Nieuwe structuren

Het individualisme was het marxisme van de jaren ’80 en ’90. Het werd met even grote overtuiging en dogmatiek aan de man gebracht en de verwachtingen waren eveneens hooggespannen. De autonoom denkende mens zou in een wereld van steeds veranderende zekerheden zijn eigen levenspad kiezen. Absolute individuele vrijheid was een antwoord op het collectivisme van oudere bewegingen, zoals het marxisme. Het paste bij een postmoderne levensstijl, waarbij niets meer vast stond, alles vloeibaar was geworden.

Twee stukken uit het NRC dit weekend trokken mijn aandacht. De column van Bas Heijne en een artikel over de  Duitse onderwijspedagoog Thomas Ziehe. In zijn column bespreekt Heijne het failliet van het autonomie-ideaal:

(…) waar niemand rekening mee gehouden had, was dat die felbegeerde autonomie onwillekeurig gevoelens van vervreemding en onveiligheid met zich mee bracht. Als ieder mens ongenaakbaar op zichzelf moest staan, zonder God, omringd door heel veel anderen, waar kon hij zichzelf dan nog thuis voelen, zich koesteren in een gemeenschap die geborgenheid schonk?

Heijne schetst in zijn column de opkomende behoefte aan wat hij ‘geloof’ noemt, een hoogstpersoonlijke ideologie of religie. De Grote Verhalen zijn niet verdwenen, zijn ze zijn alleen ‘geprivatiseerd’, we hebben allemaal onze eigen ideologie gebouwd. Aan de andere kant schrijft hij ook over de angst voor dogmatiek. De keerzijde van dat geloof is dat mensen hun overtuiging tot absolute waarheid verklaren en dat elke discussie onmogelijk wordt.

De Duitse onderwijspedagoog Thomas Ziehe vertelt dat kinderen in de huidige periode van individualisering juist behoefte hebben aan structuur. Niet de profeten van het Nieuwe Leren hebben gelijk, want kinderen worden alleen maar verward van al die vrijheid. Maar ook een terugkeer naar traditionele leermethoden is volgens Ziehe geen optie, moderne schoolkinderen bereik je niet met ouderwetse discipline. Er zijn nieuwe structuren nodig. Belangrijk is bijvoorbeeld dat kinderen via kleine rituelen leren om directe behoeftebevrediging uit te stellen. Ze moeten leren begrijpen dat op de lange termijn aan iets werken uiteindelijk een groter gevoel van bevrediging oplevert.

Die nieuwe structuren, het is een beetje mijn stokpaardje. Een mens is niet zoveel zonder een van buitenaf opgelegde ordering. Slechts een windvaantje van emoties, een prop onbeheerste genotzucht en geilheid. Nietzsche zei ooit dat de mens het niet-vastgestelde dier is. Dieren hebben een instinct, ze zijn voorgeprogrammeerd hoe ze zich in een bepaald milieu moeten gedragen, naar voedsel moeten zoeken, zich voortplanten, hun kinderen grootbrengen enz. Mensen hebben dat allemaal niet, hebben slechts hele basale instincten meegekregen. De maatschappij, met al haar structuren en instituties, stelt de mens als het ware vast. Als je al die instituties vervolgens inperkt ter ere van het grote autonome individu, dan blijft er slechts een leegte, een onbeheerste innerlijkheid over. Dat is het punt in de geschiedenis waarop we nu zijn aangekomen, we proeven de wrange vruchten van een op hol geslagen subjectiviteit.

Ik ben van plan in het nieuwe jaar dit onderwerp, het zoeken naar nieuwe structuren en instituties (zonder daarbij te vervallen in een naïef conservatisme) verder uit te diepen. Het zou prachtig zijn om de contouren zichtbaar te maken van een individualisme dat echt sociaal is.

De barbaren van Bavaria

Gisteren was hij weer op tv. Voor de zoveelste keer. Die reclame van Bavaria. Over die mannen. Die ‘sheltered lives’ leven. En voor wie het tijd is om weer ‘man’ te worden. In het verloop van de commercial wordt duidelijk wat dat betekent. Mannen zijn bierdrinkende barbaren, die brullen, ongeordend rondhollen en rauw vlees eten.

Een reclamespot komt natuurlijk niet zomaar uit de lucht vallen. Zo’n filmpje moet op de een of andere manier bij het publiek herkenning bewerkstelligen, anders schiet het zijn doel voorbij. Blijkbaar bestaat er op dit moment in de samenleving een bepaald beeld bij het begrip ‘man’ dat overeenkomt met de barbaren van Bavaria. Hoe zijn we in vredesnaam aan dat manbeeld gekomen? Is dat altijd zo geweest of zegt het iets over onze moderne consumptiemaatschappij?

Probeer je eens voor te stellen dat een dergelijk clipje in de jaren ’50 zou zijn uitgezonden. Had men zich destijds herkend in het geschetste manbeeld? Natuurlijk, men was bekend met het darwinisme en de evolutieleer. Maar tegelijk bestond er een idee over vooruitgang en traditionele en religieuze opvattingen over de man als gezinshoofd en verantwoordelijk burger. De grote mannen die als voorbeelden dienen waren of nog afkomstig uit de geschiedenis (vaak afkomstig uit adelstand en bourgeoisie met dienovereenkomstige manieren) of uit de filmwereld (denk aan sterren als Clark Gable). Ik vraag me af of men deze horde barbaren herkenbaar of zelfs sympathiek had gevonden.

Wat is er dan gebeurd in tussentijd? Hoe komt het dat ons idee van masculiniteit zich steeds meer van de beschaving is gaan afkeren? In feite is dit een proces dat al langer gaande is. In de jaren ’30 van de twintigste eeuw klaagde de historicus Johan Huizinga al over het ‘puerilisme’, het jongensachtige in de cultuur, dat bijvoorbeeld naar voren kwam in fascistische en communistische bewegingen. Maar nog eerder, gedurende de hele negentiende eeuw was er al een herontdekking gaande van de Germaanse ‘barbaarse’ culturen. Met het opkomende nationalisme zochten veel denkers en kunstenaars hun inspiratie minder in de Grieks/Romeins/christelijke cultuur, maar in de eigen geschiedenis en mythologie van Duitsland, Frankrijk of Rusland. Maar deze barbaren waren nog gestileerd, zoals de opera’s van Wagner gestileerd waren. Het Victoriaanse bourgeois ideaal overheerste.

Het waren Theodor Adorno en Max Horkheimer die gedurende de Tweede Wereldoorlog de oorzaak van het toenemende ‘irrationalisme’, zoals zij dat noemden, vonden in de dialectiek van de Verlichting zélf. De Verlichting moest de mens bevrijden uit zijn bijgeloof. De Rede, het voertuig van de Verlichting, zou de mens volgens een filosoof als Kant in staat stellen tot autonome beslissingen. De Rede maakt dat de mens anders is dan dieren. Maar omdat de Rede vanaf het begin gebruikt is om dieren en andere mensen uit te buiten, maakt deze de mens alleen maar meer tot slaaf van het geweld van de natuur. Op de een of andere manier zit er dus in de Verlichting, die mensen wil bevrijden van angst en ze meester wil maken over de natuur, tegelijkertijd het geweld en de barbaarsheid van die overmeestering zelf.

En juist in wat Adorno de ‘cultuurindustrie’ noemt, komt dit immanente irrationalisme steeds weer naar voren. De reclamespot van Bavaria, waarin de mannen ontsnappen aan het ‘decadente’ leven van de moderne tijd (‘What has become of us’) en zich ongecontroleerd overgeven aan een soort gefantaseerde oersituatie geeft in al zijn onnozelheid precies die dialectiek weer die in het hart van elke Verlichte samenleving speelt. Juist ook vanwege de absolute stompzinnigheid en onwaarheid van het geschetste manbeeld: zelfs bij ‘primitieve’ stammen blijkt de samenleving ingewikkeld gestructureerd te zijn rond allerlei rituelen en gebruiken. Zelfs de Hunnen waren oneindig veel beschaafder dan het beeld dat hier geschetst wordt.

Maar er is meer. Het barbaarse manbeeld is ook een product van een heersende verwarring over mannelijkheid sinds de vrouwenemancipatie van de jaren ’60 en ’70. Zoals ook op veel andere gebieden waren de babyboomers erg bedreven in het neerhalen van het oude, autoritaire machismo en traditionele rollenpatronen, maar is er verder weinig nagedacht over een nieuwe institutionele inbedding van de verhouding tussen man en vrouw. De reclamespot bevat daarom ook een kritiek op de feminisering van de man (zie bijvoorbeeld de man bij de kapper). Mannen zijn watjes geworden. Terugvallen in een traditioneel rollenpatroon is ook niet meer mogelijk, dus blijft alleen nog het idee van de brullende barbaar over. Alle gaten die in het maatschappelijk weefsel zijn geslagen door de protestgeneratie, zijn in latere decennia opgevuld door de commercie. En omdat de markt altijd aan het gemak, aan onze meest simplistische drijfveren appelleert, wordt het gat van de masculiniteit opgevuld met platheid en geweld.

Een laatste ontwikkeling, die ook met de vergaande overheersing van de markt over het dagelijks leven te maken heeft, is dat de cultuur van de onderklasse steeds meer model lijkt te gaan staan voor de rest van de samenleving. Destijds keek de arbeidersklasse omhoog naar de gestudeerde klassen, en wilden zij zich graag ontwikkelen. Beschaving was een ideaal. In de postmoderne samenleving is dat niet meer zo en lijkt de getatoeëerde klasse (de term is van Jos de Beus) steeds meer een model voor allen te zijn geworden. Naar mijn idee heeft dat vooral te maken met het principe van het marktmechanisme, dat zich op ‘doelgroepen’ richt. Door zich op die groepen te richten in haar media-uitingen, worden deze groepen ook bevestigd in hun identiteit. Aangezien de markt alleen is geïnteresseerd in het verkopen van producten, zullen mensen niet worden gestimuleerd in het veranderen van hun gewoonten, zodat ze kunnen groeien en zich emanciperen. Zolang ze maar blijven kopen, mogen ze zijn wat ze zijn. Zie hier de absolute gelijkschakeling van alles en iedereen, het verheven autonomie-ideaal vermengd met de vruchten van het kapitalisme. De hooligan is het nieuwe rolmodel geworden.

De genoemde drie ontwikkelingen, de dialectiek van de Verlichting zelf, de afwezigheid van een nieuw manbeeld na de kaalslag van de sixties en seventies en de verheffing van de hooligan tot nastrevenswaardig fenomeen door de commercie, maakt dat een beeld van masculiniteit ontstaan is zoals we dat zien in de Bavaria-commercial. We kunnen om dit soort filmpjes lachen, maar ze zijn een symptoom van dieperliggende maatschappelijke stromingen waar we ons minder vrolijk over zouden moeten maken.

Een noodzakelijke vergissing

Wat is het belang van ‘beelden’ in politiek en filosofie? Ishet Imaginaire altijd vals en gevaarlijk, zoals het postmoderne denken onsheeft geleerd? Of is een zekere mate van verbeelding juist noodzakelijk? In hetvolgende een filosofische analyse van het beeld, beginnend met de‘spiegelfase’ van psychoanalyticus Jacques Lacan en via een kritiek op hetpostmoderne nomadisme eindigend met een bevestiging van het belang vansubstantiële beelden in de politieke praktijk.

De spiegelfase
Volgens Lacan voelt een pasgeboren kind zich aanvankelijkniet ‘heel’. Het kind voelt zich geen afgesloten individu, maar een veelvoud vansensaties, zonder begin en zonder einde. Het kind weet niet waar het zelfbegint en de moeder eindigt. Dat wordt op een gegeven moment doorbroken door de‘spiegelervaring’. Het kind leert zich spiegelen, herkent zichzelf in despiegel en vereenzelvigt zich met wat het ziet. Dit terwijl het kind zichzelftot dan toe nog ervoer als eenveelvoud. De vereenzelviging met het spiegelbeeld is dus een vergissing. Het spiegelbeeld impliceerteen heelheid, een volledigheid, een individualiteit die er op dat moment nogniet is. Dit is het begin van de Imaginaire sfeer. Een sfeer die bestaat uitbeelden die een totaliteit (lijken) weer te geven.

Ideologie
Als je over het Imaginaire spreekt, spreek je overideologie. Ideologie levert een totaalbeeld van de gewenste werkelijkheid, waarin alles een duidelijke structuur enorde heeft. Maar ideologie versluiert ook de complexiteit en de veelvormigheidvan diezelfde werkelijkheid. Als voorbeeld zou je het neoliberale gedachtegoed kunnen nemen. Volgens deze ideologie zijn alle mensen vrije, gelijke, consumerende individuen enis marktwerking daarom in bijna alle gevallen de aangewezen methode om hetmaximale nut voor het grootste aantal te verkrijgen. Deze ideologie gaatvoorbij aan de complexe werkelijkheid, waarin mensen niet allemaal vrij zijn,niet allemaal gelijke kansen hebben, geboren en gevormd worden binnengemeenschappen waarbij sommigen achterstand oplopen ten opzichte van anderen.De ideologie gaat ook voorbij aan het inzicht dat mensen niet alleen consumentenzijn, maar ook burgers met verantwoordelijkheden en verplichtingen.

Ideologieën kunnen een self-fulfilling prophecy worden. Hetneoliberalisme, zeker als dit denken via een overheersend discoursvanuit machtscentra op de samenleving wordt uitgestort, maakt mensen ook tot consumenten. Zij gaan echt geloven dat falen altijd hun eigenschuld is, dat ze loosers zijn en niet toevallig de pech hebben gehad in deverkeerde wijk te zijn geboren. Ideologie vormtmensen, net zoals het kind bij Lacan zijn eigen imaginaire subjectiviteit vormtop grond van de vergissing met de spiegelbeeld.

De postmoderne kritiek op dit soort samenbindendefantasieën, de Grote Verhalen, is dus heel begrijpelijk. Eveneens begrijpelijkis de huivering voor containerbegrippen en essentialistische uitspraken zoals ‘de’Europees-christelijke cultuur, ‘de’ mens, ‘de’ Islam, ‘het’ volk van Nederlandetc. Ook dat zijn beelden die een heelheid impliceren die weinig met deempirische werkelijkheid te maken heeft. Immers, binnen ‘de Europees-christelijke’cultuur bestaan grote onderlinge verschillen die voor het gemak weggemoffeldworden, elke uitspraak over ‘de mens’ blijkt regelmatig een hele persoonlijkeopvatting te weerspiegelen en ‘de’ Islam is ook veel gedifferentieerder danbijvoorbeeld volgelingen van Geert Wilders denken. De begrippen zijn nietalleen niet nauwkeurig, maar vaak ook gevaarlijk. Zeker als op basis hiervan overheidsbeleid gemaakt wordt. De twintigste eeuw heeft te vaak massabewegingengekend die op basis van essentialistische beelden als ‘het’ Proletariaat of‘de’ Arische mens de meest grote gruwelen hebben ontketend.

Postmodernisme enneoliberalisme
Maar kunnen we ook zonderdit soort begrippen? Postmoderne relativisten denken van wel. Het alternatiefzou een vorm van ‘nomadisch’ denken zijn, dat ideeën voortdurend deconstrueert, contextualiseert en bekritiseert. Binnen de samenleving zouvoortdurend discussie moeten bestaan over de eigen waarden. Niets staat vast,alles is onzeker. We zijn spelende wezens geworden die voortdurend vanidentiteit wisselen, openstaan voor nieuwe invloeden en ons niet meer bindenaan stad of land. De geglobaliseerde wereld staat voor ons open, het leven iséén grote ontdekkingsreis, hallelujah!

Bij deze postmoderne utopie plaats ik mijn kanttekeningen.Kijkend naar de ontwikkelingen van de laatste jaren valt me steeds meer op hoemoeilijk het is voor veel mensen om met de postmoderne onzekerheid te leven.Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in de laatste verkiezingsuitslag, maar ook inde winst van Fortuyn in 2002 (Fortuyn beloofde immers ook een soort ‘GrootVerhaal’). De opkomst van neoconservatisme en fundamentalisme en het nietdoorzetten van het secularisatieproces zijn op wereldwijd niveau facetten vaneen behoefte aan vastigheid en structuur. Temeer omdat het postmodernisme eengriezelig bondgenootschap is aangegaan met de neoliberale globalisering. Wantdie ‘nomadische’ mens, lijkt die niet verdacht veel op de flexibele arbeider,die zich niet meer bindt aan een bedrijf maar zichzelf voortdurend verkoopt opde markt? Een voorbeeld van een combinatie van het postmoderne emancipatiedenken en een flexibele economie is te vinden in het economischemanifest van GroenLinks, ‘Vrijheid eerlijk delen’.

Paradoxaal genoeg lijkt het postmoderne relativisme, datalle ideologie wil bestrijden, zichzelf aan een ideologie, de neoliberale, tebinden. In dat opzicht had de marxist Fredric Jameson wel een punt, toen hijstelde dat postmodernisme ‘the cultural language of late capitalism’ is. Omwerkelijk kritisch te kunnen blijven en te kunnen handelen, maatschappelijk enpolitiek, is niet een louter negatief, maar eerder een positief ingevuld denken nodig. Zoals het kind bij Lacan doorzijn ‘vergissing’ over zijn spiegelbeeld ook een noodzakelijk zelfbeeld opdoet, hoe weinig dat ook met zijnwerkelijke gevoelens van doen heeft, zo heeft het politieke en filosofischedenken ook beelden nodig. Een beeldis belangrijk om je veilig te voelen, om de broodnodige duidelijkheid enzekerheid te verkrijgen, al brengt dat als nadeel enigevervorming van de werkelijkheid met zich mee. De Indiase feministe Gayatri Chakravorti Spivak sprak van ‘strategic essentialism’. Hoewel we altijd kritisch moetenblijven, want essentialisme is levensgevaarlijk, is het soms noodzakelijk ommet beelden en containerbegrippen te werken om een bepaald vooropgezet doel te bereiken.

Substantiëleimaginaire beelden
Nu bestaat er een groot verschil in beelden en de kracht vanbeelden. Neem nu bijvoorbeeld de ‘brands’ van het moderne kapitalisme.Fabrikanten doen er van alles aan om door middel van reclamecampagnes een‘beeld’neer te zetten van een bepaald merk. Het Imaginaireis tot op zekere hoogte maakbaar: soms werkt deze marketing echt. Maar de door dit soort truuks opgeroepenbeelden zijn vluchtig. Als een bedrijf failliet gaat dan blijft het merkmeestal geen generaties lang in de geheugens van mensen aanwezig. Eenbegrip als ‘Nederland’ daarentegen, en alles wat daarmee geassocieerd wordt, bestaat al veellanger. Het idee dat er iets zou bestaan als ‘nationale identiteit’ heeft al ettelijke generaties overleefd. Indie periode is het beeld wel voortdurend aan verandering onderhevig. Dat neemtniet weg dat een dergelijk beeld een bepaalde kracht, vasthoudendheid, duurzaamheid bezit die mensen prettigvinden. Anders zou het niet zo lang bestaan. Dit in tegenstelling tot hetcontainerbegrip ‘Europa’, waar tot nu toe weinig mensen warm voor kunnen lopen.

Er bestaat dus iets als een ‘substantieel imaginairconstruct’ (SIC). Een containerbegrip dat zijn waarde door de tijd heeftbewezen, waar mensen zich fijn bij voelen en dat ook in betekenis kanveranderen en meegroeien met de tijd. Links zal – nu het postmodernisme kwijnende is – zich meer moeten gaan bezinnen ophet strategisch gebruik van SICs. Kritische deconstructie kan een gereedschapter relativering zijn, maar moet nooit de praktische toepassing van hetpolitieke handelen in de weg zitten. Net zoals het besef van de eigenindividualiteit een noodzakelijke vergissing is, zo hebben we beelden nodig om substantie te geven aan de wereld en ons politieke handelen. 

 

‘Wereldburgers’ bestaan niet

Een kosmopolitisch ingestelde mens, dat is een ideaal dat velenpositief in de oren klinkt. Een partij als GroenLinks wordt vaak kosmopolitischgenoemd. Het Mentality model van onderzoeksbureauMotivaction kent zelfs een aparte doelgroep die deze benaming draagt. Met inhet achterhoofd deze impliciete waardering voor de wereldburger wordenandersdenkenden al gauw ‘provincialistisch’ genoemd. In de commentaren op derecente verkiezingen heette dat vaak ‘naar binnen gekeerd’. Een partij als deSP wordt keer op keer als provincialistisch en conservatief neergezet.

Het is eigenlijk verwonderlijk dat postmoderne, progressieveintellectuelen, die zichzelf vaak als kosmopoliet betitelen, nooit zijn begonnenaan een deconstructie van dit begrip. Wel zijn begrippen als ‘nationaleidentiteit’ en ‘patriottisme’ vakkundig gesloopt. Zoals historici kunnenbewijzen, gaat het hier om in een lange periode gegroeide constructen,bestaande uit allerlei tegenstellingen en vreselijk veel variaties. Eenheid indit begrip is moeilijk te vinden. Mensen die geloven in een objectief bestaande ‘nationale identiteit’ houden van een luchtspiegeling, een subjectief, zeerindividueel beeld dat zij aan anderen willen opleggen. Een nationale identiteitbestaat helemaal niet, dus waarom dan niet gewoon wereldburger worden? Dat isbovendien sympathiek, universeel en Verlicht.

Maar wat is dat dan, een wereldburger? Zelf kan ik me nauwelijks eenvoorstelling vormen bij dat begrip. Iemand die regelmatig voor de TV zit om het nieuwsvan de wereld te volgen en zich overal druk om maakt? Iemand die houdt vanbuitenlands eten? Iemand die veel reist en ‘de wereld’ gezien heeft? Of eenpostmoderne ‘nomade’, die van land tot land trekt en zich nergens echt thuis voelt?Wellicht een venture capitalist: iemand voor wie het niet uitmaakt in wat voor soortland, industrie of bedrijf hij investeert, als hij maar maximale winst behaalt.Iemand dus, voor wie alles abstract is geworden, voor wie er geen rijst, aardappelsof maïs meer bestaan alleen nog maar ‘producten’. Voor wie er geen mensen met cultureleen individuele identiteiten meer bestaan, alleen nog maar ‘resources’.

Het begrip kosmopoliet heeft geen eigen betekenis, hetis vooral iets niet. Namelijk nietnationalistisch. Als je het nog zou kunnen duiden dan is het een vaag gevoeldat wordt opgeroepen door de technologie (media, verbeterde reismogelijkheden)en van de abstraherende en vervreemdende effecten van het kapitalisme.Eigenlijk is het een waardeloos begrip. Ik denk zelfs dat je zou kunnen zeggendat ‘de wereldburger’ helemaal niet bestaat. Evenals nationale identiteit is het kosmopolitismeeen construct. Echter wel een waardeloos construct. Het is zo vaag, onduidelijk,modderig dat het mensen geen werkbare structuur biedt. En als links demaatschappij wil veranderen, dan zijn structuren nodig.

Terugzakken in een dogmatisch nationalisme à la Wilders danmaar? Nee, natuurlijk niet. Maar laten we met ons allen alsjeblieft nietontkennen dat we als Nederlanders een hoeveelheid historisch gegroeide codes enomgangsvormen gemeen hebben. Dat het begrip Nederlandse identiteit in al zijngekunsteldheid en verbrokkeling toch nog veel meer duidelijkheid en structuurbiedt, óók voor migranten, dan het begrip wereldburger. Je voelt dat meestalhet sterkst als je met vakantie bent in het buitenland. In gesprek met mensenuit een andere cultuur word je voortdurend geconfronteerd met je eigenimpliciete aannames die je maken tot een product van je eigen cultuur, van een vorm van Nederlandse cultuur. Gekgenoeg hoeft dat helemaal geen beletsel te zijn in het contact metbuitenlanders. Juist het feit dat je van elkaar weet dat je anders bent, maaktcommunicatie gemakkelijker. Verschillen kunnen ook bindend werken. Als je ze maar niet ontkent. Pas na verloop van tijd, als je de structuren,de cultuur van de ander, gaat begrijpen, ga je ook zien hoe de ander alsindividu uniek is binnen diens eigencultuur. Begrip voor de ander is gebaat bij duidelijkheid.

Een tijdje geleden sprak ik in De Balie met een Marokkaanse dichter.Hij vertelde me hoezeer hij soms moeite had met zijn eigen gedwongen dubbelleven.Het voortdurend schipperen tussen zijn Marokkaanse identiteit, het beeld datzijn familie thuis van hem had en de persoon die hij was binnen de meer stadseen meer Nederlandse cultuur waarin hij zich bevond. De door postmodernen veelgeroemde hybriditeit en onzekerheid werkte op hem alleen maar pijnlijk enverwarrend. Bij zijn ouders kon hij zichzelf niet zijn. Wie wil er nou niet door zijn ouders worden gerespecteerd in wathij doet? Maar om hem te leren kennen, zouden die ouders zich eerst moetenverdiepen in ‘de’ Nederlandse cultuur. Deze proberen te begrijpen. Een beeld van Nederland – hoe onvolledig ook- kan dus wel degelijk behulpzaam zijn bij de integratie.

Hoewel de natiestaat veel leed heeft veroorzaakt, zeker inde eerste helft van de twintigste eeuw, danken wij ook onze verzorgingsstaataan datzelfde begrip natie. Het is daarom helemaal niet gek om werkbareconstructen als ‘nationale identiteit’ wat meer dialectisch te benaderen. Nietalleen door ons bewust te zijn van zowel de voordelen als de gevaren van ditbegrip, maar ook door te zien dat we juist door de beperkingen die het natiebegrip ons oplegt eensprong kunnen maken naar de rest van de wereld. Natuurlijk, we moeten een begrip alsculturele identiteit niet te essentialistisch opvatten, ons bewust zijn van hetverbrokkelde karakter ervan en kunnen lachen om de vooroordelen en de clichésdie ermee samenhangen. Maar die verbrokkeling en zelfs de clichés maken eenweg vrij voor contact met de ander. Dat is een kracht die andere constructen,zoals ‘de liberale wereldburger’ of het klassiek linkse begrip ‘proletariaat’ met hun internationale dimensies, nooit hebben kunnen geven.

Willen wij solidair zijn met de landen om ons heen, willenwij daadwerkelijk betrokken worden bij datgene wat er in de wereld speelt, danis het helemaal niet gek om bij de eigen culturele identiteit te beginnen. Juistvia ons eigen ‘provincialisme’ kunnen wij een brug slaan naar ‘de wereld’. ‘Naarbinnen gekeerd zijn’ is soms een voorwaarde om je naar buiten te kunnen gaankeren. Je hoeft echt geen oranjeklant te zijn om dat te vinden.

Cynisch

In NRC Handelsblad van vandaag stond een opiniestuk van Lans Bovenberg, Johan Mackenbach en Roel Mehlkopf. Onder de titel ‘Maak een einde aan de perverse solidariteit’ houden de economen een pleidooi voor een variabele pensioenleeftijd. De redenering is als volgt: lager opgeleiden leven over het algemeen veel korter dan hoger opgeleiden (in het stuk wordt gesproken over 10 jaar verschil in levensverwachting). Dat is de reden dat het volgens de heren rechtvaardiger zou zijn om de pensioenleeftijd voor die laatste groep dan maar te verhogen. Zij kunnen immers toch langer van deze periode genieten, is de redenering. Op dit moment ‘betalen’ lager opgeleiden, die immers minder lang van het pensioengeld gebruik maken, het pensioen van hoger opgeleiden.

Op het eerste gezicht klinkt dit een links mens natuurlijk sympathiek in de oren. De sterkste schouders dragen de zwaarste lasten. Maar er klopt iets niet aan de redenering. De demografische gegevens over levensverwachting van bevolkingsgroepen worden namelijk voetstoots aangenomen. De vraag ‘waarom worden die lager opgeleiden dan niet zo oud?’ wordt niet gesteld. De bevolkingsopbouw en het grote verschil in verwachte levensjaren tussen bevolkingsgroepen zien de economen als een voldongen feit.Wat zijn dan precies de oorzaken van dat verschil in levensverwachting? Uit het artikel word je daar niets wijzer over, maar je kunt natuurlijk zelf wel wat verzinnen. Lager opgeleiden leven vast ongezonder, eten slechter, roken meer en doen wellicht ook vaker lichamelijk werk dat het lichaam sneller doet slijten. Zou het niet logischer zijn als de overheid beleid ging voeren om dat grote verschil in levensverwachting te verkleinen? Dat kan door die verschillende oorzaken aan te pakken, zodat de levensverwachting ook bij lagere opleidingen omhoog gaat. Dat zal allemaal wel erg moeilijk zijn, maar toch niet onmogelijk?

Natuurlijk is daar wat paternalistischer beleid voor nodig. Mensen dienen beter te worden voorgelicht, opgevoed bijna. Van kinds af aan, via buurtwerk of op school. Enige maatregelen tegen de alomtegenwoordigheid en goedkope verkrijgbaarheid van fast food zouden genomen moeten worden. En wellicht zouden we mensen die zwaar lichamelijk werk doen wat meer kunnen gaan betalen en wat korter laten werken.

In plaats daarvan komen de CDA economen met een cynisch plan. Deze laaggeschoolde mensen leven korter, dus dan kopen we die jaren die ze moeten missen af door voor hen de pensioenleeftijd niet te verhogen. Voor hoger opgeleiden doen we dat wel, die kunnen langer gaan werken. Intussen wordt het arbeidsbestel niet ontspannener, maar gaan we alleen nog maar meer werken. De pensioenlasten worden misschien iets eerlijker verdeeld, maar er verandert structureel niets aan een enorme ongelijkheid in de samenleving. Deze ongelijkheid namelijk, dat als je in een laag opgeleid gezin geboren bent, je op dit moment heel weinig kans hebt om maatschappelijk te stijgen en dat je dus veroordeeld bent om 10 jaar korter te leven dan iemand uit een hoog opgeleide omgeving.

De Bovenbergs van deze wereld zijn zo geobsedeerd met het ‘betaalbaar’ houden van de verzorgingsstaat dat ze gezonken zijn tot het cynische niveau van dit soort ‘oplossingen’. Onder het mom van rechtvaardigheid affirmeert deze oplossing juist de onrechtvaardige kansenverdeling in de Nederlandse samenleving.

In het zweet….

In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt.
Genesis 3:19:

De christelijke doctrine van de erfzonde leert dat de mens tot werk en nooddruft veroordeeld is. Dat is de straf die Adam en Eva meekregen bij hun uitdrijving uit het paradijs. We moeten dus hard werken, dat is ons lot en de enige troost die we daarbij hebben is het geloof in Jezus Christus en diens wederkomst op aarde. De genade is aan God alleen, de mens is niet in staat daar wat aan te veranderen.

De Verlichting en vooral het socialisme leren dat de mens wel degelijk bij machte is wat aan zijn lot te doen. Door de ontwikkeling van nieuwe technologie en het inzetten van die technologie zodat deze aan alle mensen gelijkelijk ten goede komt, kunnen mensen bevrijd worden van de ketenen waarmee ze gebonden zijn aan het aardse bestaan van hard werk en honger lijden. Natuurlijk, in de geschiedenis waren er altijd groepen geweest die gevrijwaard waren van de dwang te werken: de Grieken en Romeinen profiteerden daarbij van slavenarbeid, de adel in de Middeleeuwen van de binnen het feodale stelsel werkende boeren en de bourgeoisie in de 19de eeuw van de loonarbeid van het proletariaat. Maar allemaal waren het onderdrukkingsrelaties waarbij de ene groep profiteerde van de onderworpenheid van de andere groep. Het socialisme wilde een maatschappij creëren waarbij iedereen de mogelijkheden binnen zijn bereik zou hebben die bijvoorbeeld de Griekse mannen hadden gehad.

Intussen zijn er in een land als Nederland al grote stappen gezet in de richting van dit ideaal. Dankzij de verzorgingsstaat en collectieve arbeidscontracten zijn mensen bevrijd van de onzekerheid om hun baan te verliezen (wat ook een typische vorm van nooddruft is) en verdienen ze vaak een redelijk loon. Veel van die veranderingen zijn op het conto te schrijven van bewegingen aan de linkerkant van het politieke spectrum.

Maar als we de mens uit zijn naakte bestaan willen bevrijden, dan zijn enkel economische en sociale maatregelen niet genoeg. Wil een mens werkelijk in staat zijn te groeien als persoon en individu, dan zijn ook culturele, psychologische en spirituele factoren van belang. Die factoren zijn door links, zeker sinds de jaren ’70, zwaar veronachtzaamd. Met een beroep op het begrip ‘autonomie’ zijn grote groepen, vooral binnen de onderklasse, domweg aan hun lot overgelaten. Hoe autonoom is iemand, die niet opgegroeid is in een vertrouwde omgeving, die zich niet geborgen voelt, die geen culturele achtergrond heeft om zichzelf een plaats te kunnen bepalen en die nooit uitgedaagd is na te denken over de zin van zijn bestaan? Lang heeft links gedacht dat dit dan vanzelf wel zou komen, dat er in mensen een of andere originele kern is die vanzelf naar boven komt als hij maar een baan of desnoods een uitkering heeft.

De kwaliteit van het onderwijs en de curricula binnen datzelfde onderwijs gingen steeds meer achteruit. De gemiddelde Nederlander heeft een abominabele kennis van zijn eigen taal en geschiedenis. Zonder een stevige culturele achtergrond zijn veel mensen makkelijk slachtoffer van de meest slechte producten van het kapitalisme: de platte amusementsindustrie en de consumptiemaatschappij. Wanneer een mens geen vorming meekrijgt, niet zelfstandig leert nadenken en die praktijk voortdurend oefent, dan wordt ook geen karakter opgebouwd. Alleen karakter en discipline kunnen iemand helpen het uiterste uit zichzelf te halen, te groeien vanuit zichzelf en daarbij ook werkelijke vreugde te leren kennen. ‘Gemakkelijk’ amusement is leuk voor het moment, maar levert geen blijvend gevoel van voldaanheid op. Deze postmoderne leegte leidt tot een voortdurend vluchtgedrag of een gemakzuchtige, onderuitgezakte houding en een lichtgedeprimeerde stemming (is depressie niet een aandoening die steeds sneller stijgt?) die tot weer meer consumptie van lege producten leidt. Een vicieuze cirkel.

Wanneer links zich weer bewust wordt van de aloude opdracht om de mens te bevrijden van zijn naakte bestaan dan moet ingezien worden dat dat niet alleen kan met economische en sociale maatregelen. Een strijd tegen de perverse effecten van het kapitalisme is vooral ook een culturele en psychologische strijd. Daarom moet er veel meer geïnvesteerd worden in een beschavingsoffensief, via onderwijzers, via sociaal werkers, en via de zorg moeten alle mensen een helder cultureel en moreel kader voorgelegd krijgen, van waaruit ze als zelfstandige mensen, met karakter, de wereld in een geglobaliseerde maatschappij aankunnen. Daarbij moet links ook niet vergeten dat we daarvoor instrumenten nodig hebben die duidelijkheid kunnen geven aan mensen. Een voorbeeld daarvan is de in veel linkse kringen vermaledijde historisch-culturele canon.

Een zelfstandige mens is altijd het resultaat van groei in een geborgen en zekere omgeving. Wanneer bestaanscondities op economisch, sociaal, cultureel, psychologisch en spiritueel niveau verzekerd zijn heeft ieder mens werkelijk mogelijkheden tot groei. Bij het vergroten van de onzekerheid, door bijvoorbeeld de vermindering van de ontslagbescherming en het uitkleden van het onderwijscurriculum vanuit een moerassig relativisme is uiteindelijk niemand gebaat. Tenzij je wil wachten op een bovennatuurlijke Verlossing natuurlijk.

De zelfkant van de zelfspot

De meeste mensen zullen zich nog de beelden herinneren vanAyaan Hirsi Ali op bezoek bij eenblijf-van-mijn-lijf huis met Islamitische vrouwen. Het was een onaangenaamgezicht. Hirsi Ali bleef het gehele gesprek verbeten hameren op de relatietussen het huiselijk geweld dat de vrouwen ondergaan hadden en hun geloof. Devrouwen beweerden daartegenover dat zij in deze moeilijke tijd juist krachtontleenden aan de Koran. Het werd geen gesprek. Ondanks de ervaringen die zowelde politica als deze vrouwen deelden, bleven de standpunten mijlenver uitelkaar liggen. Toenadering bleek onmogelijk.

Verbetenheid. Dat is ook de houding waar Evelien Tonkens enTsjalling Swierstra zich in hun recente Socrateslezing tegen richten. VolgensTonkens en Swierstra werkt het ronduit drammen op het eigen gelijk, de houdingvan de zure, bijna verbitterde wereldverbeteraar, in dialogen meestalaverechts. Als je dan toch de wereld wil verbeteren, als je gelooft in eenbeschavingsoffensief, doe het dan met zelfspot, zeggen zij. Juist die nederigehouding, waarbij we ons bewust zijn van de beperkingen van ons menselijkbevattingsvermogen, opent een ruimte waarin een dialoog gevoerd kan worden metde ander. Zonder te vervallen in gedram en miscommunicatie, zoals Hirsi Ali datdoet.

Dat klinkt sympathiek en aannemelijk. En inderdaad, devoorbeelden die Swierstra en Tonkens geven zijn overtuigend. Zo noemen ze Shouf shouf habibi bijvoorbeeld, de filmen televisieserie waarin op een sympathieke manier grappen worden gemaakt overde typische verwikkelingen in het leven van de eigen bevolkingsgroep. Een heleopluchting na alle debatten van de laatste jaren, waarin Marokkanen meestalboos overkwamen en voortdurend in de verdediging zaten. Zelfspot kan zeker eensfeer verlichten en is in grote mate preferabel boven al te felle discussiesdie nooit tot werkelijke dialoog leiden.

Maar wat ontbreekt in de lezing van Swierstra en Tonkenszijn de ongewenste effecten van hun voorstel. Er bestaat namelijk ook een ‘zelfkantvan de zelfspot’. Zelfspot kan mensen in de weg zitten, zodat ze zichzelf nietmeer serieus nemen. Mensen kijken dan van een afstand naar zichzelf,bijvoorbeeld vanuit de ogen van een onderdrukker. Het is goed om af en toejezelf op een humorvolle manier te kunnen relativeren, maar altijd de clownuithangen is te vaak een verkapte vorm van zelfhaat. Denk aan de serviele Uncle Tom Negro, de neger die zichondergeschikt had gemaakt aan de blik van de blanke slavenhouder. Hij werd watde ander wilde dat hij zou zijn. Hij had zijn onderdrukker geïnternaliseerd.

Zelfspot stelt mensen in staat om van een afstandje naarzichzelf te kijken. Maar uit wiens ogen wordt er dan gekeken? Een blik vanuithet niets bestaat eenvoudigweg niet, op de een of andere manier vereenzelvigenwe ons altijd met een ander. Shouf Shouf,van de Nederlandse regisseur Albert de Heerdt en deMarokkaanse acteur Mimoun Oaïssa, bevestigt op een lollige manierallerlei vooroordelen over Marokkanen. Dat is sympathiek, voelt als een open houding,maar toch moeten ook Marokkanen uitkijken dat er niet iets zal ontstaan als eenShouf shouf-Marokkaan. Eengedomesticeerde versie van zichzelf, perfect geïntegreerd, braaf, zoals deNederlander dat graag ziet, met zijn kenmerkende zelfspot. Maar ver verwijderdvan het eigen zelfrespect en de mogelijkheden om zichzelf vanuit de eigenpositie te ontplooien.

Een teveel aan vereenzelviging met een ander kan tot gevolghebben dat mensen niet meer trouw zijn aan zichzelf. Zeker als die andertoevallig overeenkomt met de politieke of maatschappelijke ‘tegenstander’. Alsíets noodzakelijk is voor idealisme, voor emancipatie en persoonlijke revolte,dan is het wel trouw aan die positie die je als subject bent gaan innemen in desamenleving. Het evenwicht tussen zelfspot en serieus zelfrespect is precair.Niet alle zelfspot is bevrijdend en zelfs al gaat deze uit van een mededogendehouding, zoals Swierstra en Tonkens suggereren, dan nog kan deze verdacht zijn.Ook mededogen kan namelijk onderdrukkend werken, omdat het ‘lijdend voorwerp’van mededogen altijd in een afhankelijke positie terecht komt.

Een andere zelfkant van de zelfspot is dat deze defensiefkan zijn, zodat dialoog eerder ontweken wordt dan aangegaan. Het koketteren enstileren van je eigen minderheidspositie kan er juist voor zorgen dat je jezelfboven alle kritiek verheven acht. ‘Ik ben nu eenmaal een klungel, een prutser,een macho, een leernicht, een drugsverslaafde, hoerenloper, hypochonder, vreemdgangerof voetbalsupporter. Ik rommel maar wat aan. Heeft iemand nog commentaar dat ikniet zelf al heb gegeven?’ Maar een serieuze dialoog bestaat er juist uit omvanuit de vaak gestileerde buitenkant naar de binnenkant door te proberen tedringen. Morele keuzes zijn niet grappig, ze zijn bloedserieus. Veelbelangrijker in dialoog is volgens mijn overtuiging dan ook, naastzelfreflectie, zelfrespect. En ja, helaas komt dat er soms bij bepaalde menseninderdaad wat verbeten uit.

Na de zelfkant van de zelfspot toegelicht te hebben, is hetnoodzakelijk om nog één opmerking maken over de beperkingen van het middel vande dialoog. Humanisten overschatten iets te vaak de kracht van dit medium.Woorden kunnen wel invloed hebben op de leefstijl en overtuigingen van eenander, maar in beperkte mate. Een positie innemen in het politieke debat isnamelijk niet een volledig intellectuele, vrij doordachte keuze. Evenzo is hetgeen keuze die wordt bepaald door alleen sociaal-economische factoren (‘ik benarbeider dus ik stem links’). Een subjectpositie is het resultaat van eenaantal persoonlijke, maar vooral ook gedeelde ervaringen van mensen. Het zijnbepaalde gebeurtenissen die mensen op een sterk gevoelsmatig niveau vormen totwat ze zijn. Te vaak wordt er in politiek correcte kringen dan ook gemopperd overde onderbuik. Maar gevoelens zijn reëel en dienen gerespecteerd te worden. Nietdoor mensen te overreden er de spot mee te drijven. Maar door ze te vragen optafel te leggen hoezeer ze allen door hun hoogstpersoonlijke ervaringen gevormdzijn. Nogmaals, ik geloof niet dat mensen elkaar zo snel kunnen overtuigen.Toch kan enig inzicht in de wordingsgeschiedenis van de ander soms tot meerbegrip leiden voor diens ideeën, dan een zuiver intellectuele discussie over dezaak zelf dat zou kunnen. Zo had Hirsi Ali de vrouwen uit hetblijf-van-mijn-lijf huis beter leren begrijpen –en vice versa- als ze eerst detijd had genomen om te onderzoeken wat voor mensen ze eigenlijk voor zich had.Verbeten of niet.

 

Zelfspot is daarom zeker nuttig, maar ook gevaarlijk. Eenmiddel dat gedoseerd ingezet moet worden en zeker niet een panacee voor allesis. Het zou al mooi zijn als mensen in dialoog eerst wat meer interesse voorelkaar zouden opbrengen, voor elkaars historie en groeiproces. Een bewustzijnvan de moeilijkheid en de traagheid die altijd eigen is aan de communicatietussen twee personen, juist dóór al die verschillende wordingsgeschiedenissen,maakt het mogelijk om te voorkomen dat de dialoog in wederzijdsegelijkhebberigheid ten onder gaat.

Het autonomiegebod

Het liberalisme, zowel in zijn rechtse neoliberale als in zijn progressieve vorm heeft de wind tegen. Niet alleen de afgelopen Verkiezingsuitslag maakte dat duidelijk, ook andere, langduriger ontwikkelingen wijzen erop dat het liberale gedachtegoed zijn langste tijd heeft gehad. Symptomen daarvan zijn bijvoorbeeld de Franse en Nederlandse afwijzing van de Grondwet van het neoliberale Europa. Of de opkomst van het links-populisme in Latijns Amerika. Of het in ongenade vallen van het in de jaren ’90 nog bewierookte liberale multiculturalisme. Het is daarom zinvol om eens goed na te gaan wat er nu in de kern mis is met dat liberalisme. Om te beginnen: wat is er eigenlijk verkeerd aan het liberale ideaal van autonomie? En kunnen we daar in deze moeilijke tijden nog iets tegenover zetten, een gemoderniseerde versie van dit ideaal dat bruikbaarder is bij de problemen van vandaag de dag, bijvoorbeeld die van de onderklassen?

Een probleem van het liberalisme is dat het schatplichtig is aan het achttiende-eeuwse Verlichtingsdenken. Liberalen geloven dat ieder volwassen mens in principe gelijk is en in staat moet zijn om autonoom beslissingen te nemen. Deze autonomie is bijna een dogma, ‘gij zult autonoom zijn’ en ontkent de reële omstandigheden en verschillen waar mensen vaak in verkeren. Als mensen niet zijn opgegroeid in een veilige, zekere omgeving, als mensen beperkt zijn opgeleid en daarom geen morele en intellectuele basis hebben gekregen om keuzes te maken, dan is het natuurlijk een gotspe om ze als autonoom te beschouwen. Deze mensen hebben sturing en hulp nodig om autonoom te worden, om te groeien. Omdat het liberalisme weinig opheeft met deze tijdsdimensie en altijd uitgaat van een eeuwig NU waarin iedereen gelijk moet zijn, beschouwt ze ieder mens als even autonoom. Dat levert onzekerheid op en veel mensen zijn niet in staat om daarmee om te gaan. En het heeft tot gevolg dat bepaalde klassen een enorme voorsprong hebben op andere klassen in het omgaan met vrijheden, terwijl het die andere klassen juist moeilijker maakt om zich te ontwikkelen en te ontplooien.

Naast dit individualisme uit de Verlichting, dat in zijn systeemdwang de tijdsdimensie en bestaande ongelijkheden en verschillen ontkent, wil ik graag een ander individualisme voorstellen. Een individualisme dat eerder geworteld is in de Romantiek. Ieder mens heeft de potentie in zich om autonome keuzes te maken. Maar deze potentie heeft tijd nodig om zich te ontwikkelen. Als mensen te vroeg teveel vrijheid krijgen dan heeft dit juist een averechts effect. Zo hebben bepaalde vrijheden, bevochten door de hogere middenklassen in de jaren ’60 en ’70, een vernietigend effect gehad op de onderklasse. Denk aan druggebruik en een vrijzinnige moraal rond seksualiteit. Deze vrijheden betekenen dus heel wat anders voor de onderklasse dan voor de middenklasse. Maar in het platte gelijkheidsideaal van het Verlichtingsliberalisme worden beide groepen als gelijk en even autonoom beschouwd.

Vaak is het liberalisme daarom niet meer dan een verdediging van de vrijheiden waar de bevoorrechte klassen reeds goed mee om kunnen gaan en die de minder bevoorrechten juist in hun ondergeschikte positie houdt. Het onder een dikke laag politiek correcte retoriek verborgen resultaat is dan ook dat de verschillen in de maatschappij steeds maar groter worden, gesanctioneerd door de hoge morele uitgangspunten van de elite.

Moeten we daarom al onze grote culturele vrijheden maar opgeven om zo de minder gefortuneerde te beschermen? Integendeel, individuele keuzevrijheid dient een belangrijk deel uit te blijven maken van de Nederlandse cultuur. We hebben echter een nieuwe vrijheid nodig: de vrijheid om ‘onvrij’ te zijn. De vrijheid om niet te worden gestoord door keuzedwang, de vrijheid om afhankelijk te mogen zijn. Elke vrijheid moet daarom voorzien worden van de mogelijkheid van zijn tegendeel. Vaak is dat al zo: abortus proberen we te voorkomen door goede seksuele voorlichting, euthanasie is gebonden aan strenge richtlijnen en procedures, er is drugsvoorlichting. Maar ook in het alledaagse leven dient de overheid via welzijnswerkers, onderwijsprofessionals en opvoedingsondersteuning mensen te helpen om structuur in hun leven te brengen, met andere woorden: vrijwillig te kiezen voor een zekere mate van onvrijheid om uiteindelijk vrij te worden. Matigheid en zelfbeheersing, deugden die op dit moment in de samenleving zo ontzettend belangrijk zijn, zijn de mens niet van nature aangeboren en moeten aangeleerd worden. Als dat in een bepaald milieu niet vanzelf gebeurt, dan kan de overheid daarbij helpen.

Romantische individualisten geloven dus in de potentie van mensen. Zij gaan niet uit van een simplistisch mensbeeld dat mensen ‘van nature’ goed of fout zijn, of dat ieders egoïsme automatisch goed is voor allen. Zij gaan er vanuit dat mensen complexe wezens zijn die zowel kunnen uitgroeien tot schurken als tot weldoeners. Mensen hebben elkaar echter nodig om tot volle persoonlijke bloei te komen. Mensen kunnen elkaar de geborgenheid en zekerheid geven die nodig zijn om op te groeien tot een zelfverzekerd individu. Laat autonomie dus het einddoel blijven, maar laten we in vredesnaam het liberale gebod om autonoom te zijn, in wat voor situatie je ook bevindt, zo snel mogelijk afschaffen!