Onbeholpen mannelijkheid

Sommige kerels kunnen er gewoon niets aan doen. Die rekken zich uit in hun rafelige t-shirt terwijl ze nietsvermoedend de natte zweetplekken onder hun oksels aan de wereld tonen. Het zijn het soort mannen dat altijd een beetje stinkt, omdat ze nooit deodorant of ook maar aftershave gebruiken. Niet uit een of ander principe, het komt gewoon niet bij ze op. Hetzelfde soort mannen trekt onder een pak altijd de verkeerde – veel te lompe -schoenen aan, of duidelijk afwijkende sokken. Laat ik het de onbeholpen man noemen.

Er zullen er zijn die deze onbeholpenheid typisch mannelijk noemen. Het ligt echter iets ingewikkelder. In een onderzoek van Discovery naar de mindsets van de moderne man komt naar voren dat deze zich steeds bewuster is geworden van het belang van een goed verzorgd uiterlijk. Dat uiterlijk opent deuren voor hem, zowel in zijn carrière als in zijn liefdesleven. Het wordt echter nog steeds niet van mannen verwacht – alle hypes rond de metroman ten spijt – dat ze zich om hun uiterlijk bekommeren. Sterker nog: een dergelijke houding wordt gezien als onmannelijk en feminien. Om aan die tegengestelde verwachtingen te voldoen schipperen veel mannen een beetje. Ze zijn wel degelijk met hun uiterlijk bezig, weten precies wat kan en wat niet kan, maar zullen dat niet zo snel aan anderen laten merken.

De onbeholpenheid van sommige mannen rond uiterlijke verzorging heeft eerder te maken met sociale achtergrond. Even doorvragen bij een aantal van deze zweterige, onwelriekende mannen leverde mij al gauw de informatie op dat zij niet alleen geen deodorant of eau de toilette gebruiken, maar ook hun vaders niet. Voor hun gevoel was het daarom iets geks om dat te doen, iets wat niet bij een man hoorde. Geen gecultiveerde ongecultiveerdheid dus, zoals bij zoveel andere mannen, maar een echte, originele, authentieke onwetendheid rond persoonlijke hygiëne en verzorging. Het viel me ook op dat dit soort mannen meer dan gemiddeld opgegroeid zijn buiten de grote steden en forenzencentra.

Zelf vond ik het gebruik van aftershave juist uiterst mannelijk. Mijn vader had altijd een zweem van geur om zich heen en als jongetje associeerde ik dat met volwassen worden. Echte mannen schoren zich ‘s morgens in hun hemd voor de spiegel en besproeiden zichzelf dan rijkelijk met aftershave, zodat ze de uren daarna die milde zweem van mannelijke lucht om zich heen hadden. Een man die geen aftershave draagt was in mijn ogen daarom een soort… jongetje. Onvolgroeid en een beetje naïef.

Hetzelfde gevoel heb ik als een man duidelijk ruikt naar een goedkope aftershave of deodorant. Een man die penetrant ruikt naar Axe straalt een proletarische onbeholpenheid uit, even belegen als de in drie dagen-oud frituurvet klaargemaakte gehaktstaaf die hij waarschijnlijk in de voetbalkantine heeft genoten van hetzelfde sportcentrum waarin hij de deo heeft opgedaan. Daartegenover gruwel ik van het zachte roze yoghurthuidje dat je wel eens ziet bij rijke mannen uit het Gooij en dat het resultaat is van diverse bezoekjes samen met vrouwlief aan een peperduur wellness-centrum. Je ziet ze al liggen met hun dikke buiken en witte handdoeken naast het zwembad. Helemaal jeuk krijg ik van de afgetrainde sportschoollichamen van Men’s Health lezende metroseksuelen, die zo leven in een wereld van lichamelijkheid en gezondheid dat alle andere dingen in het leven volledig blijken te verbleken.

Tot zover mijn eigen kleinburgerlijke vooroordelen. Het maakt maar weer duidelijk hoe divers opvattingen en verwachtingen zijn over mannelijkheid. Wat je beleeft als ‘mannelijk’ is heel erg afhankelijk van de sociale laag waar je vandaan komt en de mensen waar je nu mee omgaat. Een diepe grondstructuur van wat onder ‘mannelijk gedrag’ verstaan wordt is voor het grootste deel afwezig. En dat is maar goed ook, want het geeft iedere man ook een klein beetje vrijheid om zijn eigen keuzes te maken, zijn eigen mannelijkheid te creëren, zonder zich al teveel te hoeven aantrekken van zijn omgeving. Want, om het even clichématig uit te drukken, op ieder potje past een dekseltje. Het is wonderlijk, maar de onbeholpen mannen waar ik mee begon, vinden vaak bijpassende vrouwen: zonder parfum, make up of hoge hakken.

Tomtomloze beroepstrots

Het is alweer een poosje geleden dat ik ergens de taxi moest nemen – ik geloof in Leiden – en dat de taxi-chauffeur niet wist waar hij heen moest. Het probleem bleek te zijn dat hij zijn TomTom in de auto van een collega had laten liggen. We moesten samen met de kaart uitvogelen waar we heen moesten en dat terwijl ik haast had. Je verwacht toch van een taxi-chauffeur dat hij zijn omgeving op zijn duimpje kent?

Fout dus. De taxi-chauffeur die alle straten in zijn stad uit zijn hoofd kent, die de kleine uitvalweggetjes kan dromen, die met je meedenkt en die je een tip kan geven voor een goede kroeg of restaurant is met uitsterven bedreigt. Hij is net zo schaars als de telefonische helpdeskmedewerker die weet waar hij of zij het over heeft of de caissière die weet welke producten de supermarkt verkoopt. Het zijn allemaal mensen die heel goed één ding kunnen, ondersteund door gestandaardiseerde werkprocessen en ondersteunende technologie. Geen duizendpoten zoals vakmensen, winkeliers, reparateurs, kleine middenstanders met een eigen zaak. Mensen die al jaren ervaring hebben in een specifiek vak en die hun werk zichtbaar met liefde doen.

De Amerikaan Matthew B. Crawford schreef een boek over die klasse van kleine ondernemers: Shop class as soulcraft. An inquiry into the value of work. Hij bekritiseert het onderscheid dat veelal gemaakt wordt tussen hoofd- en handarbeid. Jarenlang werden jongeren gestimuleerd om toch maar zo lang mogelijk door te leren want de toekomst – en het beste salaris – lagen bij de hoofdarbeid. Handarbeid betekende namelijk klaargestoomd worden voor de lopende band. Echter, volgens Crawford is het zo langzamerhand niet alleen meer de handarbeid die lijdt onder de toenemende rationalisatie van arbeidsprocessen. Ook veel hoofdarbeid wordt tegenwoordig uitgevoerd in grote, fabrieksmatige onpersoonlijke ruimten waar mensen in kleine cubicles voortdurende repetitieve handelingen uitvoeren op basis van in detail beschreven werkprocessen.

Crawford verwijst onder meer naar Richard Sennett, de Amerikaanse socioloog die in een aantal boeken verwees naar de teloorgang van vakmanschap. Vakmanschap bereik je wanneer je werk goed wil doen, omwille van het werk zelf. Het vereist vaak een grote kundigheid en achtergrond en je moet er een inspanning voor verrichten. Het uitvoeren van het werk geeft je een goed gevoel, je wordt beloond voor je inspanningen. Denk aan het gevoel dat je krijgt als je een maaltijd bereidt met echte ingrediënten die enige bewerking vereisen, in plaats van het bereiden van een maaltijd uit een pakje met voorverpakte en gesneden groenten.

Ook versterkt vakkundige arbeid je identiteit. Doordat je je jarenlang in iets gespecialiseerd hebt kun je het goed en ontleen je daar eigenwaarde aan. De taxichauffeur die al jarenlang rondrijdt en die elk uitvalsweggetje kent voelt zich uniek en is trots op zijn baan. De taxichauffeur die zonder enige kennis behalve een rijbewijs rondrijdt op basis van zijn TomTom voert gewoon handelingen uit om geld te verdienen. Het zal hem echter weinig meer dan geld opleveren: wat voor eigenwaarde krijg je nu van zo’n volstrekt inwisselbare baan?

Het is die inwisselbaarheid, met een eufemisme flexibiliteit genoemd, die een schaduw werpt over veel economische sectoren vandaag de dag. Dat heeft deels te maken met het feit dat voor inwisselbare banen vaak lagere skill-levels noodzakelijk zijn: de taxichauffeur heeft – bij wijze van spreken – aan zijn rijbewijs genoeg. Dat betekent dat de arbeid goedkoper wordt. Ook kunnen hele sectoren naar het buitenland verdwijnen: denk aan de callcenters die massaal worden ge-outsourced naar opkomende economieën als die van India. Maar naast die baanzekerheid heeft deze flexibilisering een negatieve invloed op  het inherente plezier dat mensen aan hun baan beleven en de beroepstrots die ze eraan ontlenen.

Karl Marx maakte destijds een onderscheid tussen concrete en abstracte arbeid. Concrete arbeid is het werk dat geworteld is in een bepaalde context, werk dat niet te scheiden is van de persoon die het doet in zijn specifieke omgeving. Abstracte arbeid daarentegen is gestandaardiseerd in werkprocessen en gekwantificeerd in onpersoonlijke eenheden als manuren. Zodra arbeid geabstraheerd is, zijn minder kundige en dus goedkopere arbeiders nodig en worden die arbeiders ook volstrekt inwisselbaar. Hoe abstracter het werk, hoe minder mensen een verbinding met het product voelen en hoe meer ze dus vervreemd raken van wat ze maken. En omdat datgene wat je doet belangrijk is voor je identiteit, raken mensen ook vervreemd van zichzelf.

Vooralsnog zijn er nog sectoren van de economie die ontkomen aan het regime van toenemende abstractie. Crawford roept mensen op die de behoefte voelen om handarbeid te verrichten vooral op dat te doen, teveel ‘hoogopgeleid’ werk is tegenwoordig bijna even eentonig geworden als lopende band-werk, bovendien zullen goede loodgieters of fietsenmakers voorlopig nog wel even nodig zijn. Maar de groeiende abstrahering van  zelfs de klassieke witteboorden-arbeid en het afnemen van beroepstrots onder invloed van toenemende flexibilisering en globalisering is een te belangrijke ontwikkeling om te negeren. Het verklaart volgens mij een groot deel van het moderne ‘onbehagen’ en het verlangen naar bijvoorbeeld een heldere nationale identiteit. Als je werk steeds minder bijdraagt aan je eigen identiteit, dan ga je dat in andere dingen zoeken.

‘Het onbehagen’ is af!

OnbehagenDaar zat ik dan, de afgelopen maanden met mijn MacBookje tussen een immense stapel boeken koortsachtig te typen. In de dagen dat ik vrij was van mijn werk bij de NPO (ik werk vier dagen) sloot ik me op in mijn Amsterdam-Noordse appartement om te werken aan mijn boek Het onbehagen van de man. Een flinke bevalling, maar ik ben trots op het eindresultaat dat dit najaar bij Uitgeverij Augustus zal verschijnen.

Het is een boek geworden over verschillende vormen van – verondersteld – onbehagen bij de moderne man. De eerste komt van een groeiende groep publicisten en filosofen en mannelijkheidsgoeroe’s die gelooft dat de Nederlandse samenleving de laatste decennia ‘gefeminiseerd’ is geraakt. ‘Vrouwelijke’ normen en waarden zouden prevaleren boven de ‘mannelijke’. ‘Echte mannen’ zouden daar het slachtoffer van zijn. Die mogen geen schuine moppen meer tappen, worden verplicht om voor hun kinderen te zorgen en minder te werken en moeten zich plotseling sensitief gaan opstellen.

‘Ach gut’ dacht ik.

In mijn ogen zijn moderne mannen namelijk vrijer dan ooit. Het klassieke keurslijf van mannelijkheid – alle gevoel behalve agressie onderdrukken, voortdurend de bikkel, het haantje moeten uithangen, de obsessie met status – is veel minder knellend geworden. Dat betekent niet dat mannen van nu zachte eitjes zijn. Integendeel, ze zijn krachtiger, onafhankelijker, zelfbewuster dan hun vaders en grootvaders.

Maar er is een tweede vorm van onbehagen dat wel degelijk relevant is. Dat is dat veel mannen vrijer in hun hoofd zijn dan de maatschappelijke instituties. Die instituties zijn namelijk nog vormgegeven op basis van een volkomen gedateerd kostwinnersmodel. Volkomen belachelijk dat vrouwen zestien weken zwangerschapsverlof hebben en mannen veelal maar twee dagen vaderschapsverlof. Dat mannen na een scheiding vaak een secundaire rol krijgen toebedeeld in de opvang van hun kinderen. Dat veel mannen nog worden uitgelachen als ze minder willen werken om voor hun kinderen te zorgen.

Het is ongelooflijk dat critici zich druk maken over de ‘feminisering’, terwijl mannen nog steeds worden beperkt in de meest basale keuzes in hun leven. Emancipatie wordt met de mond beleden, maar in de politieke praktijk zien we daar armzalig weinig van terug.

En er is nog meer. In mijn boek ga ik in op het denkbeeld dat er ergens een essentiële mannelijke kern is, die voor alle mannen hetzelfde is. In mijn ogen een idiote, niet serieus te nemen gedachte, die geen recht doet aan de individualiteit van afzonderlijke mannen. Toch wordt dit denkbeeld breed uitgedragen. Boeken als Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus geven een armzalig beeld van mannen. Toch gaan ze als warme broodjes over de toonbank. In mijn boek geef ik een verklaring voor de immense populariteit van dit soort lectuur.

Daar was ik dus de afgelopen maanden mee bezig. Intussen heb ik mijn manuscript ingeleverd en heb ik eindelijk weer tijd om te bloggen. Ook wel weer eens lekker.