Bekrompenheid over paddo’s

Daar hebben we het weer. De zoveelste bekrompen discussie over drugs. Ditmaal over paddo’s. Een Franse toeriste springt zichzelf naar de verdoemenis en meteen is het land te klein. Kamerlid Fred Teeven denkt lekker te scoren met iets dat de gemiddelde burgertrut onbekend en eng voorkomt: een hallucinerend middel. Er wordt daarmee snel even genegeerd dat er in jaren van vrije verkrijgbaarheid nauwelijks slachtoffers zijn gevallen van deze drug. Het aantal mensen dat zich met teveel alcohol op voor de kop schiet of in de plomp loopt is veel groter. Maar nee hoor, paddo’s zijn vreemd en eng, dus we moeten ze als de wiedeweerga gaan verbieden. Zelfs in het hoofdredactioneel van het liberale nrc wordt gepleit voor het verbieden van het middel.

Kunnen drugs ook positieve gevolgen hebben? Voor het gemak wordt dat in de meeste publiciteit genegeerd. Maar hallucinerende middelen kunnen mensen tot interessante inzichten brengen. Er is daar een uitgebreide literatuur over, van Aldous Huxley’s Doors of perception tot recente inzichten in het onderzoek naar IbogaÏne en genezing van verslaving(!) Stel je voor dat we de auto in het openbaar zouden bediscussiëren en dat we het voor het gemak alleen maar zouden hebben over de negatieve effecten van zo’n karretje. Zouden we het dan niet snel moeten verbieden? Levensgevaarlijk zo’n apparaat. Voor hetzelfde geldt gaat er een minderjarige of iemand die psychotisch is in zitten. Heb je de poppen aan het dansen. Gevaarlijk voor zichzelf en de maatschappij!

Naar mijn mening zouden kamerleden als Fred Teeven heel wat op kunnen steken van een paddotrip of een ecstasy pilletje. Maar het is gewoonte in Nederland dat mensen met geen barst ervaring in het gebruik van zo’n middel hun moraliserende vingertje mogen heffen. Of er wordt alleen maar verwezen naar de slachtoffers, mensen die door hun afkomst en milieu niet sterk genoeg in hun schoenen staan om een psychotroop middel aan te kunnen en poseren als zielige verslaafden die voor het gemak alle schuld van hun ellendige situatie maar op het middel schuiven. Een vorm van fetisjisme. Marx sprak al over het fetisjisme van verbruiksgoederen. Hier hebben we het over het fetisjisme van roes- en genotsmiddelen.

Een maatschappij is beschaafd als zij haar burgers in staat kan stellen om met uiterste vrijheden om te gaan. Eén van die vrijheden heeft te maken met de inname van genotsmiddelen. Iedereen zou moeten kunnen genieten, maar met mate en op voorzichtige wijze. Het legaliseren van alle drugs is uiteindelijk een morele plicht jegens het individu.

Slap ook dat de SP niet tegen dit domme voorstel wil stemmen en dat de tegenstand beperkt blijft tot de vrijzinnige partijen: D’66, GroenLinks en PvdA. Op dit soort momenten heb ik spijt van mijn stem op deze linkse gemeenschapspartij. Een partij met het anti-neoliberalisme van de SP en de vrijzinnigheid van D’66 en GroenLinks, dat is wat in Nederland ontbreekt. Misschien een opening voor de stuntelende PvdA?

Leve de beheerste bohemién!

Vanmiddag viel mij, toen ik mijn weekendboodschappen in de Albert Heijn deed, de voorpagina van de HP/De Tijd op. De grote kop luidde: ‘Ik ben een burgertrut… en daar ben ik trots op. Pleidooi voor het klassieke gezin’. Een foto toonde een vriendelijk lachende dame met twee –inderdaad- intens truttig geklede kindertjes. Hoewel ik over het algemeen niet zo’n liefhebber ben van het blad HP/De Tijd, dat een paar jaar terug een in mijn ogen nogal domme, rabiaat rechtse koers is ingeslagen, was mijn nieuwsgierigheid geprikkeld en kocht ik het tijdschrift.

Het hoofdartikel (van Fleur Jurgens) was inderdaad een goed geschreven pleidooi voor een ‘ouderwets’ burgerlijke levensstijl vanuit een persoonlijke optiek. Het stuk keert zich vooral tegen de bohemién-achtige levensstijl die sinds de jaren ’60 eigenlijk min of meer is opgelegd aan de Nederlanders (althans, zo ervaart Jurgens dat). Jurgens keert zich tegen het individualisme, het feminisme en tegen de bevrijdingsretoriek. Ze wil helemaal niet bevrijd worden. Eerder wil ze gewoon haar plaats innemen in het gezin en achter haar man staan. En, oh ja, Jurgens deelt ons eveneens mede dat ze niet aan sm doet. Hoewel ze op een van de foto’s met een zwoele blik en een matteklopper poseert.

Voordat we dit stuk al te gemakkelijk afdoen als domweg een conservatieve oprisping, of hoofdschuddend terzijde leggen als het resultaat van de ‘angst’ en ‘spruitjeslucht’ die Nederland met dit kabinet in zijn greep houdt, is het nuttig om goed te lezen wat mevrouw Jurgens (ik noem haar toch maar mevrouw, deze principiële burgerdame, die slechts 3 jaar ouder is dan ik) schrijft. Ze zegt namelijk helemaal niet zulke gekke dingen. Ze trekt alleen de verkeerde conclusies. Ook is ze moderner dan ze zelf denkt of wil uitstralen.

Er zijn veel aspecten aan het fascinerende betoog waar wat over te zeggen valt. Ik ga vooral even in op het laatste stuk, waarin mevrouw Jurgens het antiburgerlijke sentiment in Nederland aanvalt. Ze hekelt de moraal van ‘lekker doen waar je zin in hebt’. Het geloof in de grenzeloze autonomie van het ‘pure kind’ van de anti-autoritaire babyboomers, heeft geleid tot enorme onbeschoftheid en hufterigheid, zowel bij kinderen als bij volwassenen. Nederlanders zijn veranderd in een volk van vervelende narcisten die alleen maar aan hun eigen hachje denken. Jurgens verwijst naar de klassieke waarden van de bourgeoisie, waarin juist het driftleven moest worden ingeperkt: ‘Kinderen krijgen al snel hun zin van hun niet-burgerlijke ouders. Die ouders zijn vergeten dat je kinderen niet liefhebt door grenzeloos te zijn. Kinderen willen structuur. En dat geldt voor volwassenen trouwens ook. Een mens is van nature een wilde barbaar.’

Laten we het maar even eerlijk zeggen hier: mevrouw Jurgens heeft gelijk. Het antiautoritaire juk van de babyboomers is grotendeels een ramp gebleken. Een plat narcisme overheerst op televisie en op straat, er groeien generaties op zonder enige interesse in de wereld behalve in zichzelf, veel kinderen zijn verwend en niet meer in staat tot zelfdiscipline (in de zin van uitstel van behoeftebevrediging). Inderdaad: de mens is van nature een wilde barbaar. Wat ik alleen zo vreselijk jammer vind aan het verhaal van mevrouw Jurgens, is dat zij qua oplossingsrichting terugvalt in vlak conservatisme en burgerzin. Dat is gewoon te gemakkelijk.

Van mij heeft mevrouw Jurgens alle recht om burgerlijk te zijn en achter haar man te staan, maar toch gaapt hier een onvolkomenheid. Die babyboomers zijn niet domweg een mode gevolgd door antiburgerlijk te zijn. Ze zijn geen willoze slachtoffers van een kwaadaardige ideologie (een typische denkrichting van conservatieven: de wereld wordt bevolkt door boosaardige ideologieën die mensen verleiden tot een terugval in de zonde, de mens is namelijk slecht en zwak, alleen de instituties van kerk, en gezin kunnen hem behoeden voor dit kwaad) maar er bestond een materialistische achtergrond voor hun streven. Zodra mensen het beter krijgen ontstaat er namelijk een natuurlijke behoefte aan zelfontplooiing. Die hoort bij de mens en is niet slecht. Het is een reëel verlangen en dat kun je niet zo maar ontkennen, weten we sinds Malthus.

Zowel Jurgens als de antiautoritaire babyboomers behandelen het begrip zelfontplooiing op een onvoldoende dialectische manier. Zelfontplooiing is niet per definitie slecht en en zelfbeheersing is niet altijd goed. Zelfontplooiing en zelfbeheersing zijn eerder met elkaar verweven. De één heeft de ander nodig. De werkelijke bohemién kent de klappen van de zweep van de zelfdiscipline. Maar iemand die nooit de vrijheid heeft geproefd, nooit zijn grenzen heeft verkend, blijft een vreemdeling in de wereld. Hij of zij mist een empathische snaar, kijkt vol onbegrip naar het reilen en zeilen van de mensen om zich heen. Teveel zelfbeheersing leidt tot bekrompenheid. Mevrouw Jurgens bewijst dit met haar stuk. Het essay mist meerdere perspectieven, het ziet alleen maar de negatieve kanten van het vrijheidsstreven. Er is tevens een ondergrond van ressentiment. Het statement, in al zijn persoonlijkheid en felheid, is een wraakpoging van mevrouw Jurgens op een wereld die ze niet helemaal begrijpt en ook niet helemaal wil begrijpen.

In dat opzicht is Jurgens op een vreemde manier modern. Ressentiment is misschien wel de belangrijkste emotie sinds Pim Fortuyn in Nederland de gemoederen heeft opgeschud. Haar stijl is zo persoonlijk als ‘Pim’ was. We leren over haar leven, over het feit dat haar ouders gescheiden zijn (een herkenbare bron van pijn, wanneer als kind je de vaste grond onder je voeten vandaan is geslagen, is een verlangen naar veiligheid en structuur logisch) en we worden zelfs op de hoogte gesteld van intieme details (mevrouw Jurgens doet niet aan sm).

Jurgens vlucht in eenzijdigheid en dat is jammer. Een vrouw die zo goed kan schrijven zou geen huismoeder moeten spelen. Ze zou haar verantwoordelijkheid voor de samenleving echt moeten nemen en die kinderen naar een goede crèche sturen. Dan leren ze wellicht ook een ander soort mensen en een ander soort waarden en normen kennen dan alleen die van het eigen eenzijdige gezinsleven.

Na de burgerlijkheid van onze grootouders in de jaren ’50 en de antiburgerlijkheid van onze ouders in de jaren ’60 en ’70 dient mijn generatie, die mensen die in de jaren ’70 geboren zijn, de waardevolle lessen van hun (groot-)ouders te gebruiken om tot een synthese te komen. Maatschappelijke individuen dienen we te worden en zo dienen we onze kinderen op te voeden. Opvoeding is er niet om bekrompen kleinburgers van onze kinderen te maken en evenmin om hen in narcistische anarchisten te veranderen. Kinderen moeten zelfdiscipline leren, om de vrijheid aan te kunnen. En kinderen moeten vrijheid leren, om de wereld te begrijpen en zichzelf zo weer te beheersen. Dat is dus niet de ‘Gulden Middenweg’, ik bepleit een werkelijke synthese: een levenskunst.

Laten we tenslotte de volgende burgerlijke les van mevrouw Jurgens leren, wanneer ze schrijft over de babyboomer-bohemiéns: ‘Vrijheid is niet gelijk aan onbeperkte lustbevrediging, zo weten deze voormalige hippies diep in hun hart ook wel; vrijheid komt met verantwoordelijkheid. Het grootste eigenbelang is het publieke belang.’ Ik hoop dat ze die zinnen zelf ook ooit nog eens zal gaan begrijpen.

Seksuele vrijheid?

‘Laten we gewoon seks hebben. Geen scènes uit een pornofilm naspelen.’

Ik kende de dame die dit zei nog niet zo lang. We hadden elkaar ontmoet via een dating site. Na een tweetal ontmoetingen besloten we dat het tijd was om maar eens met elkaar naar bed te gaan. Via de seks leer je elkaar toch echt kennen, vond ze. Of dat waar is, betwijfel ik. Los daarvan had ik er wel zin in. Dan die opmerking.

Scènes uit een pornofilm naspelen? Ik vond het een raar idee. Waarom zou je dat in vredesnaam doen? Ze zei het echter vrij stellend, alsof het een algemeen aanvaarde waarheid is, dat de meeste mannen scènes uit pornofilms in bed naspelen. Zou ze misschien gelijk hebben? Klopt het misschien dat datgene wat we met ons allen in bed doen, niet meer is dan het herhalen van handelingen die we doorgespeeld krijgen via de massamedia?

Babyboomers laten zich nog wel eens kritisch uit over de seksuele mores van mijn generatie. Babyboomers, dus diezelfde mensen onder wie paradoxaal genoeg de seksuele revolutie heeft plaatsgevonden. Die groep die in de jaren ’60 en ’70 dankzij de nieuwe vrijheid die de pil mogelijk maakte en nog vóór de bedreiging van AIDS zichzelf te buiten is gegaan aan wilde seks, aan partnerruil en weet ik wat nog meer. Deze generatie heeft er commentaar op dat het voor mijn leeftijdgenoten doodnormaal is om op de eerste, de tweede of de derde date via internet meteen met de ander in bed te duiken. Zo zie je maar dat deze generatie nog is opgevoed in de jaren ’50 en zich ondanks alles nog niet van deze spruitjeslucht heeft ontdaan.

Maar het afgrijzen van de ‘boomers tegenover hun al te losbandige kinderen is onterecht. ‘Wij’ weten namelijk heel goed wat we doen. De mediabewuste twintigers en dertigers van nu hebben via de media al oneindig vaak geleerd wat kan en wat niet kan op zo’n eerste date. In de meidenbladen wordt seksualiteit tot in de kleinste, intiemste details beschreven. Alle standjes, technieken en mogelijkheden worden detaillistisch uitgewerkt met voor- en nadelen. Via pornografie hebben we vaak kunnen zien ‘hoe het eruitziet’ en ‘hoe het hoort’. Pornografie is namelijk in hoge mate normatief. In pornofilms gebeurt nooit iets dat echt onvoorspelbaar is. Door porno wordt de fantasie geordend, gedisciplineerd en gestructureerd. Televisieprogramma’s als Spuiten en slikken leren ons wat we allemaal kunnen doen, wat lekker is en wat de gevaren daarvan zijn.

Seksualiteit is daarmee veranderd van een schimmig, gevaarlijk, duister domein naar een praktijk die open en expliciet is. Iets waar je onderling over praat, wat bediscussieerd wordt. Volgens de filosoof Michel Foucault is dit niets anders dan een voortgaande ontwikkeling, die sinds de 17de eeuw is ingezet, waarin seksualiteit steeds meer in het teken van de bekentenis is komen te staan. Hij ziet daarom de seksuele revolutie niet als een breuk met het voorafgaande tijdperk, omdat seksualiteit uit de taboesfeer zou zijn gehaald. Eerder is het de kwintessens van een proces waarbij het seksuele steeds meer gedisciplineerd wordt, door als het ware de schijnwerper er op te zetten.

Foucault had daarin gelijk. De bekenteniscultuur is gedurende het tijdperk van internet en massamedia tot extreme proporties gestegen. Via blogging zijn we allemaal exhibitionisten geworden. De populariteit van een programma als Big Brother en andere reality TV, de enorme impact van schandalen als die rond Monica Lewinsky, de grote populariteit destijds van een programma als Sex voor de Büch en ook niet-seksuele persoonlijke bekentenisprogramma’s zoals bijvoorbeeld de recente documentaire De Wouter Tapes geven blijk van deze ontwikkeling. De voortgaande bekentenissen zijn geen bevrijding van het seksuele domein. De seks (en ook het individu!) wordt juist steeds meer gekoloniseerd door de publieke ruimte. Seks hebben met een vrouw betekent bijvoorbeeld dat je niet alleen wordt afgerekend op je liefdesprestaties door de dame in kwestie, maar door haar hele kring van vriendinnen (als ze al niet op haar blog over je schrijft en het zodoende aan de wereld toevertrouwt). Door deze ontwikkelingen wordt paradoxaal genoeg het meest persoonlijke blootgesteld aan de collectieve toets.

Seksualiteit is daarmee niet persoonlijker dan een gezamenlijke maaltijd, waarvan we ook de rituelen van kinds af aan ingeprent hebben gekregen. We hebben geleerd met mes en vork te eten, niet met volle mond te praten, onze lippen af te vegen voordat we een slokje wijn nemen. Dat betekent overigens niet dat de erotiek nu van alle intimiteit beroofd is. Net als een maaltijd, kan je aan seksualiteit net zoveel intimiteit toekennen als je dat zelf wil. Hoe open en exhibitionistisch je ook bent, exclusieve seks met één persoon waarvan je veel houdt is en blijft intiemer dan seks met een willekeurige persoon. Immers, achter de technische handelingen of zelfs de meest persoonlijke gevoelens die in tekst kunnen worden omgezet schuilt altijd iets dat niet met woorden kan worden beschreven.

De seksuele revolutie is daarom in zekere mate geïnstitutionaliseerd geraakt. Misschien verklaart dit deels het afgrijzen van sommige babyboomers. Was in hun tijd de seks en het persoonlijke nog door taboes omgeven en gaf daarom elke overtreding van de geboden een gevoel van vrijheid, nu lijkt de seks een soort van verplicht ritueel te zijn geworden, dat achteloos volgens voorschriften wordt uitgevoerd. In zekere mate is dit zo en een vraag die ik dan ook bij de huidige ontwikkelingen wil stellen is of werkelijke seksuele vrijheid nog wel mogelijk is als al het seksuele handelen zo gedisciplineerd is. Ik laat deze vraag voorlopig even open om er later in een andere log op door te gaan.

Aan de andere kant is er de discussie over seksuele criminaliteit en verkeerde disciplinering. Wat voor verwrongen beeld krijgt een jongere van seks als hij alleen maar wordt gebombardeerd met harde pornografie en vrouwonvriendelijke videoclips? Porno is normatief, heb ik eerder aangegeven. Zou dit dan niet pleiten voor een verbod op gewelddadige pornografie, zoals Karina Schaapman in haar stuk over hoerenlopen betoogde (in mijn vorige stukje op deze log besproken)? Het probleem hier ligt denk ik niet in de ongekende mogelijkheden van mediaconsumptie die bijvoorbeeld internet en digitale tv ons geven. Het ligt eerder in het eenzijdige aanbod van media waar veel jongeren in onze maatschappij toch voor ‘kiezen’. Veel jongeren lezen nauwelijks kranten en kijken nauwelijks informatieve televisie. We moeten ons er bewust van zijn dat veel mensen, vooral jongeren, niet in staat kunnen worden geacht om zelf altijd de juiste informatie tot zich te nemen. Instanties, vooral scholen, zouden een veel sterker opvoedend karakter moeten aannemen om hen te leren met media om te gaan en een breed beeld te krijgen van belangrijke zaken als seksualiteit.

Een paternalisme terwille van de (seksuele) vrijheid en het individualisme is noodzakelijk. Ook hier weer moet de overheid zijn verantwoordelijkheid nemen. Ook hier weer schiet de markt en de liberale autonomiegedachte schromelijk tekort. Seksuele vrijheid impliceert eerst seksuele beschaving. En beschaving is zoals we allemaal weten, een vorm van disciplinering. Hoewel dit proces een autonome ontwikkeling in de maatschappij is, zoals ik die in deze blog heb beschreven, moeten we er daarom voor waken dat er geen groepen zijn die buiten de boot vallen.

Extreme pornografie verbieden?

‘We zouden het lef moeten hebben het strafbaar te stellen om gewelddadige pornosites, zoals http://www.onderdwang.nl of http://www.savagerape.com, waar verkrachting, seks met kinderen en dieren en andere perversiteiten worden gepromoot, in bezit te hebben of te vervaardigen. Immers, prostitutie en internetporno zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.’

‘Een verbod op bijvoorbeeld gewelddadige pornografie bant die ondeugd niet uit, maar voorziet haar wel van het label van het verbodene. Het herinnert de gebruiker eraan dat dergelijk gedrag niet "normaal" wordt geacht in deze samenleving. Zouden we extreem gewelddadige pornografische beelden en video’s verbieden, dan ‘zijn ze weliswaar niet onbereikbaar geworden, maar dan is er wel tussen het verlangen en de vervulling daarvan een uitstel gekomen van moeizaam zoeken en beschaamde aanschaf. Dat geeft de lustbevrediging de traagheid mee waarin het morele besef (zelfs in zijn overtreding) onwillekeurig overeind  blijft.’

Bovenstaande zijn twee citaten uit het recent gepubliceerde pamflet Hoerenlopen is niet normaal van Amsterdams PvdA gemeenteraadslid Karina Schaapman. Het eerste citaat is van haarzelf, in het tweede citeert zij Ger Groot. De kern van het geschrift is een aanval op de heersende idee dat prostitutie een ‘normaal’ beroep is, zoals alle andere. Schaapman overtuigt met een pleidooi dat dit niet zo is, dat vrouwen die de prostitutie ingaan dit vaak onvrijwillig doen en dat niet elk seksueel verlangen van mannen in werkelijkheid vervuld hoeft te worden. Een in mijn ogen redelijk en overtuigend betoog.

Waar ik hier op in wil gaan is een zijweg die zij in haar pamflet bewandelt. In bovenstaande citaten komt naar voren dat zij naast een verbod op prostitutie ook pleit voor een verbod op bepaalde ‘extreme’ vormen van pornografie. Zij is niet tegen pornografie op zich, maar wel tegen vormen van pornografie die gedrag aanmoedigen dat in haar ogen ‘abnormaal’ is. Gewelddadige en afwijkende seksuele beelden zouden mensen tot dit soort gedrag stimuleren. Ze zouden bovendien bijdragen aan de maatschappelijke acceptatie van gewelddadige seksualiteit. Volgens Schaapman moeten we  voorkomen dat dit gebeurt, dit gedrag dient expliciet afgewezen te worden door middel van een verbod op extreem pornografisch beeldmateriaal. Schaapman wil de seksuele fantasie disciplineren.

In mijn ogen zou een dergelijk beleid echter een ernstige regressie betekenen van de liberale vrijheden die sinds de jaren ’60 in ons land en daarbuiten veroverd zijn. Een dergelijk verbod zou ten eerste in de praktische uivoering op allerlei problemen stuiten. Ten tweede betwijfel ik of het verbod het effect heeft dat Schaapman en Groot ervan verwachten. Ten derde wil ik het idee van beschaving, dat impliciet achter het idee van een criminalisering van de vervaardiging of het in het bezit hebben van extreme pornografie zit en dat vooral in het citaat van Ger Groot naar boven komt, principieel ter discussie stellen.

Het grote praktische probleem bij een verbod op extreme pornografie is een definitiekwestie. Wat is extreem? En wie bepaalt wat normaal is en wat niet? Vallen SM en bondage-sites onder het label ‘gewelddadige’ pornografie? Ook als het hier gaat om seksueel geweld dat door de ‘slachtoffers’ vrijwillig wordt ondergaan? Japanse Manga-films, waarin kleine meisjes op wrede manier door tekenfilmmonsters worden aangerand, vallen die ook onder de noemer extreme pornografie? En kunst, waarin seks en geweld voorkomen? Moet een Pasolini film als Saló eveneens worden verboden? Waar leggen we de grens van het verbod en vooral: wie legt die grens? Wie bepaalt welke vorm van seksualiteit ‘normaal’ gevonden mag worden? Mij beangstigt het idee van een comité dat ons gaat vertellen hoe we wel en hoe we geen seks mogen hebben. Liever spreek ik dan niet over normale of abnormale seks, maar over vrijwillige en onvrijwillige seks. Maar dan nog is er een verschil tussen fantasie en praktijk.

Dagelijks worden we op televisie, in films en in computerspelletjes overspoeld met geweld. Er zijn lange tijd discussies en onderzoeken geweest naar de negatieve effecten van dit geweld. In hoeverre worden mensen hierdoor gestimuleerd om dit na te bootsen? Natuurlijk is er altijd een minderheid die gevoelig is en inderdaad overgaat tot imitatie, maar is dit genoeg om media waarin geweld voorkomt voor iedereen dan maar te verbieden? De meeste mensen kennen het verschil tussen fantasie en werkelijkheid wel. Waarom zou dit anders zijn voor seksualiteit? Een verkrachting is voor sommigen een vorm van seksuele fantasie, die ze echter nooit in het echt zouden willen uitvoeren of ondergaan. Net zo min als dat mensen die naar een actiefilm kijken in werkelijkheid echt iemand dood zouden willen schieten.

Natuurlijk, zodra het pornografisch materiaal op een misdadige manier geproduceerd is, dus niet met acteurs maar met ‘echte’ verkrachting of marteling (‘snuff movies’), of met kinderen of dieren, dan zou dit zonder meer verboden moeten zijn en de makers zouden streng gestraft moeten worden. Voor zover ik dat weet is dit nu al het beleid. Maar zodra het gaat om een legale manier van productie, dan moet je uit kunnen gaan van de beschaving in mensen zelf. Het besef dat leeft in mensen dat er een verschil is tussen fantasie en werkelijkheid.

Dat is uiteindelijk ook mijn meest principiële verschil van inzicht met Schaapman en Groot. In hun ogen zit er een directe band tussen de verbeelding van een maatschappij en de morele structuur daarvan. Om de morele structuur te verbeteren, dient de verbeelding gedisciplineerd te worden. Er moet een onderscheid gemaakt worden in datgene wat normaal en wat niet normaal is. Maar door afwijkend gedrag te criminaliseren of uit het oog te verbannen raak je het niet kwijt. Veel sympathieker is mij dan ook de meer liberale strategie van het incorporeren van het afwijkende in de maatschappij. Volgens de idee van de vrijheid van meningsuiting moet je in principe alles kunnen zeggen. Zelfs als het om antidemocratisch gedachtegoed gaat. Dat betekent echter niet dat je alles kan doen wat je mag zeggen. De sfeer waarin de mening geuit mag worden staat los van de praktische inrichting van de samenleving zelf. Antidemocratische elementen kunnen daarom hun verhaal kwijt, zolang ze het maar bij woorden houden en niet overgaan tot geweld.

Naar analogie van de vrijheid van meningsuiting zou er in een democratische maatschappij een vrijheid van verlangen moeten zijn. Een (seksueel) verlangen is niet zoiets als een mening, je kunt het niet weerleggen met argumenten. Als iemand een verlangen heeft, dan is dat een feit. Je kunt hoogstens zeggen dat je het specifieke verlangen abnormaal of vies of afkeuringswaardig vindt. Vrijheid van verlangen creëert een sfeer van beelden die zuiver bestaan omwille van seksueel genot van individuen. Maar er is een grote kloof tussen deze sfeer en de werkelijkheid. Verlangens kunnen niet in de praktijk worden uitgevoerd, zolang er niet alleen volledig toerekeningsvatbare, meerderjarige en vrijwillige individuen aan het gerealiseerde verlangen participeren. Sommige verlangens zullen daarom nooit uitgevoerd mogen worden. Net zoals sommige politieke overtuigingen nooit zullen worden doorgevoerd.

In plaats van een verbod a posteriori, zouden burgers a priori via onderwijsinstellingen bekend gemaakt moeten worden met het grote verschil tussen verlangen en werkelijkheid. Net zoals iedere Nederlander op de hoogte zou moeten zijn van de verkeersregels, zo zou men bekend moeten zijn met deze scheiding tussen fantasie en praktijk. Wellicht zouden pornografische sites een ‘bijsluiter’ moeten krijgen, zoals sigaretten, alcohol en financieel risicovolle producten dat nu hebben. Maar verbieden zouden we niet moeten doen. Omwille van de vrijheid van verlangen.