Ongenode gasten: over Baudet en Borgman

Afbeelding

Hij noemt het niet expliciet, maar er zitten opmerkelijke overeenkomsten tussen de parabel die Thierry Baudet gebruikt in zijn essay (NRC Weekend 7 en 8 september) over wat hij ‘de angst voor het eigene’  noemt en het plot van de film Borgman van Alex van Warmerdam. Het verschil is dat in de film van Van Warmerdam een veel gelaagder beeld van de werkelijkheid wordt geschetst dan in het eendimensionale verhaal van Baudet.

Waarschuwing: dit blog bevat spoilers: als je de film Borgman nog wil gaan zien dan kun je dit artikel nu beter niet lezen

Baudet spreekt de lezer dreigend toe: ‘uw gasten hebben een deel van uw woning in bezit genomen’. Ze hebben de vrede verstoord, het ‘oorspronkelijke thuisgevoel’. Want thuis is namelijk een ‘ritme, een organisch geheel’. Aan de hand daarvan bekritiseert Baudet de ‘elites’, die met behulp van ‘multiculturalisme, modernisme in de kunsten en het Europese project’ de huisvrede breken in het ooit zo hechte, veilige en warme vaderland.

In de film Borgman wordt een bebaarde zwerver (Camiel Borgman) die een bad wil nemen in het huis van een rijke familie op wrede wijze in elkaar geslagen door de vader van het gezin. Deze vader, die vanaf het begin vol met agressie lijkt te zitten, raakt buiten zinnen als de Borgman zinspeelt op een contact dat hij zou hebben gehad met diens vrouw. Later leren we dat zijn agressieve gedrag gevolg is van de ruzies die hij heeft op zijn werk met een andere man.

Omdat de vrouw medelijden krijgt met de zwerver, laat ze hem stiekem binnen. Het lijkt alsof zij een onbehagen voelt, een leegte of een schuldgevoel over haar geprivilegieerde positie, alsof zij beseft dat er van alles niet klopt aan haar ‘thuis’. Zij zoekt iets in de zwerver. Is het een bepaalde vergiffenis, verlossing? Intussen neemt deze gast, net als in de parabel van Baudet, stukje bij beetje de macht in het gezin over.

De werkelijke overname manifesteert zich echter pas als de tuinman van het gezin sterft. Vader doet de sollicitatie van nieuwe tuinmannen en krijgt drie gekleurde mannen voor de deur. Ze doen sterk denken aan de buitenlandse migranten waar Baudet in zijn stuk alarmerend over schrijft. Maar de vader, niet bang voor het ‘eigene’ (maar wel voor het ‘vreemde’), wijst hen alledrie af op basis van hun huiskleur en neemt uiteindelijke een blanke, keurig geschoren man aan: Camiel Borgman die zich inmiddels van zijn woeste baard heeft ontdaan. De laatste haalt vervolgens zijn even keurige, in pak gestoken vrienden binnen en begint allereerst met het slopen van de tuin: hij hakt bomen om, baggert de vijver uit tot een donkere, intkzwarte diepe poel. Intussen bivakkeert hij onder hetzelfde dak als de familie.

De film toont datgene wat romantische neoconservatieven als Baudet niet willen zien. Namelijk de rotting die altijd al aanwezig was in het door hen opgehemelde en geïdealiseerde thuis. De kilte. Het egoïsme. De vergiftiging van zowel het sociale als de ecologische leefruimte die het resultaat is – niet van migranten of van modernistische kunst – maar van de verscheurdheid van de westerse wereld zelf.

De parabel van Baudet handelt over een soort goudgerande, roomblanke hobbitstede die verpest wordt doordat een elite vanuit een vorm van puberaal afzetgedrag – ‘oikofobie’ – het vreemde binnenhaalt. In de film Borgman zet een ongelukkig gezin al zijn kaarten op een roomblanke verlosser, die echter de bestaande breuklijnen versterkt, en hen vergiftigt. Baudets parabel toont een kinderlijk wereldbeeld: hij ontkent alles wat niet klopt in het eigen nest en projecteert tegelijkertijd alle problemen op het vreemde. De film ‘Borgman’ daarentegen toont een volwassen, complexe wereld, waarin niet meer duidelijk is of het kwaad van binnen of van buiten komt.

Over Graebers Bullshitbanen

Stel je voor dat het mogelijk zou zijn om twee dagen per week te werken en toch genoeg inkomen te hebben om de rest van de week te besteden aan die dingen die je voldoening geven (creativiteit, persoonlijke ontwikkeling, zorg voor kinderen enzovoort). Stel je ook voor dat die wereld misschien wel binnen handbereik is. En stel dat het enige dat ons tegenhoudt is een overmaat aan overbodig, zinloos werk, alleen maar ontstaan om ons bezig te houden, als hamsters die rondhollen in tredmolens.

 Bullshit jobs

In zijn artikel On the phenomenon of bullshit jobs schrijft de Amerikaanse antropoloog David Graeber dat een groot deel van de moderne kapitalistische economie bestaat uit zinloos werk. Het artikel bleek enorm te resoneren op internet en werd meerdere malen vertaald. Graeber, één van Amerika’s meest opvallende anarchisten, ziet het overschot aan banen vooral aan de kant van de ‘witte boorden’. Het zijn hoogopgeleiden die bullshitjobs hebben, en ze weten het vaak ook zelf. Hij wijst daarbij vooral naar de sterk gegroeide dienstensector: administratieve banen, managers, bedrijfsjuristen, public relations, personeelsmanagement, telemarketeers, mensen die financiële diensten leveren, kortom de hele moderne bedrijfsbureaucratie. Vanuit Graebers oogpunt uiteindelijk allemaal zinloze banen gemaakt om mensen bezig te houden. Banen die niets werkelijk produceren. Als we al die banen zouden wegsnoeien zou met dezelfde productie nog maar heel weinig werk overbleven. Dan kunnen we toe met twee dagen werk per week, zoals de econoom John Maynard Keynes voor de oorlog ooit voorspelde.

Dit gaat natuurlijk recht tegen alle neoliberale ‘waarheden’ in. Wij hebben altijd ingepeperd gekregen dat in een economie die gebaseerd is op kapitalisme en marktwerking dit soort ‘verborgen werkloosheid’ automatisch wordt weggewerkt. Graeber noemt het voorbeeld van communistische landen, die allerlei banen creëerden om maar aan de doelstelling van volledige werkgelegenheid te voldoen. Zulke overdreven overhead zou in onze hyperefficiënte economie toch al lang weggesaneerd zijn? Toch zegt hij, door een of ander magisch wonder, blijven al die bullshitindustrieën die niets anders doen dan papier verschuiven (emails versturen tegenwoordig) gewoon bestaan. De reden zit hem volgens Graeber in de belangen van de heersende klasse (de 1% waar de betogers van Occupy het tegen opnamen) die weet dat als mensen maar druk bezig gehouden worden, ze niet in opstand komen. De aloude calvinistische arbeidsmoraal (de ‘hardwerkende Nederlander’) komt daarbij goed van pas.

Compexiteit

De grote populariteit van dit stuk op het internet doet vermoeden dat Graeber hier een gevoelig punt raakt. Een tweetal reacties op het artikel wil ik even apart noemen. Allereerst de Economist, die tegenwerpt dat in een vergevorderde economie nou eenmaal sprake is van een complexe arbeidsdeling, waardoor veel mensen het gevoel hebben dat ze zinloos werk doen, terwijl ze wel degelijk een klein radertje vormen in het grote, wel degelijk nuttige mechaniek van de samenleving. Mensen raken dus vervreemd van de eigen arbeid (daarom denken ze vaak dat ze nutteloos werk doen) maar de arbeid is wel degelijk nuttig. Een argument dat het gevoel van overbodigheid van sommige ‘witte boorden’-banen verklaart waar Graeber naar verwijst.

Maar Graeber zinspeelt niet alleen op het gevoel dat veel mensen in de bekritiseerde sector hebben, hij verwijst ook naar reële veranderingen. Als voorbeeld noemde hij op Twitter de groei van administratieve banen in de educatieve sector. Het onderwijs verandert niet wezenlijk: wat doen nu ineens al die administrateurs naast de leraren? Is lesgeven zoveel complexer geworden dan het enkele tientallen jaren geleden was?

Wij zijn wat we doen

Interessant is ook de reactie van een andere blogger via twitter, ene Jimmy Daly ‘Ik snap het vanuit een economisch perspectief, maar kan gewoon mijn leven niet leven met het besef dat mijn baan bullshit is.’  In die simpele opmerking ligt de kern van het ongemak van het essay van Graeber. In een moderne kapitalistische samenleving als de onze is werk de belangrijkste bron onder voor zowel onze identiteit als onze zingeving. Wij zijn wat we doen. We steken ongelooflijk veel tijd en energie in dat werk: eerst een opleiding, dan vaak een fulltime baan. Als mensen met elkaar kennismaken op een feestje is vaak de eerste vraag: wat doe je voor werk? Werk maakt ons wie we zijn. Voor al die mensen die werken in de sectoren die Graeber aanduidt als bullshit jobs, is het dus zachtgezegd even slikken: datgene waar je een groot deel van je leven aan opgeofferd hebt, wordt door deze hoogleraar als overbodige onzin weggezet.

Ongetwijfeld zal dit bij veel mensen weerstand opleveren. Liever geloven we in een ideologie, dan dat we oog in oog staan met zinloosheid. De constatering je hele leven ingezet te hebben voor een bullshitjob is vergelijkbaar met het trauma van een militair, die achteraf een onnodige oorlog heeft gevochten. Of een geloofsafvallige, die een groot deel van zijn leven het idee heeft gehad dat God naar hem kijkt, tot hij het inzicht krijgt dat die God misschien helemaal niet bestaat.

Werk is het laatste geloof in een seculiere samenleving. Geloofsafval is een van de moeilijkste dingen die er is, omdat het te maken heeft met de wijze waarop we zin geven aan het leven. Als Graeber echt een punt heeft dan zal het om die reden nog wel even duren voordat zijn ongemakkelijke boodschap echt is doorgedrongen.