Een pornografisch universum

The pornographic universe: celebration or extinction of desire: dat was de titel van het debat van het Studium Generale van de Erasmus universiteit Rotterdam waar ik gisteren aanwezig was om een column voor te lezen.

Het debat werd gehouden ter ere van de tentoonstelling Bodypoliticx in het centrum Witte de With. Een tentoonstelling, opgezet door curator Florian Waldfogel, met beeldende kunst die iets deed met het onderwerp ‘pornografie’. Dat laatste betekende niet specifiek prikkelende kunst, al zaten er afbeeldingen bij die dat effect konden hebben. Het was vooral kunst die een statement maakte over pornografie. Mensen (mijzelf incluis) dwaalden langs de verschillende afbeeldingen met een museumblik. Wat is een museumblik? Het is de geïnteresseerde blik van de voorbijganger. De interesse die het bekekene tot bekeken maakt, objectiveert, de blik die een muur zet tussen het tentoongestelde en het zelf. De blik die niet deelneemt. Kijkt. Pornografische afbeeldingen: u hangt daar maar prikkelend te zijn, ik doe niet mee, ik ben museumbezoeker. Ik ben er eigenlijk niet, ik kijk toe.

Iets dergelijks wilde filosoof Rob van Gerwen, één van de andere sprekers tijdens het debat geloof ik vertellen. Pornografie wordt onschadelijk gemaakt in het museum. In zijn ogen de oplossing voor de pornoficatie van de samenleving. Curator Florian Waldfogel had een ander verhaal. Tijdens het opstellen van de tentoonstelling had hij zoveel porno gezien dat hij er immuun voor was geworden, zei hij. Hij vond porno saai. Dat was dan ook de oplossing voor de pornoficatie van de samenleving: ons laten overspoelen door pornografische beelden. Dan zou het ons allemaal gaan vervelen. Waarop ik me onmiddellijk afvroeg: is dat niet al het geval?

Filosoof Jos de Mul thematiseerde pornografie en geweld. Dat deed hij door een lange reeks plaatjes te laten zien van zowel geweld (moorden, lynchings) als porno (billboards, sm enz). Hij deed dit aan de hand van het begrip ‘subliem’. Iets dat subliem is kan tegelijkertijd mooi en aantrekkelijk zijn als dat het angstaanjagend en afstotend is. Ik moet eerlijk zijn dat ik in het geweld van zijn diashow zijn pointe enigszins gemist heb, maar volgens mij kwam het erop neer dat we ons er min of meer bij neer moesten leggen dat seksualiteit en geweld op die manier in kunst en media gethematiseerd zouden worden.

En dan was er de Rotterdamse schrijfster Judith Visser. Zij was niet zo negatief over de pornoficatie in media en cultuur. In haar ogen was het vooral de taak van de ouders om hun kinderen zo op te voeden, dat ze zichzelf niet zouden vernederen. Voor elk meisje is haar moeder het beste rolmodel, was haar enigszins naïeve conclusie.

Al met al werd de discussie niet echt concreet en had van mij wel iets politieker mogen zijn. Ik heb een deel van de tijd gediscussieerd met Rob van Gerwen over een onderscheid dat hij maakte tussen woord en beeld. Volgens hem waren beelden altijd schokkender en reëler dan woorden. Als hij sprak over pornografie dan ging het vooral over beeld. Ik wierp tegen dat een boek als Brett Easton Ellis’ American Psycho toch ook wel degelijk een schokkend boek was. Volgens hen was een foto schokkender omdat die een soort van bewijs was dat het afgebeelde werkelijk was gebeurd. Mijn tegenwerping was dat als je ‘waargebeurd’ bovenaan je tekst zet, je hetzelfde effect bereikt als met een foto (die – bedacht ik me later – best gephotoshopt kan zijn en dus juist geen werkelijkheid weergeeft!). Dat soort discussies dus. Ik miste de politieke lading.

Veel interessanter waren de gesprekken die ik na afloop met bezoekers van het debat voerde. Een meneer vertelde iets heel boeiends over de geschiedenis van de reclame en het moment dat reclamemakers besloten – geinspireerd door Freud – om een commerciële boodschap met seksuele prikkels te vermengen. Mocht die meneer dit lezen, dan zou ik graag een mail van hem ontvangen: zeer interessante feitelijke informatie! Ik kreeg ook leuke reacties van mensen op mijn column, die zaterdag in het katern Letter&Geest van de Trouw zal verschijnen. Hopelijk breng ik iets aan het rollen! In ieder geval zal de in het pamflet naar voren gebrachte redenering worden verwerkt in het pamflet over pornoficatie dat ik samen met Brechtje Paardekooper voor Waterland ga schrijven. We zijn nog niet klaar met het onderwerp!

Advertenties
Vorige bericht
Volgende bericht
Een reactie plaatsen

3 reacties

  1. Gbrand

     /  3 oktober 2007

    ik was er ook bij. Volgens mij zei Judith niet dat ieder meisje het beste haar moeder als rolmodel kan hebben, maar werd haar de vraag gesteld waar een meisje meer aan heeft: aan Beyonce of aan haar moeder. Haar logische antwoord was toen: aan de moeder van het meisje.
    Daar ben ik het mee eens.

    Beantwoorden
  2. Dat ligt er maar net aan wat voor moeder dat meisje heeft. Niet iedereen in de maatschappij heeft het geluk een prachtig rolmodel als moeder te hebben. In sommige gevallen is een moeder dat niet of is er al helemaal geen moeder te bekennen. Dan zal ze toch ergens een ander rolmodel vandaan moeten halen…

    Beantwoorden
  3. Je kunt je ook afvragen of moeders voldoende invloed kunnen hebben als meisjes van jongs af aan een ander beeld krijgen voorgeschoteld via media, artiesten en reclame. In hoeverre kunnen moeders daar ‘boven’ staan en hun dochter een realistisch beeld van die rolmodellen geven?

    Beantwoorden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: