Strenge vaders

De strenge vader is weer helemaal ‘in’. Nu de emancipatie van mannen steeds meer oprukt, ‘papadagen’ hen in staat stellen om een inhaalslag te maken in de opvoeding van zijn kinderen, beginnen zich stemmen te roeren die oproepen tot de ouderwetse strenge vader. Pedagoog Steven Pont is er zo-een. Bij de lancering van zijn boek – een aardig overzicht van wetenschappelijk onderzoek op het terrein van het opvoeden van kinderen – moest hij onmiddelijk aan de Volkskrant kwijt dat hij een strenge vader was. Alsof het iets is om trots op te zijn. In een recent artikel in Trouw verkondigde hij zelfs dat vaders niet moesten ‘vermoederen’. Om vervolgens met de bekende breinriedel te komen waarom vaders zo uniek en anders zijn dan vrouwen en zich niet de les moesten laten lezen in de opvoeding. Het was zelfs tijd voor een ‘masculiniseringsgolf’ na de twee feministische golfen. Blijkbaar zit de moderne vader volgens Pont vreselijk onder de plak.

Het is wel interessant om op het bovengenoemde frame in te gaan. Ik ben niet zo van de neurokul, daarmee bedoel ik de pseudo-wetenschappelijke claims dat mannen biologisch gedetermineerd zijn tot ander gedrag dan vrouwen. Die is vooral een excuus voor onverantwoordelijke mannen om hun gedrag niet te hoeven veranderen omdat zij nu eenmaal’ hun brein’ zijn. Voor diegenen die denken dat al dat onderzoek boven enige twijfel verheven is, leze Cordelia Fine’s Delusions of Gender. Maar daar wil ik het eigenlijk helemaal niet over hebben. Het probleem van al die biobrabbel is dat het de discussies over het gedrag van mannen en vrouwen – in dit geval over opvoeden – verziekt. Het hele discours over hormonen is zodanig het denken van mensen binnengedrongen dat het bijna onmogelijk is om een normale, meer normatieve discussie over een dergelijk onderwerp te beginnen zonder verzeild te raken in nature versus nurture discussies.

Opvoeden is bij uitstek een onderwerp waar op een meer normatieve wijze over gesproken zou moeten worden. Een serieuze opvoeding weerspiegelt de waarden die je als ouders hebt. Sekse of gender is daarbij totaal niet relevant, het gaat erom wat je je kind graag wil meegeven en welke weg daarnaartoe het beste bij je eigen overtuigingen past. Soms betekent opvoeden ook dat je je eigen gedrag als ouder moet aanpassen, dat je bijvoorbeeld niet vloekt in het bijzijn van je kinderen omdat je dat samen hebt afgesproken. Dat je soms je eigen ongerustheid onderdrukt, omdat je bijvoorbeeld je kind de vrijheid gunt om alleen uit te gaan. Dat je je verbijt als je kind al haar eten op de grond gooit, omdat ze het zelf eten nu eenmaal een keer met leren. Opvoeden vergt dus een bepaalde zelfcontrole. Het vergt dat je je niet overgeeft aan allerlei primaire emoties, of die nu betiteld worden als ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’. Opvoeden betekent ook dat je je als ouders tegenover elkaar niet verschanst in stellingen, maar dat je het gesprek aangaat over wat belangrijk is en wat niet.

Natuurlijk hebben twee individuen een verschillende stijl. Dat kan met mannelijkheid of vrouwelijkheid te maken hebben. Met persoonlijkheid. Met eigen opvoeding. Hoe dan ook is het zaak om die stijlverschillen niet in de weg te laten komen van de gedeelde en besproken ideeen over ouderschap. Op dat moment is enige zelfcontrole noodzakelijk, of moeten pa en moe opnieuw rond de keukentafel.

Wat dan niet helpt, zijn gratuite pleidooien over mannen die hun eigen unieke opvoedmethode hoe dan ook moeten doordrukken, omdat ze niet mee willen doen aan dat ‘zachte gedoe’ van hun vrouw. Daar wordt niemand gelukkig van, en zelfbenoemde opvoedgoeroe’s zouden beter moeten weten dan dit soort ondoordachte uitspraken de media in te slingeren.

Advertenties