannelijke aard (en die ligt volgens de moderne Darwinistische opvattingen natuurlijk verborgen in de oertijd), maar alles met een enorme knipoog. De moderne mythe-vorming over mannelijkheid wordt uitgebuit, maar met een flinke dosis zelfspot.

Zelfspot en mannelijkheid: dat is een nieuwe combinatie. Immers: als er iets is waar niet mee te spotten valt, dan is het wel met mannelijkheid. Alle overgeleverde beelden van mannelijkheid uit het verleden zijn eigenlijk vrij van enige humoristische zelfreflectie. De cowboys uit de westerns van de jaren vijftig, James Bond of testosteron-helden als Bruce Willis en Sylvester Stallone: sommigen van hen maakten grappen, maar nooit over dat ene gevoelige punt: hun eigen masculiene aard. Misschien is dat wel typerend voor het moderne manbeeld. Hij is wellicht niet minder macho dan twintig jaar terug, maar doet dat wel met zelfspot. Een revanche met een knipoog.