Albert Verwey

Over Albert Verwey schreef ik mijn scriptie. De zo goed als vergeten dichter had bij mij genoeg interesse gewekt om een kijkje te nemen in de plaats waar hij van 1890 tot zijn dood in 1937 gewoond heeft: Noordwijk aan Zee.

Aangekomen in het plaatsje was de kust het eerste wat me trok. Bij Noordwijk is het strand nog vrij ongerept, het ziet er nog net zo uit als dat het er 100 jaar geleden uit moet hebben gezien. Het was koud weer en het motte. Precies het weer zoals Verwey dat ooit beschreef toen hij per boot terugkwam uit New York en de Hollandse kust naderde:

‘ik deed mijn jas open en ademde met volle longen de vochtigheid die mij toewaaide van de kust die ik nog niet kon zien. Dat was de liefde tot mijn vaderland, die in mijn kosmopolitische hart sluimerde en wakker werd: het gevoel van bij elkaar te hooren, ik en deze aardestreek, het gevoel van één te zijn, onverwoestbaar één, door onherroepelijke wording en onvergankelijke gemeenschap, met dit ééne kleine deel van het heelal.’ (Albert Verwey, Luide toernooien (Amsterdam 1903) 7,8).

Nu moet ik eerlijk zijn dat ik mijn jas niet opende maar dichtknoopte en dat ik na een niet al te lange wandeling langs de mistige kust gauw rechtsomkeerd maakte, drijfnat geworden. Verweys bijna mystieke nationale gevoel kon ik mij echter inbeelden: er is iets overweldigends en tegelijk zeer bekends aan die grijze Noordzee.

Het huis van Verwey, dat huis waar hijn al die honderden gedichten, al dat proza schreef, dat huis waar hij zijn eigen persoonlijke literatuurfilosofie ontwikkelde, heette Villa Nova. Inmiddels heeft de gemeente Noordwijk het nodig geacht dit huis af te breken om daar spuuglelijke bungalows neer te zetten. Het enige dat nog rest is een buste van Verwey. Gemaakt toen hij bijna zeventig was, een oude kop met angstaanjagende borstelige wenkbrauwen. De Prins Hendrikweg, waar Villa Nova aan stond, is nu een van die vele, ontstellend saaie weggetjes waar Nederland toch al mee bezaaid is. Was de dichter van de Idee nog aanwezig in die treurigheid? Het leek alsof ik hem even voelde daar, vluchtig, alsof hij van achter een boom de vergankelijkheid van zijn eigen filosofie van eeuwigheid beweende.

Zee bij Noordwijk

Beeld van Albert Verwey

Prins Hendrikweg, Noordwijk

Veni, vidi, fugi…(??)

P1000167_3

Eindelijk was het moment dan gekomen waar ik zo lang op had gewacht. Ik had het me allemaal zo duidelijk voorgesteld. Ik zou de vakantieperiode doorwerken, mijn scriptie inleveren en vervolgens zou ik op reis gaan… het liefst ver en heftig. Samen hadden we besloten een paar hotels in Brazilie te bezoeken en ik had me daarop verheugd. Totdat er plotseling geen ‘samen’ meer was..

Ik liet me natuurlijk niet kennen… In mijn eentje kon ik namelijk nog veel heftiger en intenser op reis. Drie weken op groepsreis naar Venezuela… natuur, Indianen, Hugo Chavez… Wat een avonturen zou ik beleven! Hoe louterend!

En intussen ploeterde ik door terwijl ik het werk met lood in mijn schoenen moest verrichten. Ik stortte mezelf in een intens sociaal leven… Je moet toch wat met die lege avonden en weekenden? De trein denderde door. Eindstation: Venezuela. En na Venezuela zou mijn leven veranderen, zou ik eindelijk toekomen aan al die dingen die ik echt wil. Me volledig ontplooiien. Een belofte die ik mijzelf lang geleden heb gedaan: als je die studie afmaakt, kun je doen wat je wilt. Maar eerst naar Venezuela.

Venezuela, Venezuela, Venezuela, drie hele weken lang rondtrekken. Wat ging ik allemaal zien, beleven?

Dan kom je aan met zo’n groep op het vliegveld van Caracas. Je gaat een busje in en rijdt rond en denkt: ‘aha, zo was het alweer: de derde wereld’. Een bepaald gevoel… slechte voorzieningen, een overweldigend gevoel van ‘andersheid’, een zweem van dreiging, criminaliteit. Het pension was krakkemikkig. Er was nauwelijks iemand die Engels sprak en ik, ik spreek geen Spaans.

Onze gids gelukkig wel. En die vertelde ons nog veel meer. Dat dit een van de zwaarste reizen van zijn reisorganisatie was, wat inspanning betreft. Over de slechte faciliteiten, veel afgelegen plaatsen, geen internet of mobiele telefoonbedekking. En gedurende de periode dat hij zijn verhaal hield, kwam steeds sterker bij mij het gevoel naar boven of ik dit eigenlijk wel wil. 7 uur lang met een groep in een bus zitten, in een compleet vreemde omgeving die zo nu en dan vijandig voelde. Afhankelijk zijn, want hoe verder ik reisde, hoe moeilijker het nog zou zijn voor me om de reis af te breken en naar huis terug te vliegen.

Dus die eerste nacht zweette ik in bed: alles leek vijandig en griezelig en ik voelde aan heel mijn lichaam dat ik dit niet wilde… Die hele reis was veel te gemakkelijk geboekt, ik was te snel over mijn eigen emotionele toestand heengestapt die toch niet zo stabiel was als ik mezelf had voorgehouden. En ik hou eigenlijk helemaal niet van survival-achtige reizen. Ik nam mijn besluit.

De volgende dag vertelde ik mijn reisleider en een aantal groepsgenoten dat ik meteen terug wilde vliegen. Ze hebben het allemaal geprobeerd uit mijn hoofd te praten. Zonder succes, ik was vastbesloten en weet nu nog dat het het juiste besluit was. Ik ben nog een dag alleen bij de posada blijven hangen, heb zelfs nog even kort een bewaakt privé strand bezocht (en me daar lelijk verbrand). Die middag kon ik meteen weer op hetzelfde vliegtuig terug. Gisteren kwam ik weer in Nederland aan.

Voor een bewijs voor mijn verzekering ging ik vanmorgen nog even naar de dokter. Die was niet verbaasd over mijn ervaringen. Het kwam vaker voor dat mensen juist op vakantie met allemaal stress uit hun leven worden geconfronteerd. Wanneer ze dan toch stug doorgaan, eindigt dat meestal in een psychose.

Mogelijkheid van een eiland (2)

Houellebecq houdt van de rede, van het verstand, van apparaten, techniek, machines. Tegelijk neemt het irrationele, in de zin van seksualiteit en ook liefde een belangrijke plaats in in zijn boeken. Maar hij waardeert deze vooral negatief. Net als vele heiligen en kerkvaders, die gezeten op hun zoutpilaar ongetwijfeld grote gevechten hebben gevoerd met hun eigen dierlijke inborst, is hij geobsedeerd door seks: voor hem een allesbepalende structuur die de kern van het leed van de mensheid uitmaakt. Alle subtiliteiten in de wereld van erotiek en intermenselijke aantrekking, tot zelfs grootschalige sublimaties van het libido worden door hem genegeerd. Goed, het is onderdeel van zijn stijl om alles tot in het extreme uit te vergroten. Maar dat is geen excuus voor de boodschap die zijn boeken wel degelijk hebben.

Het is ergens aan het einde van ‘Mogelijkheid van een eiland’ dat de verre, genetisch gemanipuleerde en daardoor zeer rationeel geworden nakomeling van de hoofdpersoon Daniel, Daniel25, de strijd aanbindt met Plato. Mikpunt van de kritiek is Symposium, de beroemde beschrijving van een Grieks drinkgelag, waarbij de liefde ter sprake komt. Daarin vertelt de Griekse tragedieschrijver Aristofanes, dat de liefde is ontstaan doordat de mens ooit twee mensen was, die van elkaar gescheiden zijn. Liefde is het verlangen naar een oorspronkelijke heelheid. Daniel25 merkt hierover op:

‘Dit was het boek dat eerst de westerse mensheid en vervolgens de gehele mensheid had vergiftigd, dat de mens zijn weerzin had ingeblazen tegen zijn lot van met rede begaafd dier, dat hem een droom had ingegeven waarvan hij zich twee millennia had proberen te ontdoen, zonder daar ooit volledig in te slagen.’

Liever dan het verlangen, de hoop, staat Houellebecq uiteindelijk een soort van rustige, rationele aanvaarding van het leven voor. Denkbeelden zoals je die terugvindt in de Boeddhistische filosofie of in de schrijfsels van Schopenhauer. Deze aanvaarding houdt zelfs in, als je de laatste bladzijden goed leest, dat hewt verloste subject niet meer naar het leven zelf verlangt. Daniel25 interesseert het uiteindelijk niet meer of hij nog leeft of sterft. Dat is de mogelijkheid van een eiland die Houellebecq ons voorspiegelt.

Of Plato’s gedachten over de liefde gezond zijn laat ik open voor een andere discussie. Blijft voor mij dat leven, echt leven, verlangen is. Dat verlangen is zowel ondraaglijk als dat het noodzakelijk is. Het verlangen verlost telkens weer, zonder ooit een definitieve Verlossing te bieden. Maar alleen door dat nooit helemaal bevredigende gevoel woelt de maatschappij, ontstaat kunst, schoonheid, geluk, passie. Geen technische oplossing, geen systeem of religie kan geluk afdwingen, want elke machine onderdrukt uiteindelijk, of het nu de genetische manipulatie van Houellebecq is, of de meditatietechnieken van de Boeddhist. De pijn die neveneffect is van al dat onstuimige verlangen moeten we daarbij als een soort van theodicee accepteren, er is geen ‘oplossing’ voor.

Wat wel belangrijk blijft, is het bestrijden van ontwikkelingen zoals Houellebecq die beschrijft. Technieken die de werkelijke vrijheid van de mens, namelijk de vrijheid om te verlangen, beperken. Ook als deze zich op religieuze, scientistische of economistische argumenten beroepen.

Mogelijkheid van een eiland

Het voelde gisteren als een opluchting, toen ik Michel Houellebecqs laatste boek ‘Mogelijkheid van een eiland’ eindelijk naast me neer kon leggen. De naargeestige en desolate denkwereld van de schrijver begon me steeds meer tegen te staan en zelfs te vervelen. Toen ik jaren geleden ‘Elementaire deeltjes’ las vond ik dat een confronterend boek. ‘Mogelijkheid’ gaf me echter een heel ander inzicht in het denken van Houellebecq… zelfs als je de groteske en overdreven stijl van de Franse schrijver negeert valt op hoezeer de man een simpele filosofie voortdurend weer opnieuw probeert over te brengen.

Deze filosofie, de idee dat de (moderne) samenleving een seksuele markt is geworden die uiteindelijk alleen verliezers kent (we worden immers allen oud en lelijk) is natuurlijk een vrij voor de hand liggende, enigszins puberale constatering, die ook niets anders doet dan bevestigen wat we allemaal altijd al dachten en niet wilden toegeven. Maar juist die zucht van herkenning, die de lezer slaakt wanneer hij Houellebecq leest en de huiver die diezelfde lezer voelt bij de in het extreme doorgedachte boeken van de schrijver, zijn in mijn ogen een dwaalweg. Want ondanks zijn kritiek op de moderne samenleving schetst Houellebecq geen uitweg, geen radicale verandering die het doorgedraaide individualisme doet opheffen. Leek hij dat in ‘Elementaire deeltjes’ nog wel te doen, met zijn verwijzing naar de mogelijkheid van genetische manipulatie van de menselijke soort, in ‘Mogelijkheid’ werkt hij deze ‘verlossing’ zodanig uit, dat er op het laatst alleen een meditatieve, hopeloze leegte overblijft.

In dat opzicht is de poel van ‘gezonken cultuurgoed’ waaruit de schrijver put een vrij klassieke ideologie, namelijk het christendom en, misschien in nog iets sterkere mate, Oosterse filosofieen. Houellebecqs boeken zijn niets anders dan de uitwerking op een meer modern, literair niveau van de doctrine van erfzonde en verlossing. De schrijver is absoluut geen ‘Marx van de eenzamen’, zoals hij wel eens genoemd is, eerder een Augustinus. En zoals al dit soort ideologische gedachtenspinsels stimuleert het boek niet tot verzet en verandering, maar tot een lege, stoicijnse aanvaarding van de status quo. Het boek bevrijdt niet, maar bevestigt, affirmeert de repressieve wereld van het nu.