De canon

De discussie over de nieuwe canon van de Nederlandse geschiedenis woedt nog steeds in de dagbladen. In het NRC van dit weekend stond een lang stuk van Hans Goedkoop. Hij behandelt de diverse houdingen die ten opzichte van het vak geschiedenis hebben bestaan in de afgelopen 25 jaar. Werd in de jaren ’80 de beoefening van de historische wetenschap als volstrekt nutteloos gezien, gedurende de jaren ’90 werd de geschiedenis vooral gebruikt om de identiteit van allerlei minderheidsgroepen, van allochtonen tot vrouwen, te versterken.

Het nadeel van die benadering is volgens Goedkoop dat de geschiedenis geen samenbrengende werking meer heeft. Zij valt uiteen in deelverhalen, waarbij elke sociale groep zich een eigen gedeelte toeeigent. Sinds de opkomst van Fortuyn is ook die benadering van de baan. Nu wil men weer een geschiedenis die juist boven al die groepen uitstijgt, die de Nederlanders een gemeenschappelijke identiteit geeft, in plaats van te vervallen in gefragmenteerde deelidentiteiten. Hiertoe werd een commissie in leven geroepen van vakhistorici die de canon hebben samengesteld.

Goedkoop is enthousiast over deze canon, omdat deze als eerste doel het verwerven van kennis heeft. In zijn ogen is dit veel belangrijker dan de meer emotionele functie die een canon heeft in het geven van een identiteit aan bepaalde groepen of aan de Nederlanders als geheel. Niet de emotie staat bij hem centraal, maar de intrinsieke waarde van de kennisverwerving. Hij vraagt zich echter wel af of daar in deze tijd nog plaats voor is, voor een houding ten opzichte van het verleden die niet gestuurd is door een sterk instrumentalisme vanuit de tegenwoordige tijd.

Laat dit nu juist het punt zijn waar ik met Goedkoop divergeer. Ik mis bij het verhaal van Goedkoop over het nut van kennis de beschouwing dat deze kennis –zeker bij geschiedenis- niet een vaststaand objectief feit is, maar altijd het resultaat van bemiddeling van de groepen die onderzoek doen, selecteren en waarderen. Een canon is altijd het resultaat van een ingewikkeld proces, beïnvloed door factoren als de stand van het onderzoek, de preoccupaties van het moment (waar wordt onderzoek naar gedaan, waar krijg je subsidie voor) en niet in het minst de sociale staat van de groepen en individuen die uiteindelijk de canon hebben samengesteld. Die canon is dus nooit alleen een vorm van kennis-an-sich, maar altijd het product van een elite, beperkt door de context van de eigen periode en sociale afkomst.

De vraag is dan of dat erg is. Alle producten van een cultuur, of het nu om kunst gaat, om architectuur, om wetenschap of staatsinrichting, worden altijd gemaakt door elites. Geschiedenis hoort daar ook bij. Elke tijd en elke sociale groep in een bepaalde periode kent zijn eigen verbeelding van het verleden. Tijdens de Verzuiling vertelde elke zuil, geregeerd door zijn eigen elite, zijn eigen versie van de ‘vaderlandse’ geschiedenis. Die geschiedenissen overlapten sterk, maar werden op verschillende wijzen geïnterpreteerd. En kunstenaars kleurden dat verleden op een bepaalde manier in zodat het verleden tot leven kwam in de verbeelding en fantasie van vele schoolkinderen, denk maar aan de schoolplaten van J.H. Isings. Een onderwerp dat in mijn ogen vaak onderschat wordt, dat geschiedenis naast kennis ook vooral verbeelding is, kunst is en dat de verbindende werking ook een esthetische waarde heeft, zoals een gezamenlijke taal niet alleen ‘nuttig’ is voor communicatie of een nationaal gevoel, maar ook een eigen schoonheid bezit.

Is dat dan wel democratisch zo’n canon? Er is de laatste weken veel gemopperd. Bepaalde groepen zagen zich niet vertegenwoordigd, of men miste de ‘lagere’ cultuur. Als je ervan uitgaat dat de canon nationaal moet zijn en dat het alle daarbinnen levende groepen moet verbinden, dan is die discussie inderdaad gerechtvaardigd. De canon wordt dan een soort Tweede Kamer, waarin allerlei groepen vertegenwoordigd moeten zijn, zelfs de Gonnie van Oudenallens van deze wereld. Wat dit soort gezamenlijke acties betreft ben ik echter fel tegen democratie. Net zoals kunst moet de canon in mijn ogen eenzijdig opgelegd worden door een elite. Natuurlijk, deze elite zal door de tijd van samenstelling veranderen, zoals in elke gezonde maatschappij elites voortdurend van plek wisselen. Over 10 jaar krijgen we dan wellicht weer een andere canon. Het verleden is namelijk niet statisch, zoals we vaak plegen te denken, maar beweegt dynamisch mee met het heden. Mijn punt is dat je sommige dingen niet uit den treure moet bespreken, want dan levert een prachtige canon slechts lelijkheid, oppervlakkigheid en middelmatigheid op in de wens om iedereen betrokken te houden in het eindresultaat.

Vorige week besprak Ronald Plasterk de historische canon in het programma Buitenhof. Zijn frustratie was dat de canon uitsluitend opgelegd werd door historici, alfa’s dus. De bèta’s moesten ook vertegenwoordigd zijn, want die waren immers verantwoordelijk voor zo ongeveer alles in de moderne samenleving. Los van het feit dat dit een nogal eenzijdige interpretatie van de geschiedenis is, sprak vooral één voorbeeld voor mij boekdelen. Plasterk kwam aan met een grafiek (jawel, een grafiek!) waarin stond afgebeeld hoeveel langer de mensen de laatste honderd jaar gemiddeld zijn gaan leven door de verbeterde omstandigheden met betrekking tot hygiëne en gezondheidszorg. Ik moest even nadenken wat voor mooie plaat Isings daarvan zou maken, van deze grafiek. Laten we in vredesnaam dit soort kurkdroge bèta’s weren uit de canon-commissie en een geschiedenis leren die bestaat uit mooie of nare verhalen, die we kunnen navertellen, natekenen, opvoeren, bekijken. Die tot onze verbeelding spreken en ons inspireren. En laten we eindelijk eens ophouden met die krampachtige drang om alle groepen vertegenwoordigd te hebben.

Liefde’s waarheid (3)

Tenslotte wil ik nog wat uitweiden over de liefde als simulacre. We hebben het dan over een valse liefde, een inbeelding die we aanzien voor waarheid, maar die dat niet is. Ook hierbij is het weer nuttig om Badiou te raadplegen. In zijn boek De ethiek heeft Badiou het over een simulacre binnen het waarheidsdomein van het politieke.

Het gaat dan specifiek om de ‘revolutie’ van de nationaalsocialisten in Duitsland in 1933. Deze had heel veel kenmerken van het een ‘echte’ revolutie, zoals de breuk met de bestaande orde, massa-bijeenkomsten, dictatoriale regeerstijl, de verheerlijking van de arbeider enz. Maar deze ‘revolutie’ verschilt volgens Badiou van andere, echte revoluties (1792, 1917) doordat het evenement geen universele pretenties had, maar slechts extreem particularistisch was. Het ging om het Duitse Volk, de Ariers en niet om de mens als universeel wezen. Door die nadruk op het particuliere van de bestaande situatie (i.p.v. een evenement dat altijd een ‘teveel’ is binnen de huidige situatie en deze daardoor drastisch verandert) bleef de nationaalsocialistische revolutie een gevaarlijk simulacre. Een simulacre dat veel intellectuelen, zoals Heidegger, tot steun verleid heeft.

Terug naar het domein van de liefde. Als we de vergelijking doortrekken, hoe definieren we dan een simulacre binnen de liefde? Kun je binnen de liefde ook praten over een situatie waarin niet het universele van het evenement, de ontmoeting, maar het particuliere van de bestaande toestand zich als simulacre voordoet? Wel degelijk: het is de gebeurtenis waarbij iemand niet geheel open staat voor de singulariteit van de nieuwe liefde, maar op basis van een vooraf bepaald verwachtingspatroon de liefde aangaat. De bedoeling is dan niet om tot een waarheidsproces te komen, waarbij beide partners gelijkwaardig nieuwe inzichten opdoen, maar om een situatie uit het verleden weer terug te doen keren. In zo’n situatie is er altijd sprake van behoud en vaak ook angst. Men wil het bestaande niet los laten terwijl juist liefde, net als een revolutie, zowel volledig destructief als constructief is. Echte liefde zorgt dat je alles in je leven totaal opnieuw gaat beschouwen.

Dit houdt ook in dat de moderne ideologie over liefde, waarin deze als ondergeschikt beschouwd wordt, als het ware simulacra stimuleert. Het aantal scheidingen ligt niet voor niets zo hoog. Van mensen wordt geeist in de eerste plaats onafhankelijk, geemancipeerd en maatschappelijk geslaagd te zijn. De liefde doe je er dan maar even bij. Bij een dermate doorgeschoten individualisme wordt de waarheidsscheppende kracht van de liefde volstrekt genegeerd. Voor de ware liefde moet je je open stellen en alles opnieuw durven wegen.

Tenslotte: was de liefde van Spacey in American Beauty voor het cheerleader meisje nu echt of niet? Hoewel deze liefde maakt dat de hoofdpersoon zijn hele leven onder het vergrootglas wil leggen en wil veranderen, is de liefde denk ik niet echt. Spacey valt op een zeer geidealiseerde versie van het highschool-meisje. Zou de liefde leiden tot een gelijkwaardige relatie waarbij beide in een waarheidsproces terecht komen? Ik geloof het niet, hoewel het wel eventjes, heel even aan het einde van de film, zo lijkt. Maar dat is dan ook typerend voor een simulacre. Het lijkt net echt, maar is het niet.

Liefde’s waarheid (2)

Liefde als waarheid. Wanneer is liefde waarheid? Antwoord: als de liefde haar eigen coördinaten wijzigt. Liefhebben vóór en na de gebeurtenis, de ontmoeting, is niet meer hetzelfde en zal nooit meer hetzelfde zijn. Echte liefde is daarom altijd uniek en eenmalig (Badiou gebruikt de term singulier) en kan niet vergeleken worden met een andere liefde. Juist omdat liefde zichzelf revolutioneert, de poten onder haar eigen stoel wegzaagt en er vervolgens eigenhandig nieuwe poten onder timmert. Na het evenement is de wereld definitief veranderd en is het onmogelijk geworden om weer in de patronen te vervallen van de liefde, of datgene wat daar op leek (een onecht evenement, oftewel simulacre) daarvoor.

Dit wordt duidelijker als je de liefde vergelijkt met andere waarheidsdomeinen. Ik heb eerder verteld dat Badiou er vier erkent, naast de liefde zijn dat wetenschap, kunst en politiek. In de wetenschap kan bijvoorbeeld een uitvinding (de telefoon, het vliegtuig) of een nieuw inzicht (de evolutietheorie) zowel de wereld fysiek ingrijpend veranderen als dat het een diepgaande (en soms ontwortelende) invloed heeft op ons denken. Na een dergelijke uitvinding kunnen we de wereld niet meer zien zoals daarvoor. Zelfs als we zouden willen kunnen we niet meer terug. De wereld van vóór de evolutietheorie staat zo ver van ons af: die is definitief voorbij. Zo kan een ontdekking een ‘teveel’ zijn binnen een gegeven situatie, die de coördinaten van die situatie, in dit geval het wetenschappelijk inzicht, ingrijpend verandert. Vervolgens start een nieuw waarheidsproces.

Hetzelfde geldt voor de kunst. Echt grote, waarachtige kunst schopt ook werelden omver. Zo maakte de poëzie van de Tachtigers hier in Nederland een radicale breuk met het verleden van domineesdichters daarvoor. Het extreem individualistische van de poëzie van Kloos, van Gorter en van de vroege Verwey revolutioneerde de manier waarop Nederlanders omgingen met de dichtkunst, maar ook hoe ze voelden, hoe ze de wereld om hen heen beleefden. Het ‘gevoel’ van het fin de siècle was voor een belangrijk deel het resultaat van de waarheid van de poëzie van de Tachtigers en het proces wat de decennia daarna ontstond, waarin het nieuwe domein telkens weer werd onderzocht, had te maken met trouw, trouw aan het evenement.

Tenslotte de politiek. De Franse Revolutie was in alle opzichten een gebeurtenis die maakte dat Europa nooit meer hetzelfde zou zijn. Plotseling werd het duidelijk dat het mogelijk was dat een volksmassa, op basis van rationele principes, het ‘van God gegeven’ gezag kon omverwerpen en een eigen regering kon instellen. De schokgolf die dit door heel Europa heen deed spoelen was enorm en de hele negentiende eeuw, met al zijn revoluties, werd beheerst door trouw aan deze belangrijke gebeurtenis, die maar bleef naresoneren. De conservatieven die na Napoleon het Ancien Regime weer opnieuw aan de macht wilden brengen liepen hier ook tegen aan. Een waarheidsprocedure schudt de hele wereld op en het is onmogelijk om terug te keren naar een situatie daarvoor.

Als we dan terugkeren bij de liefde, dan wordt duidelijk hoe de ‘ware’ liefde van een simulacre te onderscheiden is. Door het simpele feit dat deze liefde een absolute discontinuïteit teweeg brengt tussen de periode vóór en na het liefdesevenement. Elke zogenaamde liefde die deze macht niet heeft, die niet daadwerkelijk verandert, is een simulacre. Op dit merkwaardige verschijnsel zal ik in een volgend bericht dieper ingaan.

Voorgevoelens

De discussie over liefde en waarheid zal ik later nog vervolgen. Aan de reis naar Venezuela, waar ik in ‘Veni, vidi, fugi (??)’ over geschreven heb, bleek nog een staartje te zitten. Gisteren ontving ik een mail van een reisgenote van de groep waarmee ik had gereisd, de groep die dus gewoon zonder mij is doorgegaan. Wat bleek nu: na anderhalve week vakantie is hun busje op de weg ingehaald en zijn ze bedreigd en beschoten met pistolen. Vervolgens is de chauffeur achter in de bus geschopt en zijn ze onder bedreiging van de wapens en met gebruik van geweld van al hun waardevolle spullen ontdaan. Het busje is naar een afgelegen plek gereden waar ze ieder individueel meermalen met de dood bedreigd zijn, voordat de criminelen door hun maatjes zijn opgehaald. Alles bij elkaar een heel erg naar verhaal. Het soort verhalen waar mensen levenslange trauma’s aan overhouden en dat was te merken aan de mail van mijn reisgenote.

De reisgenote liet (schertsend) iets vallen over mijn eventuele ‘helderziendheid’: had ik een voorgevoel gehad? Het is inderdaad frappant dat ik juist bij deze reis rechtsomkeert maakte, dat ik die beslissing nam uit een diep gevoel van zekerheid en overtuigdheid, ondanks het feit dat het hier om een hele dure reis ging. Het was een irrationeel gevoel dat ik had… teruglezend zie ik dat ik mijn berichtje twee keer het woord ‘vijandig’ gebruikte. Dat was inderdaad de meest duidelijke omschrijving van wat ik voelde: een intens vijandige omgeving.

Zelf ben ik absoluut niet zweverig aangelegd. Sterker nog, in mijn ogen is elke vorm van spiritualisme een concessie aan de bestaande machtsverhoudingen, is het iets dat mensen beperkt, opium van het volk. Terugdenkend zijn er natuurlijk veel verklaringen aan te voeren waarom ik ben teruggegaan, ik heb ze allemaal genoemd in mijn vorige berichtje. En in hoeverre zou een meer etherische verklaring niet gewoon het resultaat zijn van mijn eigen cognitieve dissonantie, een gevoel van ‘zie je wel, ik heb toch de juiste beslissing gemaakt!’. Achteraf zijn dat soort dingen eigenlijk niet vast te stellen. Wat ik wel kan zeggen is dat ik ongelooflijk veel geluk heb gehad.

Wat me duidelijk is geworden – ik weet niet of dat zweverig is – is dat ik goed moet luisteren naar mijn eigen gevoel, mijn eigen intuitie. Het onbewuste gedeelte van de hersenen pikt soms dingen op, die het meer dagelijkse, bewuste gedeelte niet direct kan verklaren of bevatten. Het is dus af en toe goed om gewoon dingen te doen omdat ze goed voelen, ook al lijken ze irrationeel en zegt iedereen om me heen dat ik geen verstandige beslissing maak. Dat besef geeft ook een bepaald soort zekerheid.

…bah, wat klinkt dat antroposofisch 😉

Liefde’s waarheid

Is de liefde een openbarende kracht, die je een nieuwe kijk op je leven geeft, of is zij slechts een narcistische illusie? In de film American Beauty is het de kracht van de liefde die de hoofdpersoon (gespeeld door Kevin Spacey) ontrukt aan zijn vastgesleten en ingeslapen bestaan. Dankzij zijn verliefdheid leert Spacey weer hoe het is om echt te leven, ziet hij de waarheid achter zijn naargeestige bestaan en wordt hij zich bewust van de mogelijkheden om verandering aan te brengen in de omstandigheden. Aan de andere kant: het object van zijn liefde is wel het schoolvriendinnetje van zijn dochter. Dit vriendinnetje idealiseert hij in ingenieus gefilmde scenes, maar blijft natuurlijk een schoolmeisje waar hij een zeker ‘teveel’ aan toedicht. Uiteindelijk blijkt ze niet half zo sensueel en boeiend als hij zichzelf had gefantaseerd.

In de bundel Het uur van de waarheid schrijft Dominiek Hoens over de liefdesfilosofie van de Franse denker Alain Badiou. Badiou noemt drie bepalingen van liefde, die hij allemaal uiteindelijk afwijst.

De eerste is de ‘Platoonse’ versie, bekend van Symposium en Phaedrus, waarin de mens wordt voorgesteld als oorspronkelijk heel maar gescheiden in twee helften, die altijd naar de hernieuwde eenwording blijven verlangen. Een dergelijk idee is ook te vinden bij sommige psychoanalytische inzichten, waarbij de liefde wordt gezien als het terugvinden van de verloren gegane moederbinding. Badiou wijst deze gedachte af, vooral de gedachte van eenheid staat hem tegen. Door het verlangen naar eenheid ontken je de ‘tweeheid’ van het liefdespaar, die nooit opgeheven kan worden.

Dan behandelt Badiou de idee dat liefde gelijk staat aan het accepteren van ‘de ander als ander’. De redenering hierachter is dat je niet houdt van de ander zoals van jezelf, maar je houdt juist van de ander in de manier waarop die van je verschilt. Volgens Badiou cijfert men zichzelf in deze opvatting echter weg ten voordele van de ander.

Ten derde is er dan de opvatting dat liefde niets anders is dan het resultaat van dieperliggende driften, evolutionair-gedetermineerde krachten met een vooropgezet doel (de voortplanting). Dit soort ideeen kennen we allemaal van populaire documentaires en de evolutionaire psychologie.

Iets dergelijks, maar in een complexere vorm is ook terug te vinden bij de psychoanalyticus Jacques Lacan. Volgens de laatste is het subject, het ‘ik’ van de mens uiteindelijk een subject van verlangen. Er is een diepliggend, onverzadigbaar verlangen, dat uiteindelijk geen object heeft. ‘Leven’ komt dan neer op het telkens weer opnieuw ‘uitvinden’ van dit object. Het verlangen wordt vervolgens in onze fantasie ‘opgevoerd’, als een toneelstuk. Daarbij wordt echter -volgens Lacan- de realiteit ontkend, namelijk de waarheid dat het verlangen dat als liefde wordt ervaren uiteindelijk niets meer is dan een vorm van eigenliefde: je houdt van je eigen uitgevonden object. De verlangens van twee verliefde mensen hebben dus op zich niets met elkaar te maken. Om deze realiteit toe te dekken en niet te hoeven zien is er behoefte aan een illusie: dat is de liefde. Liefde komt dan neer op ‘geven wat je niet hebt’ (namelijk het fantasmatische object van verlangen van de ander) en zo komt Lacan ook op zijn beroemde uitspraak: ‘Er is geen seksuele relatie’. Dit beeld past natuurlijk prima bij de eerder geschetste situatie uit American Beauty, waarbij Kevin Spacey het schoolmeisje in zijn fantasie voorziet van een fantasie die niets met haar te maken heeft en meer zegt over zijn eigen structurele tekort.

Badiou gaat gedeeltelijk met Lacan mee maar zijn notie is optimistischer. Hij definieert liefde niet als een illusie die een structureel tekort ‘goedmaakt’, maar juist als een ‘teveel’, een ‘surplus’. Liefde confronteert een individu in een bepaalde situatie met de tekorten van die situatie, waar die zich voor het moment dat de liefde begon, niet van bewust was. Liefde ontstaat dus vanuit het niets (in de terminologie van Badiou: een evenement) en geeft het liefdessubject nieuwe inzichten in de situatie. De seksuele verhouding is dus geen fantasie: door de liefde wordt men zich juist bewust van het radicale verschil tussen zichzelf en de ander en gestimuleerd om dit verschil te onderzoeken. ‘Liefde’ is daarom geen vorm van probleemoplossing, omdat er voordat de liefde ‘toesloeg’ nog geen ‘probleem’ was, of ervaren werd. Die wordt pas na het evenement (de ontmoeting) duidelijk, waarbij alles in een ander licht komt te staan.

Liefde is daarom volgens Badiou een ‘waarheidsprocedure’, een proces waardoor men in staat is waarheid te vinden. De verliefdheid stimuleert Kevin Spacey om zijn hele bestaande leven onder het vergrootglas te leggen en ook daadwerkelijk te veranderen (hoe knullig dat ook gaat). In de filosofie van de Franse denker zijn er vier waarheidsdomeinen waarin zich zo’n proces kan voltrekken. De liefde, zoals besproken, maar ook de politiek (in de revolutie), in de kunst en in de wetenschap. Telkens gaat het erom dat er zich een evenement voltrekt dat iets extra’s toevoegt aan de situatie, iets dat er van tevoren niet was, zodat de gehele situatie op een andere manier wordt beleefd, ervaren. Het is dan ook belangrijk voor Badiou om trouw te blijven aan het evenement en het waarheidsproces dat daaruit voort is gekomen.

Vanuit het voorbeeld van American Beauty valt er dus wel wat te zeggen voor zowel de overtuiging van Lacan als die van Badiou. Is de liefde van Spacey nu echt en brengt het hem tot het onderzoek van een diepere waarheid, of gaat het hier eerder om een nogal pathetische zinsbegoocheling, ingegeven door een structureel tekort? Is het mogelijk om erachter te komen of een liefde ‘waarachtig’ is? Of zou je kunnen zeggen dat elke liefde altijd al een vermenging van ‘ware’ en ‘onware’ elementen bevat, die onbeslisbaar zijn en derhalve enig uitzicht op een waarheidsproces ontnemen? Of is elke liefde uiteindelijk gedoemt om vals te zijn en blijven we ronddwalen in solipsistische liefde voor onze zelfgeschapen objecten?

Het denkschema van Badiou en de vergelijking met andere waarheidsdomeinen zijn in mijn ogen uiterst vruchtbaar om de verhouding tussen ‘echte’ liefde en ‘valse’ liefde, of illusie te onderzoeken. Ik wil mijn komende logs dieper ingaan op deze problematiek, om uiteindelijk met een voorlopige stelling over dit probleem te komen. Waarbij ik natuurlijk tracht af te rekenen met de problematiek van American Beauty!