Waarom seks eng is

‘Door van seks iets simpels, iets meetbaars te maken, kunnen we het makkelijker aan de man brengen.’

Ariel Levy

In bovenstaand citaat beschrijft de feministe Ariel Levy kernachtig haar kritiek op pornografie en de moderne pornocultuur. Voorstanders van pornografie verdedigen het genre als een manier om seks te ‘leren’. Net zoals je moet leren om met mes en vork te eten, zo kun je via porno leren hoe je ten volle van je seksualiteit kan genieten. In pornografie worden vooral handelingen afgebeeld. Maar handelingen maken nog niet dat je van seks geniet, evenmin als het met vork en mes eten het genot van de maaltijd bevordert. Seks is volgens Levy ongrijpbaar, persoonlijk en uniek. Maar aangezien dat niet te verkopen valt, heeft de commercie seks gesimplificeerd tot pornografische handelingen. Resultaat is de lege pornoficatie van de cultuur, waarin mensen alleen nog maar de seksuele handelingen uitvoeren, maar de erotiek ‘achter de handelingen’, die bizarre en ongrijpbare seksualiteit, verloren gaat.

Haar stellingname hier vind ik interessant, omdat ze zich buiten het speelveld van het feminisme begeeft. Het gaat er nu even niet om of pornografie een vorm van masculiene overheersing is. Levy raakt hier aan een diepere cultuurkritiek. Ik ben het heel erg met haar kernstelling eens. Pornografie is een vorm van simplificatie, een terugbrengen van een complex verschijnsel als seksualiteit tot een hoeveelheid handelingen (penetratie van voren, van achteren, pijpen, beffen enz.) en standaard situaties (man met vrouw, vrouw met vrouw, trio enz). Porno is in dit opzicht vergelijkbaar met een instructie bij een IKEA meubel. Je dient een hoeveelheid stappen te doorlopen en komt dan vanzelf bij een eindproduct aan. Of dat nu een tafel is of een spetterend orgasme. Het gaat hier om een instrumentele logica, seks dient ergens voor, het is nuttig en praktisch en doelgericht. En verkoopbaar natuurlijk.

Dit verschijnsel zie je trouwens niet alleen bij moderne pornografie. Als we het hebben over seks dan heeft het gemiddelde damesblad elk nummer wel een special over de wijze waarop je seks moet hebben. Daarbij worden instructies gegeven, van de meest detaillistische beschrijvingen van standjes tot praktische tips om het seksleven ‘gezond’ te houden. Laatst las ik bijvoorbeeld in een dergelijk blad dat je als vrouw moest voorkomen dat je vriendje je zag terwijl je je benen aan het scheren bent. Dat zou zijn sekslust namelijk verminderen. Alsof er geen mannen zijn die er misschien wel door geprikkeld worden om toe te kijken hoe hun vriendin haar benen scheert. Seksualiteit wordt hier ook teruggebracht tot een soort van standaardsjabloon. Dat zie je dus niet alleen bij de op mannen gerichte porno, maar ook in de op vrouwen gerichte damesbladen. En een van de redenen daarvoor is natuurlijk dat zo’n standaardsjabloon gemakkelijker verkoopt, het is efficiënter om je tot algemene clichés te beperken dan alle ontelbare uitzonderingen te beschrijven. Maar er is meer aan de hand.

Het prettige namelijk aan clichés is dat ze veilig zijn. Je kunt je verschuilen achter clichés. Door in technische en algemene termen te spreken, kun je over seks praten, zonder écht over seks te praten. Je vermijdt het genante, het typische, het persoonlijke. Je hoeft niet te vertellen dat je die met schuim ingesmeerde benen van je vriendin echt spannend vindt. Of dat je opgewonden raakte toen de serveerster voor je neus met een vloeiende beweging het tafellaken gladstreek. Of het intense verlangen dat bij je ontstond toen je wat haar onder de mouw van het nette overhemd van je collega door zag krullen. Als je seks terugbrengt tot een vast ritueel tussen twee mensen, dat zich op een bepaald moment van de dag afspeelt volgens vaste regels, dan is het controleerbaar, begrijpelijk. De liberale scheidslijn tussen publiek en privé kan bewaakt worden, want we weten wat seks is, we hebben het in de hand.

In zekere zin heeft de emancipatie van vrouwen ook meegewerkt aan deze disciplinering van seksualiteit. Dat heeft vooral te maken met de voortgaande juridisering van het ‘lastig vallen’. Seksuele intimidatie is een naar iets, niets is vervelender dan tegen je zin voortdurend seksuele toespelingen te moeten aanhoren of zelfs te moeten voelen. Daarom is het goed dat er wetgeving is en dat er instituties zijn waar vrouwen naar toe kunnen gaan om zich te wapenen tegen ongewenste intimiteiten. Maar hoe strenger de regelgeving op dit gebied, hoe sterieler de publieke ruimte wordt. In de VS zijn er situaties bekend waarbij regels opgesteld zijn over het ‘aanraken’ in officiële situaties, in welke gevallen dit geoorloofd is en wanneer niet. De ontwikkeling die we nu zien is dat we aan de ene kant allerlei extremiteiten, afgebeeld als handeling, overal in de media tegenkomen terwijl aan de andere kant de subtielere seksualiteit, zowel in woord als in beeld, steeds meer is gedisciplineerd. Beide zaken hebben met elkaar te maken. Het lijkt alsof we na de seksuele revolutie steeds angstiger voor échte seks zijn geworden. Met al onze porno, seksrubrieken en seksprogramma’s zijn we preutser dan ooit.

Een reden daarvoor is dat seks per definitie grillig is en dus eigenlijk niet past in onze van instrumentele rationaliteit doortrokken kapitalistische en liberale maatschappij. Seks is een manier van spelen met elkaar en die speelsheid wordt ons eigenlijk vanaf de middelbare school al afgeleerd. Zelfbedachte spelletjes worden teruggebracht tot geïnstitutionaliseerde sporten, met regels, structuren en patronen, fantaseren hoef je niet meer te doen want dat doen televisie en computerspelletjes voor je en de vrije seksuele beleving van kinderen wordt gereguleerd door pornografie en damesbladen. Natuurlijk, dit alles heeft een doel, het maakt de wereld veilig en voorspelbaar (en vormt zo een tegenwicht tegen de onvoorspelbaarheid van de neoliberale economie). Je hoeft niet meer te praten met je medespeler over welk spelletje je doet, want de regels staan al vast. Je hoeft geen moeite meer te doen om zelf te fantaseren. Je kunt zomaar naar bed met iemand die je nog niet goed kent, want beide weet je precies welk ritueel je moet uitvoeren.

Maar toch, op de een of andere manier mis je iets.

Debat over jarretelfilosofie

Afgelopen donderdag sprak ik in het kader van het VU-podium met Stine Jensen over ‘Jarretelfilosofie en de pornoficatie van de samenleving’. Het debat vond plaats in het Parooltheater, een piepkleine ruimte in het centrum van Amsterdam, dichtbij de Nes. Een hevige discussie werd het niet, ook omdat zij en ik het op veel gebieden met elkaar eens waren.

Het enige twistpunt dat we hadden ging over strategie. Ik heb me (ook op dit weblog) afgevraagd of het opportuun is om in deze tijd van christen-sociaaldemocratische samenwerking (neem nou Balkenende IV) steun te geven aan een partij die seksualiteit –zolang deze niet ingezet wordt voor de voortplanting – veroordeelt. Een partij die praat over de volwaardige plaats in de samenleving van vrouwen en die hen niet als lustobject wil zien. Maar we weten allemaal wat die volwaardige plaats van de Christenunie is. Precies, achter het aanrecht. We weten ook dat de nadruk bij de Christenunie in het woord lustobject ligt bij lust en niet bij object. Vrouwen zijn immers voor hen wel object van allerlei traditionele onderdrukkingsstrategieën, waaronder de vrouw als dienstbaar aan de man, in een zorgende rol en als baringsmachine.

Laat ik die avond nu behoorlijk zenuwachtig zijn geweest, zeker aan het begin. Het was immers mijn eerste publieksoptreden. De presentator, Koos Neuvel, vroeg mij of de Christenunie een ‘besmette partij’ was. Ik was op dat moment niet scherp genoeg om de suggestieve vraag te negeren. Natuurlijk is de Christenunie niet besmet, maar als je het hebt over politieke strategie, dan is het ontzettend belangrijk om te weten waar je je pijlen op richt en welke coalities je smeedt. Jensen gaf aan dat je het best op bepaalde onderdelen eens kan zijn met een partij als de Christenunie zonder daarbij meteen hun hele gedachtegoed te ondersteunen. Ze gaf daarbij een voorbeeld: ook Wilders kon ze ondersteunen met zijn kritiek op de dubbele nationaliteit, zonder het meteen met al diens denkbeelden eens te zijn. Achteraf vind ik dat een heel raar voorbeeld: als je gelooft dat een dubbele nationaliteit laakbaar is bij politici, dan leg je een enorm gewicht op een eenzijdige loyaliteit jegens de eigen natie zonder daarbij de democratische waarde van het schipperen tussen meerdere loyaliteiten te erkennen. In dat opzicht is die dubbele nationaliteit juist tekenend voor het gedachtegoed van Wilders en haal je zijn gedachtegoed als een Trojaans Paard binnen door deze stelling te onderschrijven.

Als we het echter hebben over bimbo-billboards dan moet ik toegeven dat de kwestie wat genuanceerder ligt. Hoewel ik vind dat links-angehauchte mensen (en zeker feministen) zeer voorzichtig moeten zijn in het steunen van de Christenunie in wat voor politieke acties dan ook, heeft Jensen wel degelijk een punt met haar aanval op de bimbocultuur. Sinds kort speel ik wel eens bimbo-bingo. Dat gaat zo: elke keer als je met de fiets, auto of openbaar vervoer van A naar B reist, tel je het aantal afbeeldingen (meestal in de zin van reclame, abri’s en billboards) dat je tegenkomt waarbij gebruik wordt gemaakt van geïdealiseerde afbeeldingen van vrouwelijk schoon. Vrouwen die dus enkel en alleen worden afgebeeld omwille van hun ‘sexy uitstraling’. Het is schokkend hoeveel je er tegenkomt, al is het maar tijdens je dagelijkse woon-werk verkeer.

Dat werd die avond ook duidelijk uit een reactie die uit het publiek kwam: iemand werkte bij een televisieprogramma waarbij de redactie volledig uit vrouwen bestond. Toch konden ze niet voorkomen dat de mannelijke eindredacteur altijd weer een ‘bimbo’ aan het programma toevoegde. De belangrijkste vraag die die avond naar voren kwam was waarom vrouwen dat allemaal lieten gebeuren. En wat doe je er dan aan? Daar kwam niet echt een bevredigend antwoord op. Jensen geloofde vooral in educatie en bewustwording. Dat is, nu ik er achteraf over nadenk, één ding, maar niet alles. Want het probleem is denk ik niet eens dat vrouwen zich niet bewust zijn van de kwalijke aspecten van de bimbocultuur. Het probleem is dat er een fatalistisch gevoel bestaat dat je er niets aan kan doen. Alleen door zowel collectieve als individuele actie kan de bimboïsering van het straatbeeld worden teruggedrongen. Dat betekent dat mensen risico’s moeten nemen, zich impopulair durven maken, ‘nee’ gaan zeggen. En dat is moeilijk, in een tijd dat velen door verregaande flexibilisering (zoals in de omroepwereld) worden teruggeworpen op zichzelf. Immers: je uit geen kritiek op het beleid van je werkgever, want dan vindt deze wel iemand anders.

Het grootste deel van het debat ging dan ook over beeldvorming van vrouwen en minder over pornoficatie. Misschien moeten we die term maar gewoon afschaffen. In tegenstelling tot aanhangers van de Christenunie heb ik helemaal niets tegen seks en zelfs niet tegen porno. Ik heb wel wat tegen een cultuur waarin vrouwen als object worden gebruikt. In dat opzicht is er weinig verschil tussen het beeld van een bimbo of het ideaal van de christelijke fulltime huismoeder. Beide moeten we bestrijden. En we moeten ons hoeden voor de verkeerde allianties.

Het ongelukkige huwelijk tussen het nieuwe kapitalisme en feminisme

De Amerikaanse feministe Heidi Hartmann sprak ooit over ‘het ongelukkige huwelijk tussen marxisme en feminisme’. Hoewel veel feministen binnen de linkse beweging in de jaren ’60 en ’70 gelijk optrokken met de socialisten ontstonden er steeds meer wrijvingen tussen de twee groepen. Was marxisme niet in werkelijkheid ook een product van het vermaledijde patriarchaat? Waarom zou elke vorm van strijd, zoals die tussen de seksen, ondergeschikt zijn aan die van de klassenstrijd?

Die feministen hadden gelijk zich los te maken van de radicale socialisten en communisten. In veel landen binnen het ‘reëel bestaande socialisme’ kwam de dictatuur van het proletariaat neer op een dictatuur van een kleine groep mannen. Hoewel een aantal voorzieningen voor vrouwen verbeterd werden (kinderopvang, recht op abortus, werkgelegenheid) was er zelden sprake van een werkelijke doorbreking van rollenpatronen op ideologisch gebied. De vrouw bleef in de Sovjetunie vooraleerst moeder en huisvrouw.

Op dit moment is er echter in het Westen iets anders aan de hand. Bij gebrek aan beter hebben een aantal feministen het kapitalisme in zijn meest rabiate vorm omhelsd. NRC-columniste Heleen Mees bijvoorbeeld beweert, met een verwijzing naar de Amerikaanse neoliberaal Milton Friedman, dat vrouwen op moeten houden met deeltijdwerk. Dat is immers niet alleen goed voor de emancipatie, het zou ook nog eens de groei van de economie kunnen stimuleren zodat we in de mondiale markt niet kopje onder gaan. In het rechtlijnige denken van Mees is emancipatie niet alleen een moreel uitgangspunt, het is ook nog eens een economische noodzaak. Heleen Mees ziet een samenleving voor zich waarin zowel mannen als vrouwen fulltime werken, de kinderen door de week naar de crèche worden gestuurd en huishoudelijke taken worden uitbesteed. Want ook dat laatste schept weer werkgelegenheid, aldus Mees.

In het boekje Stout introduceren schrijfster Heleen van Royen en lingerie-ontwerpster Marlies Dekkers de schaal van stout. Zij plaatsen verschillende vrouwen op die schaal, waarvan de hoogste score (12) overeenkomt met de volgende trefwoorden: levenslustig, nieuwsgierig, creatief, ambitieus, ondernemend, succesvol, grensverleggend, risiconemend, veerkrachtig, dominant, manipulatief en ongenaakbaar. Als voorbeelden van vrouwen die 12 scoren op deze schaal noemen zijn onder anderen Margaret Thatcher, Rita Verdonk, Nina Brink, Neelie Kroes en koningin Beatrix. Ook mannen kunnen volgens de schrijfsters stout zijn: John de Mol is bijvoorbeeld ‘stout tot op het bot’.

Wat opvalt bij zowel Mees als het duo Van Royen en Dekkers, is dat emancipatie van vrouwen vrijwel volkomen gelijkgesteld wordt met succes hebben in een kapitalistische, neoliberale maatschappij. Bij Mees betekent dit dat vrouwen topfuncties moeten hebben en fulltime werken. Bij Van Royen en Dekkers betekent dit dat vrouwen de mentaliteit van het nieuwe kapitalisme moeten overnemen. De socioloog Richard Sennett beschrijft in zijn boek The culture of the new capitalism hoe de waarden van een ouder, socialer kapitalisme, zoals loyaliteit en vertrouwen, worden uitgehold door het nieuwe flexibele kapitalisme. Resultaat is de ‘stoute’ vrouw of man, die niet loyaal of betrouwbaar is, maar vooral veerkrachtig (flexibel), dominant en manipulatief. Stoute vrouwen zijn narcistisch en oppervlakkig en het boekje van Van Royen en Dekkers straalt dat boven alles uit.

De kritiek op dit soort vrouwen vanuit de progressieve beweging is karig. Mees krijgt vooral de wind van voren van conservatieven. Van Royen en Dekkers worden aangevallen vanuit de hevig oplaaiende discussie ver de ‘pornoficatie van de samenleving’. Vooral in dit laatste debat wordt duidelijk hoe de scheiding tussen marxisten en feministen die destijds met Hartmann begon het feminisme ook van zijn geworteldheid in de linkse beweging heeft losgerukt. Ariel Levy schrijft in haar boek Female Chauvinist Pigs veel over vrouwbeelden, over porno en seksualiteit, en geeft ruiterlijk toe dat vooral de commerciële exploitatie van platte pornobeelden haar stoort. Maar nergens gaat ze ook maar in op een bredere context. In hoeverre is die pornoficatie niet ook een resultaat van een kapitalisme dat de laatste decennia door toedoen van marktfundamentalisten in de politiek geheel ontremd is geraakt? Levy schrijft kritisch over vrouwen die afgeven op ‘meisjesmeisjes’ en graag one of the boys willen zijn. Nergens gaat ze er echter op in dat dat begrip boy ook het product is van een maatschappij en een economische ordening waarbinnen eigenschappen domineren die doorgaans als mannelijk worden omschreven.

Wat voor soort eigenschappen passen er bij een socialer kapitalisme?. Een kapitalisme bijvoorbeeld zoals Waterland dat in het Sociaal-Kapitalistisch Manifest heeft beschreven? Ik wil hier niet in de marxistische fout vervallen dat de ‘onderbouw’ altijd volledig de ‘bovenbouw’ bepaalt, maar de wijze waarop we arbeid verrichten is toch zeker van grote invloed op onze levens en onze cultuur. Het is tijd dat feministen zich weer eens gaan bezinnen op dat ongelukkige huwelijk dat ze hebben gesloten met het doorgeschoten marktfundamentalisme, hetzij door het neoliberale ideaal expliciet te erkennen zoals bij Mees en de stoute vrouwen, hetzij door de economische kwestie grotendeels buiten beschouwing te laten, zoals bij Levy. Hoe ziet een modern, links feminisme eruit? Welke vrouwen durven het huwelijk aan tussen feminisme en het nieuwe sociale kapitalisme?