Oud en nieuw links

Gisteren was er in Het Elfde Uur een kandidaat lijsttrekker voor de PvdA (Lilianne Ploumen) te gast. Natuurlijk kwam de herrijzende Jan Pronk ter sprake. Knevel kon het even niet laten. Jan Pronk was ‘oud links’ en ging dus over ‘het toedekken van allerlei problemen’. Toen Ploumen aangaf dat ze zich ook aan de linkerkant van de PvdA positioneerde, associeerde Knevel dat onmiddellijk met ‘oud links’. Het leek of ‘links’ synoniem was voor ‘oud’ bij de EO-presentator. Nu is het natuurlijk enigszins lachwekkend een calvinist als Knevel, die zo via een tijdmachine uit de periode van de reformatie naar het nu gebeamed lijkt te zijn, te horen praten over ‘links’ als oud. Eveneens is het grappig om zo iemand te horen spreken over het ‘toedekken van problemen’ terwijl we weten dat het christendom daarvoor is uitgevonden. Maar het onderwerp is boeiend: wat betekent eigenlijk dat woordje ‘oud’ in politieke context?

‘Oud’ als ideologische kwalificatie
Natuurlijk wordt dat woordje vooral in polemische zin gebruikt, om mensen te diskwalificeren. Als je gelooft in de ‘Vooruitgang’ (wat wij in Nederland nog altijd schijnen te doen) dan is alles van vroeger versleten, alles van nu beter en alles van morgen het best. Dat is een soort redenering die boven alle discussie verheven staat. Toen in 1989 de Berlijnse muur viel was dat niet alleen een dreun voor specifiek dictatoriale vormen van socialisme, maar werd deze historische gebeurtenis ook ‘gelezen’ als de overwinning van het neoliberale marktdenken op andere vormen van maatschappelijke ordening. Niet alleen communisten, maar ook sociaal-democraten en andere vormen van gematigd links kregen het zwaar te verduren. Ineens waren ze niet ‘progressief’ meer, maar ‘oud’: ‘oud links’. Als antwoord liet ‘links’ zijn ‘ideologische veren’ vallen: Kok in Nederland, Blair in Engeland. Kok maakte Lubbers’ karwei af en Blair dat van Thatcher. Het is cynisch om te zien hoe datgene wat de rechtse hervormers niet gelukt was juist door hun ‘linkse’ opvolgers met veel bezieling tot stand werd gebracht. ‘Nieuw links’ was eigenlijk rechts in vermomming.

Leeftijd en diskwalificatie
Het woordje ‘oud’ kleeft natuurlijk ook aan de leeftijd van iemand als Pronk. In Nederland geloven wij bijvoorbeeld dat ‘jonge’ mensen (Bos, Balkenende) per definitie ‘fris’ zijn en ideologisch de Nieuwe Tijd belichamen. Partijvernieuwing is beslist niet iets voor senioren, aan wie altijd een walm van conservatisme kleeft, die omwille van hun belegen aard al onherroepelijk afkoersen op de grijs-grauwe, warme en veilige sferen van het bejaardentehuis. Maar schijn kan bedriegen. Was het niet een ‘oudere’ babyboomer als Pim Fortuyn die Nederland een paar jaar geleden op zijn grondvesten deed schudden? Was het niet in de jaren ’70 Joop den Uyl, die toen al in de vijftig was, die het boegbeeld werd van de progressieve veranderingen in Nederland? Het is daarom onzinnig om iemand te diskwalificeren op basis van zijn leeftijd: het woordje ‘oud’ is –in die zin gebruikt- goedkoop en waardeloos.

Oud links
Is het dan überhaupt zinvol om te spreken van ‘nieuw’ en ‘oud’ links? Ik geloof toch van wel. Wat links of progressief is op een bepaald moment is echter niet afhankelijk van de ideologische mode, maar van een grondige analyse van de economische onderbouw. Het kapitalisme verandert voortdurend en de strijd van gisteren is niet meer dezelfde als die van vandaag. Om een beeld te krijgen van die ontwikkeling is het goed om even kort de laatste drie fasen van het kapitalisme door te lopen en te zien hoe ‘links’ zich destijds positioneerde.

In de 19de en het begin van de 20e eeuw bestond er een klassieke tegenstelling tussen bourgeoisie en proletariaat. Ondernemingen waren veelal in privé bezit en arbeiders werden uitgebuit. De linkse strijd was die voor kiesrecht, politieke invloed en verbeteringen van de leefomstandigheden voor alle mensen. Langzamerhand is dat kapitalisme overgegaan in die van de grote bedrijven, de grote vakbonden en de verzuiling. In deze periode was er meer veiligheid en zekerheid voor veel mensen: je begon bij een bedrijf en bleef loyaal en werkte je gedurende je leven stap-voor-stap op. Autoriteit was belangrijk in die tijd, evenals je maatschappelijke positie als onderdeel van een zuil. Je volledige identiteit en dagbesteding werd door instituties als bedrijf, kerk, familie en gezin bepaald. Veel vrijheid was er niet en van een werkelijke democratie was ook niet echt sprake, aangezien je gewoon stemde op de partij die min of meer bij je zuil hoorde. In dat opzicht verschilde het kapitalisme in ons land niet veel van de communistische dictaturen in bijvoorbeeld het Oostblok. De linkse strijd in deze tijd was die voor meer individualisering, meer vrijheid en democratie, tegen autoriteit, vaak ook tegen de kerk en voor meer gelijkheid.

Nieuw kapitalisme
Sinds de jaren ’70 en ’80 is de economische structuur waarin we leven weer veranderd en dat had omvangrijke consequenties. De economie werd flexibel, alles wat vast werd, werd vloeibaar. Het zogenaamde Bretton Woods systeem werd verlaten zodat de Amerikaanse dollar niet meer aan de goudstandaard gekoppeld was. Als gevolg daarvan werden de meeste geldkoersen ‘zwevend’. Door de steeds populairder wordende neoliberale ideologie privatiseerden veel landen hun ‘vaste’ staatsbedrijven en lieten deze over aan de markt. Globalisering en internationale concurrentie werden scherper doordat steeds meer ‘concurrentievervalsende’ beleidsmaatregelen op voorspraak van organisaties als het IMF werden afgeschaft. De tijd van de grote bedrijven waar je je leven lang in dienst was, waren voorbij. De maatschappij raakte in een stroomversnelling: bedrijven konden zo failliet gaan, reorganisaties waren aan de orde van de dag. De ideale werknemer werd flexibel: hij of zij was niet gebonden aan huis of haard, had geen loyaliteit voor een bepaald bedrijf, maar was iemand die vrijelijk de wereld kon doorkruisen op zoek naar steeds weer nieuwe ‘uitdagingen’, iemand die inspeelde op de ‘kansen’ van het moment. Het effect op onze cultuur van deze veranderingen is enorm en zet nog steeds door en de sociale ontwikkelingen zullen de komende jaren ook steeds extremere invloed uitoefenen.

Flexibele economie en nieuwe linkse idealen
Wat opvalt is dat elke nieuwe fase van het kapitalisme een overwinning van de linkse idealen van de vorige fase lijkt te zijn. De ‘middenfase’ bevatte alle zekerheid waarvoor links in de vroege fase gestreden had. De makke aan dit systeem was echter het gebrek aan individuele vrijheid. De ‘late’ fase lijkt alle vrijheid te geven waarvoor de progressieven in de middenfase gevochten hebben: er was geen gebondenheid meer aan zuil of organisatie en individuele ontplooiing lijkt nu voor iedereen open te liggen. De eenzijdige nadruk op flexibiliteit en bewustzijn van kansen heeft echter geleid tot een algemene oppervlakkigheid gecombineerd met existentiële eenzaamheid. Er komen steeds meer singles, maar ‘happy’ zijn ze allang niet meer. Mensen lijden onder werkdruk en vanuit de overheid krijgen we alleen maar te horen dat we nog meer moeten werken. Tegelijk worden we er niet gelukkiger op. Depressie wordt volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) volksziekte nummer één en één op de vier Nederlanders schijnt jaarlijks een depressie te ontwikkelen. Met al onze vrijheid, welvaart en onbegrensde mogelijkheden wordt de mens steeds leger, platter en ongelukkiger. We zijn meer met onszelf bezig en ongevoeliger voor de wereld om ons heen. En nog een vreemde ontwikkeling: we zijn helemaal niet zo individualistisch geworden, maar zijn steeds meer op elkaar gaan lijken. Dat moet ook wel, want in een flexibele economie moet je je kansen grijpen en dat betekent dat je de kunst moet verstaan om in ieder geval ‘voor te wenden’ dat je uitblinkt, maar niet teveel afwijkt, want dan ‘pas je niet in het team’ en dat betekent in een tijd dat het ontslagrecht steeds meer versoepeld wordt dat je alvast je spullen kan gaan pakken. Dat geldt voor de werknemer, maar nog sterker voor de flexwerker of freelancer die overal immers dezelfde goede indruk moet maken om zijn ‘product’ te verkopen.

Oud en nieuw links nu
Terug naar het onderscheid tussen ‘oud’ en ‘nieuw’ links. ‘Oud’ links betekent dat je simpelweg de vorige oorlog aan het voeren bent. Je politieke idealen zijn afgestemd op een vorige fase van het kapitalisme. D’66 is bijvoorbeeld oud links, met zijn grote nadruk op democratisering. In een tijd van grote politieke desinteresse is dat volledig de verkeerde weg. Dit geldt ook voor een deel van GroenLinks, dat met behulp van een versoepeling van het ontslagrecht denkt de vrijheid van minderheden te vergroten maar daardoor de rat-race versterkt en mensen nog meer dwingt om zich voortdurend aan het keurslijf van elke nieuwe werkgever aan te passen. Zogenaamde politieke vernieuwingsbewegingen als Luxvoor die denken via een vooral economische gedefinieerde ‘ontplooiingsstaat’ mensen vrijer te kunnen maken slaan om dezelfde reden de plank geheel mis. ‘Nieuw Links’ betekent volgens mij het centraal stellen van geluk in het politieke en economische beleid. Het betekent dat je je verzet tegen de alsmaar sterker wordende prestatiedruk en de maatschappelijke gelijkmakingsmachine. Mensen zouden niet alleen de mogelijkheden moeten krijgen maar ook gestimuleerd moeten worden om zich niet-economisch te ontwikkelen, om na te denken over de werkelijke inhoud van hun leven, over datgene wat je niet kan kopen. Het betekent dat de nadruk komt te liggen op authenticiteit, op een werkelijk individualisme dat echter nooit zonder de steun van de gemeenschap kan ontstaan. Er moet een halt toegeroepen worden aan de overspannen productiegekte van de economie en vrijheid dient niet als kansen, maar als tijd te worden gedefinieerd.

Pronk en ontslagrecht
Of iemand als Jan Pronk of Lilianne Ploumen die tijdgeest goed begrijpen is moeilijk te zeggen. Wel vind ik het standpunt tegen versoepeling van het ontslagrecht van Pronk uitgesproken ‘nieuw links’ in mijn definitie, al vraag ik me af of hij dat vanuit de juiste motivatie doet. Dat ik vind dat het ontslagrecht niet versoepeld mag worden heeft er niet mee te maken dat ik graag terugwil naar een vorige fase van het kapitalisme waarin mensen hun leven lang bij dezelfde baas blijven, maar dat ik vind dat de beslissing om weg te gaan eerst en vooral bij het individu zelf moet liggen en niet bij de werkgever. Deze wordt bij problemen gedwongen om op een open en eerlijke manier met een medewerker die moeilijk ligt in gesprek te gaan om gezamenlijk tot een plan te komen. Dat is veel ‘menselijker’ dan je te verschuilen achter de gezichtsloze procedure van het ontslagrecht. Het stimuleert daarnaast ook een kritische houding bij medewerkers, wat leidt tot een meer individualistische cultuur dan wanneer je je moet aanpassen omdat je er ieder moment kan uitvliegen.

Pronk lijkt me verder een exponent van het emotionele links waar ik eerder wel kritisch over geschreven heb. Toch geloof ik dat een stevige linkse koers in de PvdA niet verkeerd zou zijn, wellicht zou het de discussie kunnen stimuleren en de partij zo naar een meer afgewogen ideologisch politiek beleid kunnen leiden, in plaats van de vlees-noch-vissige middenkoers van Wouter Bos. Misschien is er wel een oude man nodig om de partij weer een broedplaats te maken voor nieuwe ideeën.

Spirituelen en koeien

Met veel plezier lees ik altijd de stukjes van Marjoleine de Vos. Zij is columniste voor NRC Handelsblad evenals voor Happinez en schrijft over diverse onderwerpen zoals filosofie, spiritualiteit, religie maar ook bijvoorbeeld over (verantwoord) koken. Haar columns zijn meestal een zeer persoonlijke worsteling met existentiële vragen als ‘hoe kan ik gelukkig leven terwijl er zoveel mensen honger lijden’, ‘Hoe kan ik rust vinden vanuit mijn stressvolle bestaan’ enz enz. Precies de vragen waar de nieuwe spirituelen ook mee zitten.

Ik wil even met wat meer aandacht kijken naar twee columns van haar: één in NRC Handelsblad van afgelopen maandag, en één in de meest recente Happinez. Ze zal de onderwerpen zeker afstemmen op het medium, want de column in NRC is iets meer maatschappelijk getoonzet terwijl die in Happinez vooral over haarzelf gaat. In NRC maakt ze zich vooral zorgen over haar geluksgevoel bij het idee dat ze bij een te bezoeken groothandel kan kiezen uit 40 soorten azijn. En deze euforie vergelijkt ze dan met ‘de toestand in de wereld’ . Nu kan ik me moeilijk voorstellen dat iemand gelukkig wordt van 40 soorten azijn. Ik zou er heel zenuwachtig van worden en ten ondergaan aan keuzestress. De Vos blijkbaar niet. Aan het einde van haar column komt ze tot de conclusie dat ‘permanent ongelukkig te zijn in het besef van ellende – dat levert weinig op.’ Ze doet wat ze kan en voor de rest geniet ze er zoveel mogelijk van. Ter ondersteuning daarvan citeert ze Prediker: ‘eet je brood met vreugde, drink met een vrolijk hart je wijn.’

In haar column in Happinez beschrijft De Vos hoe ze een koe in de wei kan benijden om zijn rust. Ze schrijft dat ze graag tegen zo’n koe aan zou willen gaan liggen ‘Om het warme leven onder de huid te voelen, het rustige bestaan, het welbehagen van een koe te zijn die in de wei ligt en herkauwt op een mooie zomerse dag.’ De columniste verlangt ernaar om het menselijk bestaan te verruilen voor dat van een koe. Waarom wil ze dat? Dat heeft denk ik te maken met het eeuwenoude filosofische probleem van de mens, dat je als mens altijd méér wil, verlangt naar iets anders, iets extra’s. Nietzsche noemde de mens het ‘onafgemaakte dier’, omdat het menselijk bestaan nooit helemaal rond, helemaal harmonisch is. Er is altijd een opening en dat is het verlangen. Het verlangen is de barst in het menselijk bestaan, de onevenwichtigheid die ons tegelijk mens maakt. We zoeken altijd naar een onmogelijk genieten ergens achter de horizon, onmogelijk omdat elke keer als we onze verlangens denken te hebben gerealiseerd, we weer meer willen. Lacan noemde dat onmogelijke genot ‘jouissance’. En ondanks dat afwijkende in de mens, blijven we toch onderdeel van de natuur, met onze driften en onze behoeften: we moeten eten, drinken, slapen, seksen. Net als dieren. Erich Fromm formuleerde die menselijke conditie heel mooi: ‘Man is set apart, while being a part’.

Terug naar De Vos en al die nieuwe spirituelen die met haar eigenlijk liever een koe willen zijn. Die gewoon willen genieten van het leven, lekker willen eten en drinken en zich niet druk maken over al die narigheid in de wereld en in hun persoonlijke leven. Die ontsnappen willen aan dat voortdurende verlangen naar meer en liever willen ‘leven in het nu’. Dat is natuurlijk heel begrijpelijk, ‘mens-zijn’ is niet gemakkelijk, het is vermoeiend, ingewikkeld, onduidelijk, beangstigend. Maar aan de andere kant houdt mens-zijn ook het potentieel in om prachtige dingen te bereiken, om de wereld werkelijk te veranderen, om kunst te maken, schoonheid te beleven, lief te hebben, inzichten te krijgen, te fantaseren en te dromen. Het koe-zijn dat De Vos zo idealiseert, heeft ook een andere kant. Dat van het kuddedier dat ingezet wordt voor productie. Aan de lopende band gemolken worden, geregistreerd zijn met een groot geel merk in je oor en uiteindelijk volgzaam naar de slachtbank geleid worden ter bevrediging van de honger van ‘anderen’. En dat is wat we uiteindelijk worden als we ‘leven in het nu’. Terwijl we denken onszelf bevrijd te hebben van het verlangen worden we alleen maar meer onderdeel van de grote productiemachine.

De koe staat hier eigenlijk voor de jouissance van de nieuwe spirituelen. Het verlangen naar het koe-zijn van De Vos bevat in zichzelf ook weer het geloof aan een ultiem genot, het genot van het het niet-verlangen. Maar is dat werkelijk wel zo fijn? We kunnen het niet weten omdat het onmogelijk is het te voelen. De Vos vertelt in haar column in Happinez dat ze na de dood van een vriend eindelijk is gaan voelen hoe ze simpel kan bestaan, zonder te verlangen. Toch spreken al haar columns dat tegen. Dat blijven worstelingen met de wereld. En dat is maar goed ook. Want in een verlangenloze ‘koeiige’ staat zou ze geen columns of gedichten meer schrijven. Geen stukjes over verantwoord koken zouden meer uit haar pen komen. En dat zou toch jammer zijn, want ik lees haar graag.

Spirituele politiek (2)

In mijn vorige stuk opperde ik dat er een enorm potentieel voor de linkse partijen zou kunnen liggen bij de zogenaamde ‘nieuwe spirituelen’, de toenemende groep mensen op zoek naar authentieke, verlichtende ervaringen. De vraag is natuurlijk: biedt die spiritualiteit werkelijk een mogelijkheid tot maatschappelijke revolte, of doet deze niets anders dan de bestaande rat-race, het doorgedraaide neoliberale kapitalisme te ondersteunen? Is dagelijkse meditatie bijvoorbeeld niet iets dat ons juist klaarstoomt om nóg meer te werken, nóg meer te produceren? Is de herhaalde roep om te ‘leven in het nu’ juist niet de perfecte manier om elke werkelijke kennis over de maatschappelijke omstandigheden te ontlopen, om rondjes te draaien als een goudvis in zijn kom en dat nog prettig te vinden ook omdat we telkens weer vergeten dat we steeds hetzelfde rondje zwemmen?

Yoga en opium
Een blik op het laatste nummer van Happinez voorspelt niet veel goeds. Het in vrolijke kleurtjes vormgegeven magazine behandelt bijvoorbeeld de yoga-filosofie van swami Umesh Yogi ‘Als je om je heen kijkt, dan zie je dat de natuur zonder moeite is gecreëerd. De natuur doet geen moeite er zo mooi uit te zien. Zij is zo.’ Vervolgens vertelt de  swami dat de mens een en al strijd is en dat dat komt omdat onze ‘perceptie’ incompleet is. De oplossing hiervoor is meditatie. Nu is de redenering van deze Yoga-adept behoorlijk aanvechtbaar. De natuur is immers niet ‘zonder moeite gecreëerd’ maar uit strijd ontstaan en nog steeds vol van strijd. De natuur heeft een wrede en meedogenloze kant, dieren vreten elkaar op, vermoorden soms hun eigen jongen, planten en bomen vechten om een paar zonnestralen. De swami laat zich verblinden door de schijnbaar harmonische uitstraling van de natuur op een mooie lentedag en probeert dat gevoel over te brengen op zijn studenten. Als je maar afstand neemt van de werkelijkheid, als het ware een perspectief vanaf een berg neemt, dan ziet alles er vredig uit en vergeet je het gewelddadig krioelen. De ‘perceptie’ van Umesh Yogi is in wezen opium. Opium voor de gespiritualiseerde middenklasse, die na meditatie weer fijn aan het werk kan.

Is het alleen maar verdoving waar deze middenklasse naar op zoek is? Is de ‘spiritualiteit’ die ze trachten te vinden niets anders dan een moment van rust tussen de hectische arbeid door? Of het creëren van een geïdealiseerd zelfbeeld waarin alles in je leven ‘zin’ heeft, mooier is dan de dagelijkse gang naar het werk, de kantoren met hun flikkerende beeldschermen? Ik vond de column van Susan Smit in dezelfde Happinez zeer interessant, omdat deze wat zegt over de zelf-perceptie van de nieuwe spirituelen.

Flexibel spiritualisme
In deze column doet Smit een tweetal belangrijke dingen. Zo rekent ze zichzelf expliciet tot de groep ‘nieuwe spirituelen’, maar wijst ze het label van een ‘gelovige’ af: ‘Iets aannemen omdat het toevallig in een heilig boek staat, of omdat het zo prachtig en verheven klinkt, lukt mij niet. Ik onderzoek, avonturier, experimenteer en de inzichten die ik daarbij opdoe, integreer ik in mijn levensbeschouwing. Dat heeft weinig met geloven te maken.’. Verderop zegt ze: ‘ik wil flexibel zijn, mijn overtuigingen steeds opnieuw aanpassen aan nieuwe inzichten’. Het is grappig te zien hoe Smit het jargon van het moderne flexibele kapitalisme moeiteloos toepast op haar spirituele leven. Zoals de moderne flexwerker van baan naar baan hopt, zich overal aanpast en voortdurend openstaat voor nieuwe ondernemingen, zo zijn de nieuwe spirituelen in staat om te hoppen van regressietherapie naar yoga, en van daar naar tarotkaarten leggen en Indiaanse zweethutten. Ze binden zich niet meer aan één geloofsovertuiging (zoals in het oude kapitalisme de werknemer loyaal was tegenover een werkgever waar je soms je hele leven carrière maakte) maar trekken rond als spirituele nomaden en gebruiken wat hen van pas komt.

Ik wil deze houding niet bij voorbaat veroordelen. Mijn eigen verhouding tot filosofie is vergelijkbaar, ook ik gebruik wat mij van pas komt. En dezelfde vormen vind je terug bij het leven van de zogenaamde ‘happy single’. Uiteindelijk is dit zwervende bestaan tegenwoordig onontkoombaar, omdat economische verhoudingen voor een groot deel onze culturele uitingen determineren. Werk is zo belangrijk, je bent er zo’n groot deel van je leven mee bezig, het kan niet anders dan dat de structuur van je werk ook invloed heeft op je uitingen en ook op je denken zelf. Maar wat nu als je in dit nomadische bestaan inzichten opdoet, die niet zo prettig zijn? Je bewust wordt van ‘waarheden’ die keihard zijn en zich niet op de pastelkleuren van Happinez laten afdrukken? Wat dan? Incorporeer je die ook in je levensbeschouwing en doe je er iets mee, of ga je ze uit de weg, door bijvoorbeeld nog maar even in meditatie te gaan bij swami Umesh Yogi?

Werkelijke spiritualiteit
De vrolijke flexwerker, de happy single, de zoekende spiritueel, allen worden ze geconfronteerd met de donkere kant van het leven. De flexwerker wordt ontslagen en ontdekt in een periode van recessie dat hij of zij geen baan meer kan vinden. Of wordt uitgebuit met een laag salaris en slechte secundaire arbeidsvoorwaarden. De flexwerker is monddood, want heeft totaal geen invloed op besluitvorming. Als je het er niet mee eens bent, dan zoek je toch een andere werkgever? De happy single is meestal niet zo happy en ondervindt de nadelen van een bestaan waarin niemand zich meer durft te binden. En de zoekende spiritueel wordt geconfronteerd met de leegte van sommige therapieën, de harde, commerciële kant maar eveneens met haar eigen onvrede, omdat zij maar blijft zoeken.  Het is de bewustwording van dat onvervulde dat toegang geeft tot werkelijke spiritualiteit. Het universele besef dat je als mens altijd iets zal blijven missen, dat er altijd strijd is en dat elke schijnbare harmonie verstoord wordt door iets dat niet klopt, iets wat het totaalbeeld ontwricht. Juist het bewustzijn van die onevenwichtigheid geeft een werkelijk perspectief op het zelf.

Spiritualiteit en politiek
Dat is allemaal prachtig, zal de oplettende lezer denken, maar in wat voor opzicht leidt deze universele waarheid nu nog tot politiek verzet? Het besef van de gespletenheid van het zelf is van alle tijden, dat vind je al terug in de mythe van de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs. Mijn redenering is dat de gefragmenteerde leefsituatie in de periode van het flexibele kapitalisme meer dan ooit de mens prijsgeeft aan de onvolledigheid van zijn natuur. Als we niet vluchten in holle ideologieën en verdovende therapieën dan blijft alleen de ontstellende eenzaamheid en onzekerheid van de moderne tijd over. De onvolledigheid van alle new age inzichten en de lange tocht langs alle nep-verlossers drukt ons met de neus op het gebrek aan structuur en vastigheid in deze van economische groei bezeten wereld.

Ik bepleit geen terugkeer naar de tijden van weleer, maar geloof wel dat wil er enige rust komen op de andere vlakken van ons leven, ook het spirituele vlak, er eerst aan de bodem, in de ‘onderbouw’, veranderingen moeten worden doorgevoerd. Het economisch systeem zou zo moeten functioneren, dat het mensen in staat stelt om werkelijk de confrontatie met het bestaan aan te gaan, zonder voortdurend te worden aangetast in hun bestaanszekerheid en zonder zich altijd maar ‘flexibel’ te moeten opstellen, met andere woorden, zich voortdurend hoeven te conformeren aan de wensen van een werkgever, de markt of de krampachtig activerende overheid. Dit zal de tragische kant van de menselijke conditie vrees ik niet oplossen. Maar geeft ons wel de kans om de confrontatie ermee aan te gaan en zo werkelijk spiritueel te leren leven.

 

Spirituele politiek

Een van de maatschappelijke ontwikkelingen die door ‘links’ nog teveel over het hoofd wordt gezien is de opkomst van de zogenaamde ‘nieuwe spirituelen’. De steeds groter wordende groep van Happinez lezende, op-zoek-naar-zichzelf-zijnde, milieubewuste levenskunstenaars. De onderliggende behoefte van deze mensen, de zoektocht naar authenticiteit in een steeds artificiëler wordende en op hol gedraaide kapitalistische wereld ligt veel dieper dan een oppervlakkige modetrend: het is niet de zoveelste nieuwe lifestyle. Er is iets meer aan de hand en linkse partijen zouden daarop moeten inhaken.

Waarom verkoopt een boek als Tijd van onbehagen van filosoof Ad Verbrugge zo goed? Waarom zie ik meerdere mensen in mijn omgeving, die anders nooit filosofie zouden lezen dit boek aanschaffen en zich door zijn moeizame Hegeliaanse en Heideggeriaanse jargon heenploegen? Dat heeft natuurlijk te maken met de fenomenale marketing van Verbrugge zelf en de diep-doorvoelde boodschap die er in zijn optreden bij Tegenlicht en Zomergasten naar boven kwam. Namelijk een fundamentele kritiek op de moderne tijd, het snelle kapitalisme en de oppervlakkige individualisering. Verbrugge is in staat dit zo perfect en zo doorleefd te verwoorden dat velen het direct herkennen. Wat je ook van hem vindt: de VU-filosoof is authentiek, hij is echt en hij meent elk woord van wat hij zegt. Dat zijn oplossingen voor de problematiek vaak hopeloos conservatief zijn en getuigen van een griezelig gemeenschapsdenken dat juist tegengesteld is aan een individuele levenskunst, nemen de meesten voor lief. Zo profiteert een rechtse filosoof van de hang naar authenticiteit en de onderliggende maatschappijkritiek bij de nieuwe spirituelen.

Zeker partijen als Groen Links en de PvdA zouden volgens mij kunnen winnen door zich serieuzer bezig te houden met het onderwerp spiritualiteit, bijvoorbeeld door debatten te wijden aan de relatie tussen spiritualiteit en politiek. Vanwaar die angst van de politiek om zich hiermee bezig te houden? De relatie tussen politiek, idealisme en persoonlijke overtuigingen heeft in Nederland immers een lange traditie. De dichter Albert Verwey gaf van 1905 tot 1919 een tijdschrift uit, genaamd De Beweging, waarin al deze onderwerpen samenkwamen. In dit blad, de Happinez van het fin de siècle, was de socialist Troelstra naast anderen een vaste contribuant.

Een van de oorzaken van de linkse angst voor spiritualiteit, maar ook voor idealisme in het algemeen, heeft te maken met een aantal hardnekkige mythen. In de eerste plaats is dat de na de val van de muur ontstane overtuiging dat grote idealen eigenlijk heel gevaarlijk zijn. Kijk maar naar het communisme, zei men. Die communisten hadden ook goede bedoelingen, zie wat ervan komt: een handvol dorre dictaturen die uiteindelijk van ellende uiteenvallen. Voor het gemak werd het communisme nog even gelijk gesteld met het fascisme. Dat was immers ook een vorm van ‘idealisme’ met verschrikkelijke gevolgen. Dit soort banaliteiten en gemakkelijke redeneringen vonden een vruchtbare voedingsbodem bij teleurgestelde linkse mensen na het falen van het reëel bestaande socialisme in een tijd van opkomend neoliberalisme. In de jaren ’90 groeide de interesse voor een pragmatische benadering van politieke vraagstukken. Geen grootse vergezichten, stapje voor stapje, niet te hard van stapel. ‘Zorgen dat mensen het een beetje beter krijgen’ drukte Wouter Bos het uit in één van de meest ontluisterende televisiemomenten.

Intussen werden bedrijven geprivatiseerd en werd de samenleving almaar sneller en anoniemer. Het loslaten van grote idealen maakte dat alleen de oppervlakte overbleef. Gedurende de jaren ’90 bleef er een geloof bestaan in de technocraten van Paars, die probeerden het neoliberalisme een menselijk gezicht te geven. In plaats daarvan bereikten ze het tegendeel. Juist door het menselijke gezicht van de neoliberalen werd het verstandelijke, rationele, oppervlakkige van hun missie zichtbaar. Ad Melkert was de vleesgeworden verstandige rationaliteit en zijn beroemde confrontatie met Fortuyn was het moment waarop voor het eerst de fundamentele stroom van onbehagen zich publiekelijk manifesteerde. Melkert wist het allemaal zoveel beter en zat er daarom zover naast. Hij bleef op zijn oppervlakteniveau debatteren en ontmaskerde zich zo genadeloos als iemand die de greep op de veranderde tijdgeest volledig kwijt is,

Fortuyn maakte in zijn populisme een diep ongenoegen duidelijk. Maar tegelijk was hij een idealist met een gedeeltelijke neoconservatieve agenda. Het neoconservatisme nam het idealisme van links over en dat was een gebeurtenis op wereldschaal. Heel de aarde leek te beven toen Bush met zijn troepen Irak binnenviel met het grote ideaal om deze dictatuur om te vormen tot een moderne democratie. Het falen van de Irak-missie sterkte vele voorheen linkse intellectuelen in een gematigd conservatisme (dat dus tegengesteld is aan het rabiaat idealistische neoconservatisme dat geloofde in de maakbaarheid van een democratie). Had het pragmatisme in de jaren ’90 nog een progressieve en idealistische uitstraling gehad: ‘we gaan met verstandig beleid alle problemen oplossen’, dit nieuwe conservatisme ging uit van de slechtheid van de mens. Problemen kunnen we niet oplossen, we kunnen slechts de schade beperken. Een conservatief als John Gray wordt tegenwoordig veel gelezen en geprezen in intellectuele kringen. Een voorheen links blad als De groene Amsterdammer is zo langzamerhand een orgaan geworden voor dit soort gematigd behoudende tendensen.

Het grappige is nu dat de nieuwe spirituelen zowel tegenover het technocratische pragmatisme, het nieuwe gematigde conservatisme als het neoconservatisme staan. Deze mensen willen weer geloven. In zichzelf, in authenticiteit, in een betere wereld. Zij voelen zich niet aangetrokken door het sombere mensbeeld van pragmatici en conservatieven of door overdreven idealistisch spierballenvertoon. Dit zijn eerder mensen die behoefte hebben aan inspiratie, aan nieuwe leiders in de stijl van Martin Luther King, Mahatma Gandhi en Nelson Mandela. Of de figuur Joe Speedboot uit de gelijknamige roman van Tommy Wieringa. Want deze dromers leren dat niet elk idealisme eindigt in sombere dictaturen. Er is wel degelijk ruimte om de wereld te veranderen en te denken vanuit grootse vergezichten (‘I have a dream!’). En er is een grote groep mensen die hier voor open staat, mits ze aangesproken worden vanuit hun eigen individuele hang naar echtheid, authenticiteit en spirituele verbondenheid. Zoals de filosoof Zizek voortdurend blijft uitleggen: wat er nodig is voor werkelijke verandering is geloof. Niet het perverse geloof van de fundamentalisten, maar het vertrouwen in een betere wereld en de mogelijkheid om daar als persoon iets aan te doen.

Een prachtige exponent van dit nieuwe idealisme is iemand als Remko van Broekhoven, die dit jaar zijn boek Staat van tederheid publiceerde. Dit boek, dat juist liefde en tederheid als uitgangspunt neemt voor werkelijk idealisme vormt in mijn ogen een begin voor een linkse stroming die vele mensen zou kunnen inspireren en stimuleren. Het boek heeft onverdiend te weinig aandacht gekregen in de media, gedeeltelijk doordat die media vooral bezet worden door gematigd conservatieve intellectuelen. Daarnaast kan het boek nog veel beter en concreter worden uitgewerkt. Maar zoals gezegd: het is een begin. Het wordt eens tijd dat men hier in links politieke kringen meer oog voor krijgt, voordat nog meer rechtse denkers (en politici) ermee vandoor gaan.

Verbied Dick Bos!

Boeken verbieden is ‘in’ tegenwoordig. Neem nu Geertje Wilders. Die wil helemaal in zijn eentje, met zijn partijtje, de Koran gaan verbieden. Geertje vindt de Koran namelijk net zo’n naar boek als Mein Kampf. Die is ook verboden, dus waarom de Koran niet. Zo denkt ons Geertje.

In België wil een studentje, Mbutu Mondondo Bienvenu, nu het stripboek Kuifje in Afrika uit de handel laten nemen. Dit omdat er discriminerende teksten en plaatjes over Congolezen in dit uit 1931 stammende stripboek voorkomen. Volgens Mubututje is het boek ‘een belediging voor alle Congolezen’.

In het kader daarvan zou ik willen voorstellen om ook onze eigen Dick Bos maar te verbieden. Wie was Dick Bos? Dat was een Nederlandse stripheld uit het midden van de 20ste eeuw, getekend door Alfred Mazure. Het geval wil, dat Dick Bos een schandalige seksist is. Ik kan dat illustreren met enig beeldmateriaal uit No. 22 uit de Dick Bos serie, getiteld: Handen omhoog. Bos ontmoet ene Nelly. Een nogal bazige vrouw. Gelukkig blijft Dick koel en laat hij zich niet door haar commanderen:

Dick_bos1
Wat een bikkel, die Dick Bos! Maar hij heeft gelijk en hij krijgt gelijk, deze uiterste masculiene macho man. Kijk maar:
Dick_bos_2
Ze zegt letterlijk: ‘Ik was een eigenwijs kind’. Zo kruipt de eens zo bazige vrouw voor het schuimige testosteron van onze stoere held die het nog voor elkaar krijgt om een soort van grap te maken, waarvoor je tegenwoordig bij de SGP moet zitten wil je er om kunnen lachen. Dick Bos is een belediging voor alle vrouwen! Dick Bos is een fascistisch schrijfsel, waarin mannen worden opgeroepen om vrouwen te vernederen en als kinderen te behandelen!

Met andere woorden, na Mein Kampf, de Koran en Kuifje in Afrika zullen we alle boeken moeten gaan verbieden die ook maar op de een of andere manier kwetsend kunnen zijn. Wat doen we met al die boeken? Wellicht moeten we ze gaan verbranden.

Serieus: ik kan me kwaad maken over dit soort politieke correctheid van links en van rechts (ja Geertje, ook jij bent politiek correct, je hebt alleen het discours omgedraaid. Voor de rest ben je net zo zuur en intolerant als al die PvdA’ers waar je zo tegen ageert). Het is ook om triest van te worden dat een boek als Mein Kampf in Nederland nog verboden is. Alsof mensen niet zelf slim genoeg zijn om zo’n boek kritisch te kunnen lezen. En al zouden ze dat niet kunnen, dan zegt dat meer over de kwaliteit van de geschiedenisles die ze hebben gehad en die dus danig moet worden verbeterd. Alle besproken boeken dienen gelezen te worden in de context van de tijd en cultuur dat ze geschreven zijn. Het is geschiedvervalsing om daarin wijzigingen aan te brengen, zoals kennelijk al met Kuifje in Afrika is gebeurd. En het is helemaal een schande als we ze gaan verbieden.

Vrijheid van meningsuiting: ieder lijkt dit grote democratische goed op zijn eigen manier te interpreteren. Het komt er in de kern op neer dat mensen vrij van staatspaternalisme en inmenging van de gemeenschap hun oordeel moeten kunnen vellen over allerlei soorten opvattingen. Het enige dat mensen daarvoor nodig hebben is een goede basis, daarvoor kan goed openbaar onderwijs zorgen. Als de staat gaat bepalen wat we mogen lezen of niet dan gedragen we ons als Nelly, die zichzelf beschouwt als een ‘eigenwijs kind’ en aan het handje van haar onderdrukker de wereld verder ingeleid moet worden.

Nemo’s akelige dromen

Dit weblog heet ‘Nemo droomt en denkt’ maar ik heb nog nooit gesproken over wie Nemo nu eigenlijk is. Little Nemo was een stripfiguurtje van de Amerikaan Winsor McCay. Vanaf 15 oktober 1905 tekende deze begaafde illustrator elke zondag voor de New York Herald de stripverhalen van Little Nemo in Slumberland. In mijn ogen zijn dit de mooiste strips ooit gemaakt. Ze geven een prachtig beeld van deze tijd: de interesse voor de modernste techniek (zappelins, stoomboten) in combinatie met een fascinatie met het exotische (Afrikanen, Aziaten) en het fantastische (reuzen, draken en andere fantasiewezens) zijn onderwerpen die je ook in de literatuur en de schilderkunst van die periode tegenkomt. Het is ook verleidelijk voor een historicus om de strip, met zijn nadruk op het onderbewuste (Freud!) en de griezelige sfeer te koppelen aan een andere interpretatie van die periode, het fin de siècle. In die interpretatie is deze periode vooral een van neergang en decadentie, van uitbloei van de burgerlijke cultuur. Aangezien een dergelijk tijdsgevoel vaag te duiden is en van land tot land kan verschillen, moet je voorzichtig zijn met die vergelijking. Nemo lijkt echter wel heel goed in een decadent discours te passen.

De verhaaltjes verlopen allemaal volgens ongeveer eenzelfde patroon. Nemo gaat slapen en komt in een vreemde wereld terecht. In die wereld moet iets gebeuren en datgene wat moet gebeuren gaat meestal (vooral in het begin) mis. Omdat Nemo iets stoms doet of dat er ergens een spelbreker verschijnt. Dan eindigt het met Nemo die angstig of schreeuwend wakker wordt en meestal een bezorgde of geïrriteerde ouder aan zijn bed. De dromen zijn meestal heel herkenbaar, McCay heeft het voor elkaar gekregen om de meest diepgewortelde angsten op een fantastische manier uit te beelden.

Een voorbeeldje is een strip ter ere van Valentijnsdag 1906. Nemo wordt opgehaald door Cupido die van hogerhand de opdracht heeft gekregen Nemo naar Slumberland te krijgen. Cupido heeft een lokkertje bedacht: een hele rij mooie dames uit wie Nemo zijn Valentijn kan kiezen. Nemo is enthousiast.

Choosevalentine_1

Hij kiest uiteindelijk een heel lief meisje met een roze jurkje uit. Vraagt haar mee naar Slumberland. Echter: dan komt het griezelige gedeelte. Als hij haar aan de hand neemt, blijkt de dame niet echt te zijn. Ze is van bordkarton.  Nemo wordt totaal ontdaan wakker.

Nemohaschosen

Is dit niet een van de diepste angsten van veel mensen? Dat je iets prachtigs in de schoot geworpen krijgt, iets dat verpletterend mooi is en dat het uiteindelijk niets blijkt te zijn, een foutje, een grap en dat je het weer kwijt bent?

Voor de Lacan-kenners: ooit een mooiere illustratie gezien van de uitspraak ‘de vrouw bestaat niet’? Het bordkarton is het fantasiescherm van Nemo, het masculiene subject. Als hij vanuit een bepaalde hoek naar haar kijkt (zijn blik, ‘gaze’) is hij verliefd op haar, schijnt ze hem aantrekkelijk en betoverend mooi toe. Maar als hij schuin kijkt (‘looking awry’ naar het boek van Zizek) verpulvert de fantasie. Er blijkt niets achter het bordkarton te zitten. Denk ook aan Lacans voorbeeld van het schilderij ‘De Ambassadeurs’ waarbij de vreemde ‘vlek’ uiteindelijk een schedel blijkt te zijn zodat de gehele betekenis van het schilderij verandert, nadat je het ‘schuin’ hebt bekeken. 

Tenslotte: voor iedereen die wel eens via internet gedate heeft is de ervaring van kleine Nemo misschien ook wel heel herkenbaar. Prachtige profielen, mooie woorden op je scherm en in realiteit blijkt het dan soms toch niet te klikken. Winsor McCay: een man met een vooruitziende blik.

Linkse zelfbeheersing

Nederland, zo las ik laatst, heeft binnen Europa na Groot-Brittannië op dit moment het grootste aantal mensen achter de tralies zitten. Dat is nog eens een record! Waren we ooit het progressieve gidsland van Europa, nu zijn we kampioen opsluiten. Een twijfelachtige eer. Er zijn twee verklaringen om deze ontwikkeling te duiden, één van conservatieve aard en een linkse.

De meest voor de hand liggende verklaring is natuurlijk om de twee te koppelen: het Nederlandse progressieve beleid en de toenemende opsluiting. Door jarenlang te gedogen, een teveel aan tolerantie, nee: zelfs een geloof dat de menselijke natuur per definitie goed is, is Nederland geconfronteerd geraakt met de gevolgen. We zijn allemaal criminelen en hufters geworden. We hebben afgeleerd wat het is om onszelf te beheersen. Geen wonder daarom dat al het slechte in de mens juist hier in Nederland naar boven is gekomen. Hier is een reactie opgekomen: vooral na de komst van Fortuyn pikten de mensen het niet langer. Waarden en normen moesten terug en daarvoor was strenge handhaving nodig (Balkenende I t/m III). En als ouders hun kinderen niet meer kunnen opvoeden, dan grijpt de overheid wel in. En met die laatste preventieve ingreep zijn we beland bij het moderne staatspaternalisme van PvdA, CDA en Christenunie.

Deze verklaring is sterk politiek-ideologisch van aard en riekt naar een provinciale benadering. Nederland mag dan al jaren een gedoogbeleid hebben: van Groot-Brittannië en de Verenigde Staten kun je dat moeilijk zeggen. Toch zijn dit ook landen die sinds de jaren ’80 eenzelfde ontwikkeling kennen als Nederland: steeds meer opsluiting, een steeds grotere nadruk op handhaving. Dat is dezelfde periode als die waarin deze ontwikkeling in Nederland doorzette. De toenemende incarceratie liep dus niet gelijk op met de politiek-ideologische omslag van de Fortuyn-revolte, maar is al veel ouder. Wat hebben Nederland, de VS en GB dan gemeen? En waarin onderscheidt Nederland zich de laatste kwart eeuw van de rest van Europa?

John Gray heeft in zijn boek False dawn al erop gewezen dat de implementatie van neoliberaal economisch beleid altijd gelijk opgaat met een toenemende opsluiting van een groot aantal mensen. De zogenaamde economische vrijheid van de neoliberale dogma’s kan blijkbaar alleen gerealiseerd worden door middel van de vrijheidsberoving van grote groepen meer kwetsbare mensen. Iedereen die niet in de flexibele productiemachine past, verdwijnt in het cachot. Is er nog ruimte voor minderheden, voor onaangepasten binnen het nieuwe kapitalisme? Alleen als je produceert, je conformeert is er nog enige ruimte voor individuele expressie. De overige individuele keuzes worden vermalen binnen een uitgebreid systeem van handhaving en steeds brutaler wordende hulpverlening. En daarin is Nederland dus een voorloper op de rest van continentaal Europa. Nederland was er onder Lubbers destijds vroeg bij om met neoliberale maatregelen en privatiseringen te beginnen.

Typerend is dat juist in het neoliberale Engeland een boek moest verschijnen als Life at the bottom, van de psychiater Theodore Dalrymple. Dalrymple geeft de schuld van alle problematiek van de witte onderklasse in Engeland aan linkse intellectuelen. Die zouden met hun ideeën deze mensen van hun zelfbeheersing hebben beroofd. Dalrymple zou je de vader van het moderne staatspaternalisme kunnen noemen. Wat hij in de praktijk doet is een vorm van blaming the victim, mensen die kansloos zijn in de neoliberale productiemachine en buiten de boot vallen, worden bespot en bestraft juist vanwege die kansloosheid. Ze hebben het volgens Dalrymple allemaal aan zichzelf te danken. Alleen de portie burgerlijke zelfbeheersing en hoge cultuur kan deze verlorenen nog redden (en productief maken natuurlijk, want dat is de kern van ‘gered’ worden in dit van nuttigheid bezeten tijdperk).

Natuurlijk zijn bepaalde ideeën van progressieve intellectuelen wel degelijk schadelijk geweest. Het overbrengen van de levensstijl van de bohémien naar een klasse die aan de onderkant van de samenleving bungelt heeft deze mensen weinig goeds gebracht. Op het moment dat je hard moet werken voor weinig loon, als je baanzekerheid precair is of je aangewezen bent op een uitkering, dan kan een hedonistische levensstijl desastreus zijn. Belangrijk is eerst dat deze mensen zich sterker maken, zich verenigen in verzet tegen de instituties waardoor ze onderdrukt worden en zelf zorg gaan dragen voor een sociaal netwerk. Er dient bewustwording te ontstaan over hun maatschappelijke positie en over de toenemende macht van het neoliberalisme, dat slechts voordelig is voor de ‘vrijheid’ van diegenen die toch al het meest kansrijk waren.

Er is daarom niets mis met de door de conservatieven opnieuw opgevoerde deugd van de zelfbeheersing. Links moet zich echter voortdurend bewust blijven van waar deze zelfbeheersing toe dient. Is het slechts om mensen weer aan het werk te krijgen, mee te laten draaien in de kapitalistische machine? Of dient deze zelfbeheersing ook om werkelijke verandering in de maatschappij na te streven? Een strijdbare, slimme zelfbeheersing, gesteund door het geloof dat een betere en minder neoliberaal verziekte wereld mogelijk is. Dat is de deugd die we moeten nastreven en een links paternalisme is niet meer dan het geven van dat voorbeeld vergezeld van de reden voor die zelfbeheersing. Want ook weer: ook deugden zijn slechts middelen en het is de perversiteit van de conservatieven om ze te beschouwen als doel op zich.