Slow Food. Een bezoek aan de Terra Madre

Terramadre_nlHelemaal in Middelburg? Veel Amsterdammers versleten mij voor gek dat ik dit weekend maar liefst tweeëneenhalf uur in de trein wilde gaan zitten voor de Terra Madre, een groot evenement van de Slow Food beweging. Maar enige slow travel voordat je kan genieten van al die verschillende smaaksensaties leek mij geen verkeerde keuze. Bijna kreeg ik spijt toen er een trein ontspoorde ergens tussen Den Haag en Rotterdam en het vervoer ontregeld was. Gek genoeg is het resultaat van zo’n vertraging echter dat je opeens in gesprek raakt met andere mensen. Alsof op zo’n non-moment, dat we wereld even iets minder gestructureerd is en het niet duidelijk is hoe de reis verder gaat, er ineens tijd is voor sociale interactie. Als het systeem even hapert, van slag is, lijkt het altijd alsof mensen levendiger worden. Geen gemopper, maar juist plezier en humor waren het resultaat van het falen van de NS.

Slow Food zou je ook kunnen zien als een organisatie die zich richt op juist die mooie dingen die net buiten het systeem vallen. Het is een internationale beweging die zich bezighoudt met het instandhouden en opnieuw uitvinden van voedselsoorten, ingrediënten en bereidingswijzen die door processen van modernisering en globalisering lijken uit te sterven. Er wordt daarbij de nadruk gelegd op eerlijke en milieuvriendelijke productie. De beweging combineert twee schijnbaar tegengestelde intenties: culinair genot en idealisme. De Terra Madre is een bijeenkomst voor ambachtelijke en kleinschalige producenten en is georganiseerd naar het voorbeeld van het gelijknamige, beroemde tweejaarlijkse evenement in Turijn. De manifestatie in Middelburg was de eerste van dit soort in Nederland. Eén van de tekenen dat het goed gaat met de Nederlandse Slow Food vereniging. Van een vrijwilliger begreep ik dat er de laatste maanden een opvallend grote aanwas van nieuwe leden had plaatsgevonden.

Op de Terra Madre werd informatie gegeven over een grote diversiteit aan streekproducten. Een voorbeeld: in Brabant is een zogenaamd  Slow Food presidium opgericht voor het behoud van de ‘Chaamse Pel’. Presidia zijn projecten waarin gewerkt wordt aan het behoud van traditionele streekproducten. De Chaamse pel of Chaamse hoen is een kippensoort die een paar jaar terug bijna was uitgestorven. Door inzet van een aantal mesters en het presidium zijn er nu weer duizenden. De Chaamse hoen is al enige eeuwen een gastronomisch begrip, vooral het vlees van de kapoenen (gecastreerde hanen) staat bekend als een specialiteit. Echter leent dit kippenras zich niet voor de massaproductie waarop de bio-industrie zich toelegt. Ter vergelijking: een industriekip wordt al na 6 weken geslacht. Een biologisch kippetje na een maand of drie. De Chaamse Pel pas na een halfjaar. Een luxeproduct dus. Maar ook een toevoeging aan de diversiteit van het voedselaanbod. 

Een ander kraampje waar ik met veel plezier geproefd en geluisterd heb was die van Christine Roelofs. Zij kweekt bijzondere planten en gewassen. Zo werkt ze met oude, lang vergeten kruiden. Ze laat zich inspireren door oude kookboeken en vindt daarin bereidingswijzen en ingrediënten van lang geleden terug. Vervolgens experimenteert ze daar zelf weer verder mee en maakt zo nieuwe smaken. Persoonlijk vond ik haar twee jaar oude kweeperen kaas heerlijk, heb daar echt van genoten. Wat een creativiteit en wat een plezier in het kweken en maken van eten. En dat alles zonder een hard commercieel doel.

En dan Tjibbe Brandsma uit Groningen, die geitenlamsvlees liet proeven. Hij vertelde hoe de vraag naar geitenkaas de laatste tijd heel groot is geworden. Steeds meer mensen eten geitenkaas, vooral vegetariërs. Wat veel vegetariërs echter vergeten is dat een geit, om geitenmelk te maken, altijd eerst een lammetje moet krijgen. Dat betekent dat er vaak een overschot aan geitenlammetjes is. Voor elke twintig kilo geitenkaas, zo vertelde Brandsma, heb je één kilo geitenlamsvlees. Vaak worden die geitjes, omdat ze in Nederland meestal niet geslacht kunnen worden (de verhouding van de prijs van de slacht ten opzichte van het aantal kilo’s product is vrij hoog), naar Frankrijk of Spanje gereden omdat het daar wel kan. Dat is niet echt diervriendelijk, vandaar dat Brandsma met zijn bedrijf al die geitjes opkoopt bij biologisch boerderijen in de buurt en ze zelf verder mest en in Groningen laat slachten. En lekker is dat, dat geitenlamsvlees. Het smaakt een beetje naar kip, maar bevat negen keer zo weinig dierlijke vetten. Daar moet toch een markt voor zijn?

Dan heb ik het nog niet gehad over al die smakelijke rauwmelkse kazen, de handgepelde garnalen en gerookte harder, het middeleeuwse bier van Jopen en de origineel gemaakte jenever van Notaris, de bijzondere soorten jam (ja, van paardebloemen kun je jam maken), een kweker van een enorme variëteit aan knoflooksoorten, de ambachtelijke worsten uit de Achterhoek en de echte lamsworsten van een bevlogen en idealistische schaapshoeder uit Drenthe. Mooi ook om al die mensen te horen, die op een overtuigde manier bezig zijn met heet voedsel dat ze produceren.

Hoe komt het nu dat juist Slow Food het de laatste tijd zo goed doet? Ik kan er zo meerdere verklaringen voor verzinnen. Je zou kunnen zeggen dat het zoeken naar typische, oude streekgerechten deel uitmaakt van de conservatieve en angstige reactie van Nederland op de globalisering. Mensen zijn bang. Bang voor het neoliberale kapitalisme dat de oorzaak is dat bedrijven gesloten worden en verplaatst naar verre landen waar de lonen lager zijn. Bang voor grootschalige immigratie van vreemdelingen met andere culturen. Bang voor het bureaucratische, verre Europa met al zijn regelgeving. Dus verlangen ze terug naar de eigen nationaliteit (Rita Verdonk), willen ze de ‘islamisering’ van Nederland stoppen (Geert Wilders) en voorkomen dat bedrijven geliberaliseerd worden (SP). Waarom dan ook niet terug naar oer-Hollandse, eerlijke streekgerechten?

Mijns inziens is die verklaring wat kort door de bocht. Slow Food is veel meer dan een strikt behoudende, conservatieve organisatie. Natuurlijk hebben ze, zoals elke milieuorganisatie een gedeeltelijk behoudende poot (denk aan het Engelse woord voor milieubehoud: conservationism). Maar door de diversiteit te behouden kan ook weer nieuwe creativiteit worden aangewakkerd. Elke ontdekking uit het verleden kan weer een uitgangspunt zijn voor nieuwe experimenten, zoals te zien was bij de kruiden en gewassen van Christine Roelofs. Boerenondernemers als Tjibbe Brandsma zien kansen om een nieuw product op de markt te introduceren en daarbij tegelijkertijd dierenleed aan te pakken. Eerder zie ik in Slow Food een beweging waarbij individuele zelfontplooiing, creativiteit en idealisme samengaan.

Daarbij ligt het denk ik dichter bij een andere populaire stroming, namelijk het praktisch idealisme. Maar het is bij de producenten van Slow Food meer dan een zuiver consumentisme met een ‘goed gevoel’. In plaats van je schuldgevoel bij een vliegreis ‘af te kopen’ met ‘CO2 compensatie’, de moderne variatie op de katholieke aflaat, betekent Slow Food ook dat je betrokken bent bij een product. In het laatste nummer van Hollands Diep vraagt Bas Heijne zich af of idealisme en consumentisme werkelijk verenigbaar zijn. Heijne vindt van niet: volgens hem is ‘bewust kiezen’ niet genoeg om bevredigend te zijn. Voor echt idealisme is het belangrijk om moreel betrokken te zijn bij die zaken die je aan het hart gaan. ‘Passief bewustzijn is niet genoeg, uiteindelijk zul je iets willen doen.’ Wat zo aanstekelijk is aan al die mensen die ik tegenkwam op de Terra Madre, was dat ze allemaal ook daadwerkelijk iets deden. En tóch zijn het praktisch idealisten. Want betrokkenheid, van producent maar ook van de consument, vergt tijd en aandacht. Dat doe je ‘slow’.

Advertenties