De vaders en grote broers hebben gewonnen

Nederland is op zoek naar vaders. We willen weer duidelijkheid, autoriteit, zekerheid. We willen leidsmannen bij wie we ons veilig voelen. We willen opgevoed worden door voorbeeldfiguren. In een tijd dat de publieke omroep een digitaal themakanaal lanceert dat volledig gericht is op het thema ‘opvoeden’, dat intellectuelen discussiëren over het ‘nieuwe paternalisme’ en een ‘beschavingsoffensief’ en zelfs de commerciële zenders programma’s brengen waarin kinderen de tucht van de jaren ’50 moeten doorstaan, lijkt de tijdgeest mee te waaien met de nieuwe vaders: Jan-Peter Balkenende, Jan Marijnissen en André Rouvoet.

De wereld globaliseert. Nederland wordt met grote veranderingen geconfronteerd: immigratie, de opkomst van China en India als economische en concurrerende grootmachten met outsourcing en sluiting van Nederlandse vestigingen van bedrijven tot gevolg, de instroom van goedkope arbeiders uit het oosten van de Europese Unie en de dreiging van terrorisme. Dit alles maakt dat er weer behoefte is aan een leidsman. Zoals Colijn in de crisisjaren ’30 van de twintigste eeuw voortdurend werd herkozen, zo is het nu Balkenende die een uitstraling van veiligheid en zekerheid heeft, evenals Marijnissen en Rouvoet. De laatsten hebben bovendien een aureool om zich heen van betrouwbaarheid en principiële ongenaakbaarheid, als rotsen in de branding, in plaats van wiebelende pontons zoals Bos en Rutte. Maar ook een gedachtegoed dat meer heeft van een klassiek gemeenschapsdenken lijkt in deze tijd voor veel Nederlanders aantrekkelijker dan het in de jaren ’90 nog volop bloeiende liberalisme.

Waar is dan de geest van de jaren ’70 gebleven? Het anti-autoritaire gedachtegoed, het verzet tegen de vaders, het individualisme en het non-conformisme? Wat opvalt is dat de stroming die bij uitstek het individualisme representeert, het liberalisme, het deze verkiezingen slecht heeft gedaan. En dit geldt zowel voor de rechtse (VVD) als de linkse (D’66, Groen Links) variant van deze richting. Het verlies van deze partijen heeft deels te maken met hun aanvoerders: Rutte, Pechtold en Halsema hebben geen van drieën de bezonken uitstraling van een verstandig vaderfiguur. Voor een belangrijk deel kan het verlies echter ook programmatisch verklaard worden. Hun liberalisme belooft namelijk weinig zekerheden. Zowel het rechts- als het linksliberalisme is voortdurend bezig in naam van de vrijheid bestaande zekerheden af te breken. Zelfs Groen Links doet dat, met haar veelbediscussieerde plan om de ontslagbescherming te versoepelen.

Dit onzekere aspect van het liberalisme weerspiegelt zich in de daden van de partijen: neem bijvoorbeeld het destijds met moeite verdedigde standpunt van Groen Links om troepen te sturen naar Afghanistan dat een einde maakte aan de principieel pacifistische opstelling van de partij. Ineens bracht de partij een element van onzekerheid in zijn besluitvorming dat door kiezers ook geïnterpreteerd kon worden als onbetrouwbaarheid. Neem dan de rechtlijnige standpunten van de SP! Hetzelfde geldt natuurlijk in een nog sterkere vorm voor D’66, die zo ongeveer al zijn standpunten, van de gekozen burgemeester tot het sturen van troepen naar Uruzgan, verkwanselde voor een plek op het pluche. De VVD is uiteen gespeeld over haar koers: de nationalistisch-conservatieve van Verdonk tegenover de neoliberale van Rutte. Rutte probeerde beide koersen te verdedigen en ook dat kwam weinig duidelijk en betrouwbaar over op de aspirant VVD kiezer.

Overigens speelde hetzelfde euvel de Partij van de Arbeid parten. Ook Bos, met zijn sociaal-liberale imago, draaide teveel om zijn standpunten heen. De koers was onduidelijk: wilde hij nu naar rechts of naar links? De grote behoefte om alle partijen te vriend te houden maakte hem niet overtuigend. Bos is geen vader met autoriteit, zelfs geen oudere broer. Bos is in alle opzichten het middelste broertje die door iedereen aardig gevonden wil worden. Zodra hij kritiek krijgt, zoals de felle aanvallen van de kant van het CDA, raakt hij uit zijn evenwicht. Het ontbrak Bos aan een rechte rug en de PvdA aan een vaste koers.

Betekent deze ontwikkeling nu dat het individualisme uit de mode is en dat we met ons allen weer op zoek zijn naar de warmte en veiligheid en eveneens het plichsbesef van de jaren ‘50? Mij lijkt dat onwaarschijnlijk. Het oppervlakkige individualisme van de jaren ‘80 en ’90, het individualisme van ‘lekker jezelf zijn’, van onverschilligheid, dat is zeker uit de mode. Zoals critici als Theodore Dalrymple en Hendrik-Jan Schoo al hebben betoogd werd deze vrijheid vooral beleefd door beter gesitueerden met een hogere opleiding (Bourgeois Bohemians). Sinds de Fortuyn-revolutie is duidelijk geworden dat een groot deel van het Nederlandse electoraat deze vrijheid helemaal niet wilde maar snakte naar orde en leiding. Een veilige buurt, grenzen stellen aan de opvoeding van kinderen en ook aan het gedrag van de nieuwkomers in de Nederlandse samenleving werd belangrijk. Maar dit nieuwe gemeenschapsdenken heeft voor de meeste Nederlanders niet de vorm aangenomen van een moreel conservatisme. Ethisch beladen onderwerpen zoals abortus, euthanasie, homohuwelijk of het drugsbeleid stonden nauwelijks op de agenda, zelfs de Christenunie heeft hier geen verkiezingsthema van gemaakt. De Nederlander is en blijft in de kern progressief en openminded. Er blijft in Nederland ruimte voor non-conformisme en zelfs voor grensoverschrijdend gedrag. Het besef leeft echter dat dit soort gedrag juist alleen kan floreren binnen een samenleving waarin mensen meer oog hebben voor elkaar, elkaar aanspreken op gedrag en elkaar te hulp schieten in moeilijke en onzekere perioden.

Het nieuwe gemeenschapsdenken is dus niet alleen een verlangen naar het Nederland van de Verzuiling (al hangt er een nostalgische waas omheen) en houdt ook geen verband met een ‘culture war’ zoals in de Verenigde Staten tussen conservatieve christenen en liberals wordt uitgevochten. De Nederlander lijdt alleen aan twee angsten die een weerklank zijn van maatschappelijke problemen: de ene angst is het verlies van de verworven vrijheden (en zekerheden), deze komt bijvoorbeeld tot uiting in de kritiek op de Islam (winst van Wilders) of in de woede over het steeds maar weer uitkleden van de sociale zekerheid (winst voor Marijnissen). De andere angst is het effect dat diezelfde verworven vrijheid heeft op de onderklasse, vooral allochtonen: deze komt tot uitdrukking in de blijvende aandacht voor bestrijding van criminaliteit, veiligheid en ‘normen en waarden’. Hufterigheid, onbeschoftheid en zelfs geweld zijn negatieve aspecten van het individualisme van de jaren ’70, waar veel Nederlanders genoeg van hebben. Dit komt bijvoorbeeld naar voren in de behoefte aan het morele leiderschap van Balkenende of Rouvoet.

De kern van de problematiek is de januskop van de individuele vrijheid. Aan de ene kant willen Nederlanders nog steeds ruimte om zichzelf te ontplooien, om taboes te overtreden, om in het leven een eigen weg te kiezen los van wat de gemeenschap van hen wil. Aan de andere kant is er een besef ontstaan dat om die vrijheid op een verantwoordelijke manier te gebruiken, eerst breideling van diezelfde vrijheid nodig is. In een variatie op de beroemde uitspraak van Jacques de Kadt zouden we kunnen spreken van een ‘paternalisme ter wille van het individualisme’. Opvoeding van kinderen en jongeren was niet voor niets een hot topic in deze verkiezingen. Juist in de opvoeding wordt duidelijk hoe kinderen eerst structuren moeten leren, gezag moeten leren respecteren, voordat ze dat gezag als ze ouder zijn kunnen bekritiseren en in twijfel trekken. De populaire opvoedprogramma’s op televisie (bijvoorbeeld ‘Schatjes’ van de EO) geven een beeld van hoezeer het denken over opvoeding sinds de anti-autoritaire ideeën van de jaren ’70 is veranderd. Respect voor de autoriteit van de ouder is weer belangrijk, al ligt daarbij niet de nadruk op straffen maar eerder op het belonen van gewenst gedrag (met aandacht) en het negeren van ongewenst gedrag.

Naast de ‘drie vaders’ is er nog een vierde winnaar uit de laatste verkiezingen gekomen: Geert Wilders. Was het verwonderlijk dat deze man met zijn partij alle ‘stevig rechtse’ stemmen vergaarde en wegstal bij zijn concurrenten op de rechtervleugel? Is Wilders dan ook een vaderfiguur, evenals de andere winnaars? En is hij dat zoveel meer dan een concurrent als Pastors? Wilders kanaliseert vooral onvrede en de angsten van een groep mensen die zich niet vertegenwoordigd voelen door de bestaande politiek. Deze mensen voelen zich buitenstaander en hebben geen vertrouwen in de nieuwe vaders. Wilders is in alle opzichten het type van de oudere broer, die grenzen overschrijdt, die altijd al meer durfde. Zowel in zijn partijprogramma met het onversneden anti-Islam standpunt, als in zijn uiterlijk (zijn ostentatief geblondeerde haren) en zijn zelfpresentatie (zeggen wat je denkt, populistische buitenstaandersretoriek). Gek genoeg verdedigt Wilders (net zoals zijn grote voorganger Fortuyn) niet alleen een conservatief restrictief beleid ten opzichte van immigratie, Islam en belastingen, maar eveneens de ‘waarden van de Nederlandse cultuur’, waaronder klassiek progressieve onderwerpen zoals de rechten van homo’s en vrouwen.

Moeten wij deze ontwikkeling als linkse individualisten nu positief of negatief duiden? Het ligt voor velen voor de hand om in negatieve bewoordingen te spreken over de verkiezingsuitslag. Nederlanders lijken angstig, op zoek naar zekerheid, teveel gericht op het eigen land, behoudend. Maar we moeten niet vergeten dat in Nederland al heel veel gerealiseerd is op links individualistisch gebied. Een sterke verzorgingsstaat, sociale zekerheid en tevens mogelijkheden voor allerlei deelgroepen om zich te emanciperen bestaan reeds, voor zover ze intussen niet weer afgebroken zijn. Natuurlijk, er kan nog veel verbeterd worden op die gebieden, maar vergeet ook niet dat veel verworvenheden door de gevolgen van de neoliberale globalisering bedreigd worden. Links moet daarom af van zijn obsessie om altijd maar ‘progressief’ te willen zijn. Het geloof dat alle veranderingen altijd maar goed zijn en bijdragen tot de onvermijdelijke ‘Vooruitgang’ moet ingewisseld worden voor een realistischer inschatting van de huidige situatie. Verworven rechten, verworven vrijheden en behoud van de sociale zekerheid zijn het waard om voor gevochten te worden. In dat opzicht kunnen de verkiezingen ook aanleiding zijn tot een ‘terugkeer naar links’, tegenover de de laatste tijd in hoger opgeleide kringen vaak bejubelde tegenstelling tussen conservatief en progressief. Links moet zich weer bezinnen op een vaderlijke rol.

Advertenties

De waarde van zekerheid

Twee weken geleden publiceerde de denktank Waterland, waar ik mede-oprichter van ben, een sociaal-kapitalistisch manifest. Dit document bevat een scherpe kritiek op de neoliberale mythes die tegenwoordig de ronde doen bij rechts en bij links. Het manifest bepleit een vernieuwing van het Europese kapitalistische model, maar niet naar Angelsaksisch voorbeeld. Juist de verworvenheden van dit model, met zijn CAO’s, ontslagbescherming en sociale zekerheid zijn het waard om verdedigd te worden.

Paul de Beer sprak over een linkse contrarevolutie. Hij was daarbij de criticasters enigszins voor, want die konden niet laten om af te geven op wat zij ‘conservatisme’ noemen. We konden toch zeker niet in de jaren ’70 blijven hangen. Maar de kritiek kwam niet alleen van neoliberale economen die heilig in de zegeningen van de vrije markt geloven. De kritiek kwam ook van een partij als GroenLinks. Deze partij heeft in zijn verkiezingsprogramma de vermindering van ontslagbescherming opgenomen. Zij wijzen op de tegenstelling tussen outsiders en insiders op de arbeidsmarkt. Mensen met een vaste baan tegenover jongeren, allochtonen en vrouwen voor wie het steeds moeilijker is aan een baan te geraken. Oplossing is volgens Groen Links om iedereen van zijn baanzekerheid te beroven. De partij staat een op het zogenaamde Deense model gelijkend systeem voor, waarbij mensen even gemakkelijk van baan wisselen als dat ze dat doen van supermarkt. Wel bestaat er een hoge, kortdurende WW-uitkering tegenover de verminderde baanzekerheid, gekoppeld aan de verplichting van de werkgever om te investeren in opleidingen. Ook wil de links-liberale partij mensen met allerlei beleidsmaatregelen prikkelen om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.

Natuurlijk, een dergelijke visie past een beetje bij het postmoderne gedachtegoed. Het zelfontplooiiende individu is de kern van de maatschappij en hij wordt bevrijd van de ketenen van gemeenschappen en instituties. In plaats daarvan beweegt hij zich vrij als een nomade (nog een postmodern cliche) van bedrijf naar bedrijf, van identiteit naar identiteit en als een ware geglobaliseerde kosmopolitiet van de ene naar de andere vestigingsplaats. Zo ontmoeten postmodernisten en liberalen elkaar en dit past prima in het multiculturele, emancipatoire ideaal van een partij als GroenLinks.

Waarom komt een sociaal-individualistische denktank als Waterland dan met een verdediging van die bestaande ‘starre’ instituties? Nu moet ik eerlijk bekennen dat binnen Waterland ook enige onenigheid is over het onderwerp. Er zijn er die sterk geloven in de links-liberale visie van Groen Links. Naar mijn idee echter, is het individu helemaal niet zo gebaat bij een maatschappij waarbij hij voortdurend van baan naar baan springt. Belangrijk is juist dat de enkeling de tijd krijgt om te groeien. En om rustig te groeien, dat wil zeggen zonder angst, zijn stabiele instituties nodig. Structuren die zekerheid bieden. Juist binnen organisaties en binnen gemeenschappen kan een mens zich ontwikkelen. Zo’n ontwikkeling hoeft echter niet noodgedwongen tot conformisme te leiden. Ook de nonconformist groeit het beste binnen een stabiele gemeenschap, al was het alleen maar om zich daartegen af te zetten, om kritiek te leveren en de anderen wakker te schudden. Niet gedeelde waarden en conformisme houden gemeenschappen vitaal, maar conflicten en verschillen.

In een samenleving waarin iedereen als een nomade van baan naar baan trekt, is er geen tijd meer om kritiek te hebben, te groeien en je te ontwikkelen. Als de organisatie je niet bevalt, dan ga je toch gewoon ergens anders naartoe? Als je nog niet lekker zit in je functie, dan ga je toch gauw weg naar een functie die wel meteen past? De opleidingsplicht van GroenLinks is een magere genoegdoening voor de groei in een organisatie, die zoveel meer omhelst dan kennis en vaardigheden, die een individu in hun model vaak zal moeten missen. Het miskent het belang van het opdoen van langdurige ervaring en het onderhouden van een stabiel netwerk binnen het bedrijf. 

Het individualisme van GroenLinks is onmiddellijk, het is de filosofie van het ‘meteen’, van het altijd actuele. GroenLinks wil het individu, outsider en insider nu vrijmaken. Maar vrijheid is altijd indirect, in vrijheid moet je groeien, voor vrijheid is tijd en rust en structuur nodig. En instituties die angst wegnemen en die zekerheid geven, helpen daarbij. Dat is de merkwaardige tegenstelling die veel links-liberale denkers ontkennen, dat je juist structuren, richting nodig hebt, dingen die je vrijheid aanvankelijk lijken te beperken, om op den duur vrijer te worden. Daar is tijd voor nodig. Individuele vrijheid kan namelijk alleen maar beleefd worden vanuit een geschiedenis. Mensen moeten daarom de mogelijkheden krijgen om rustig te groeien.

Vandaar dus dat ik mij wel geheel achter het sociaal-kapitalistisch manifest schaar. En vandaar ook dat ik, ondanks mijn sympathie voor deze partij, deze verkiezingen geen Groen Links ga stemmen. Omdat de PvdA voor mijn gevoel te sterk een partij is geworden van draaikonten, ga ik dit jaar voor het eerst SP stemmen. Een partij die zich bij monde van economisch woordvoerder Irrgang volledig achter het manifest schaarde.

Het is dus heel erg goed mogelijk, een linkse individualist die toch SP stemt.

geselecteerd als gefixeerd bericht

Nemo logt over van alles en nog wat: over boeken en gedichten, filosofie en politiek, over persoonlijke belevenissen en abstracte beschouwingen.